Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:13061

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-12-2014
Datum publicatie
28-02-2015
Zaaknummer
15/800555-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling art. 197 Sr. De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 november 2014 bepaald ‘dat een vóór de datum van inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatietermijn uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijkgesteld – in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur – indien en voor zover de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.’ In het licht van de Terugkeerrichtlijn bezien, vloeit naar het oordeel van de rechtbank uit voornoemde overweging voort dat de in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn vermelde termijn van 5 jaar slechts een aanvang neemt op het moment dat de vreemdeling naar een land buiten het grondgebied van de Europese Unie is uitgereisd. Uit de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten de grenzen van de Europese Unie heeft begeven. Om deze reden heeft voormelde termijn van 5 jaar geen aanvang genomen en is de ongewenstverklaring onverkort van kracht indien de Nederlandse overheid zich heeft ingespannen om verdachte uit te zetten. De rechtbank stelt daarbij vast dat reeds tweemaal getracht is verdachte uit te zetten en tot de maatregel van vreemdelingenbewaring is overgegaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800555-14 (P)

Uitspraakdatum: 11 december 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 10 november 2014 en 27 november 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende vaste woon- en/of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in [detentiecentrum].

De politierechter heeft de zaak onder het parketnummer 15/800555-14 naar deze kamer verwezen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. Visser en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. E.P.A. Zwart, advocaat te Purmerend, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 oktober 2014 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard, of terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en daarbij het volgende opgemerkt.

Dat uit het arrest van het Europese Hof van 19 september 2013 inzake Filev en Osmani (zaak C-297/12) zou volgen dat een ongewenstverklaring zou dienen te worden gelijkgesteld aan een inreisverbod en dat de maximumduur van de ongewenstverklaring daardoor maximaal vijf jaar zou bedragen na het afgeven van de beschikking, zoals door de raadsvrouw is bepleit, is onjuist. Immers uit het arrest van de Hoge Raad van 4 november 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1148) blijkt dat de maximale duur van vijf jaar als bedoeld in artikel 11.2 van richtlijn nr. 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) pas ingaat op de datum dat de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten. Nu daarvan in de onderhavige zaak geen sprake is, en verdachte volgens eigen zeggen eerst in december 2013 naar België is gereisd, was de ongewenstverklaring van verdachte nog steeds van kracht en zijn aanwezigheid op Nederlands grondgebied daarmee niet rechtmatig.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting vrijspraak bepleit overeenkomstig de inhoud van pagina’s 1, 2, 3, 4 en 5 boven van een als bijlage aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 1 juni 2007 is verdachte door de Staatssecretaris van Justitie op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 ongewenst verklaard.2 Op 13 juni 2007 is dit besluit aan verdachte in persoon betekend.3 Op 27 oktober 2014 was verdachte aanwezig in Zaandijk, gemeente Zaanstad.4

3.4.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft – kort gezegd – onder meer bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken omdat hij na zijn ongewenstverklaring de Europese Unie nooit is uitgereisd en zijn vertrek uit Nederland zich beperkt heeft tot het zich vestigen in België in december 2013. Nu gelet op de Europese jurisprudentie de ongewenstverklaring dient te worden beschouwd als een inreisverbod, en van overtreding van een inreisverbod geen sprake kan zijn, zolang de betrokkene niet eerst de Europese Unie is uitgereisd, heeft verdachte zich ook niet schuldig gemaakt aan de overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank overweegt dat dit betoog van de raadsvrouw uitgaat van een onjuiste interpretatie van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht waarin het verblijf van vreemdelingen in Nederland terwijl zij tot ongewenst vreemdeling zijn verklaard of tegen wie een inreisverbod is uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 strafbaar is gesteld. Dit feit ziet zowel op het niet vertrekken als het weer terugkeren.

Voor zover de raadsvrouw heeft betoogd dat gelet op het arrest van het Europese Hof inzake Filev en Osmani de aan verdachte opgelegde ongewenstverklaring niet meer van kracht zou zijn, nu na de datum van de beschikking tot ongewenstverklaring (in 2007) meer dan 5 jaar is verstreken, en een termijn van 5 jaar als maximale duur dient te gelden, gelijk aan de maximale duur van een inreisverbod, overweegt de rechtbank als volgt:

De Hoge Raad heeft in het arrest van 4 november 2014 bepaald ‘dat een vóór de datum van inwerkingtreding van de terugkeerrichtlijn of het verstrijken van de uiterste implementatietermijn uitgevaardigde ongewenstverklaring slechts met een inreisverbod moet worden gelijkgesteld – in die zin dat zij gebonden moet worden geacht aan de in art. 11, tweede lid, van de terugkeerrichtlijn bedoelde maximale duur – indien en voor zover de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.’5

In het licht van de Terugkeerrichtlijn bezien, vloeit naar het oordeel van de rechtbank uit voornoemde overweging voort dat de in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn vermeldde termijn van 5 jaar slechts een aanvang neemt op het moment dat de vreemdeling naar een land buiten het grondgebied van de Europese Unie is uitgereisd. Uit de stukken van het strafdossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich sinds zijn ongewenstverklaring niet buiten de grenzen van de Europese Unie heeft begeven. Om deze reden heeft voormelde termijn van 5 jaar geen aanvang genomen en is de ongewenstverklaring onverkort van kracht indien de Nederlandse overheid zich heeft ingespannen om verdachte uit te zetten. De rechtbank stelt daarbij vast dat reeds tweemaal getracht is verdachte uit te zetten en tot de maatregel van vreemdelingenbewaring is overgegaan. Het betoog van de raadsvrouw faalt dan ook.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 27 oktober 2014 te Zaandijk, gemeente Zaanstad, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De oplegging van een gevangenisstraf is niet in strijd met de ratio van de Terugkeerrichtlijn. Gewezen wordt ook naar eerdergenoemd arrest van 4 november 2014 waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat uit de Terugkeerrichtlijn niet voortvloeit dat de rechter slechts dan een gevangenisstraf mag opleggen, indien hij zich ervan heeft vergewist dat alle stappen van de terugkeerrichtlijn opnieuw zijn doorlopen.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting bepleit verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel, overeenkomstig de inhoud van pagina’s 5 midden/onder en 6 van een als bijlage aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier ingelast dient te worden beschouwd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het verblijven in Nederland, terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Nu verdachte op de hoogte was van de ongewenstverklaring, heeft hij door in Nederland te verblijven, bewust een door het bevoegde gezag genomen besluit overtreden. Daarmee heeft hij het belang dat de samenleving heeft bij de respectering en naleving van door het bevoegd gezag genomen beslissingen – en daarmee het belang van de openbare orde - geschonden. De ernst van dit feit rechtvaardigt de oplegging van een gevangenisstraf.

Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van gevangenisstraf niet eerst aan de orde is wanneer alle in de Terugkeerrichtlijn vermelde bestuurlijke dwangmiddelen opnieuw zijn doorlopen.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf meegewogen dat uit het Uittreksel Justitiële Documentatie gedateerd 12 november 2014 blijkt dat verdachte reeds tweemaal eerder is veroordeeld voor het verblijven in Nederland, terwijl hij weet dat hij ongewenst is verklaard, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden wederom een soortgelijk feit te plegen.

De rechtbank ziet echter in het feit dat verdachte thans wederom in vreemdelingenbewaring verblijft en er mogelijk na presentatie bij het Turkse consulaat op korte termijn een reisdocument aan hem kan worden verstrekt, aanleiding om in plaats van een onvoorwaardelijke een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Hiermee kan verdachte er tevens van worden weerhouden om opnieuw over te gaan tot het plegen van een strafbaar feit,

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal bepalen dat deze straf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het volgende wetsartikel is van toepassing:

197 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, met bevel dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. A.S. van Leeuwen en mr. T. Fuchs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.M. Wagenaar,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 11 december 2014.

mr. T. Fuchs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het door de rechtbank in de voetnoot als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddel is in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoet ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Beschikking van de Immigratie- en Naturalisatiedienst, Ministerie van Justitie, d.d. 1 juni 2007 met dossiernummer [dossiernummer] en V-nummer [V-nummer] (dossierpagina’s 31 en 37).

3 Uitreikingsblad bij de beschikking van 1 juni 2007 met dossiernummer [dossiernummer] en V-nummer [V-nummer] (dossierpagina 38).

4 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 27 oktober 2014 (dossierpagina 11).

5 ECLI:NL:HR:2014:3093.