Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12960

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
AWB - 13 _ 4848 tu
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de realisatie van woningen en winkels in centrum Beverwijk - de ontwikkeling is reeds grotendeels voorzien in het geldende bestemmingsplan - de omgevingsvergunning omvat niet alle overschrijdingen van het bestemmingsplan

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-03-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 13/4848

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2014 in de zaak tussen

Vereniging van Eigenaars Wijckermeer, te Beverwijk,

(gemachtigde: mr. T. van der Weijde),

eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk, verweerder

(gemachtigde: L. Riddersma),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: V.O.F. Meerplein, te Zoetermeer,

(gemachtigde: mr. F.G. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2013, gepubliceerd 16 oktober 2013, (het primaire besluit) heeft verweerder aan V.O.F. Meerplein (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor:

  • -

    het oprichten van een parkeergarage van twee lagen onder peil, commerciële ruimte, expeditieruimte, 98 bergingen bij de woningen en 35 parkeerplaatsen op de begane grond en 43 + 39 woningen van drie bouwlagen op de eerste, tweede en derde verdieping en 16 appartementen op de eerste, tweede en derde en vierde verdieping;

  • -

    twee verdiepingen met een detailhandelsfunctie;

  • -

    horecagelegenheid op de begane grond met daarboven twee bouwlagen met 9 shortstayappartementen en 2 appartementen met daarboven twee opbouwen ten behoeve van technische installaties,

op de percelen plaatselijk bekend als parkeerterrein Meerplein, [adres 1] (Nagellocatie) en [adres 2] (Bogaardlocatie) in Beverwijk.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam], voorzitter, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van R. Potma en mr. R.F.C. Kleine Deters, allen werkzaam bij de gemeente Beverwijk.

Derde-partij is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met het beroep met zaaknummer 13/4875 gericht tegen hetzelfde besluit. Het beroep met zaaknummer 13/4875 is bij uitspraak van
9 juli 2014 ongegrond verklaard.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) is op deze procedure het bepaalde in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing.

2. Het project waarvoor vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, behelst het vergroten van het centrumgebied van Beverwijk. Het projectgebied is ongeveer 2 ha groot en omvat drie ontwikkelingen te weten het slopen van bestaande bebouwing en realiseren van nieuwbouw op de Nagellocatie en de Boogaardlocatie alsmede de realisering van nieuwbouw op de locatie waar nu het parkeerterrein Meerplein is gevestigd. Op de Nagellocatie zijn twee bouwlagen geprojecteerd met winkels, op de Boogaardlocatie een horecagelegenheid met daarboven short-stay appartementen en op het

Meerplein een parkeergarage met daarboven winkels en appartementen. Het bouwplan voorziet in 8269 m2 detailhandel.

3. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Breestraat e.o.”. De gemeenteraad heeft het plan op 6 november 2008 vastgesteld. Het is op 28 oktober 2009 onherroepelijk geworden. De betreffende gronden hebben daarin de bestemming Centrumdoeleinden 1 (C1), Centrumdoeleinden 2 (C2) en Centrumdoeleinden 3 (C3).

De ontwikkeling die met de bestreden omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, is reeds grotendeels voorzien in voormeld bestemmingsplan dat is gebaseerd op een plan voor de ontwikkeling van het betreffende gebied uit 2008.

Het nu voorliggende bouwplan wijkt op onderdelen af van het – zeer gedetailleerd ingevulde – bestemmingsplan.

Verweerder heeft de omgevingsvergunning met toepassing van – voor zover hier van belang – artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend, teneinde het bouwplan mogelijk te maken.

4. De woningen van de leden van eiseres grenzen direct aan het plangebied. Eiseres kan zich niet verenigen met de ontwikkeling die door uitvoering van het bouwplan zal worden gerealiseerd.

5. Bij de beoordeling van het gronden van beroep van eiseres stelt de rechtbank voorop dat aan de ruimtelijke onderbouwing van het project zwaardere eisen moeten worden gesteld, naarmate de inbreuk ervan op het planologische regime groter is.

6. Eiseres voert aan dat ten onrechte omgevingsvergunning is verleend nu het bouwplan met betrekking tot de bouw- en goothoogte op sommige punten in strijd is met het bestemmingsplan. Zij verwijst hiertoe specifiek naar de bij het bestemmingsplan behorende kaart waarop aan de kop van de Koude Horn vlakken met verschillende bouwhoogtes zijn ingetekend, te weten 5, 8,5 en 18,5 meter. Het bouwplan is hiermee niet in overeenstemming, aldus eiseres. Zij voert aan dat verweerder zich in de reactie op de zienswijze dan ook ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan volledig voldoet aan de op grond van het bestemmingsplan maximaal toegestane goot- en bouwhoogtes.

Verweerder heeft daarmee samenhangende aspecten zoals schaduwwerking, daglichttoetreding, vermindering van privacy en uitzicht als gevolg van de overschrijding van de bouwhoogte ten onrechte niet betrokken in de besluitvorming, aldus eiseres.

6.1

Ter beoordeling staat de vraag of verweerder op de juiste wijze omgevingsvergunning heeft verleend ter zake van punten waarop het bouwplan afwijkt van het bestemmingsplan en of een dergelijke afwijking voldoende is onderbouwd.

De rechtbank heeft ter zitting met partijen aan de hand van bouwtekening A5-200 geconstateerd dat daar waar op de kop van de Koude Horn op grond van het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 5 meter geldt, de bouwtekening voorziet in een gebouw waarvan het deel van de noordoostgevel aan de Koude Horn een bouwhoogte heeft van circa 8 meter.

Voorts heeft de rechtbank met eiseres geconstateerd, hetgeen door verweerder niet wordt weersproken, dat de bebouwing aan de kop van de Koude Horn welke grenst aan de Meerstraat, de ter plaatse maximum toegelaten bouwhoogte van 8,5 meter overschrijdt.

6.2

Met betrekking tot de overschrijding van de maximale bouwhoogte van 8,5 meter, stelt verweerder zich op het standpunt dat deze afwijking van de planvoorschriften wel onderdeel is van de omgevingsvergunning en ook in de belangenafweging is betrokken. Verweerder verwijst daartoe naar de omgevingsvergunning waarin is aangegeven dat ter hoogte van de kop van de Koude Horn de bouwdiepte met circa 3,2 meter wordt overschreden.

6.3

Nu het bouwplan aan de zijde van de Koude Horn de ter plaatste maximaal toegestane bouwhoogte van 5 meter overschrijdt heeft verweerder ten onrechte de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo buiten beschouwing gelaten, voor zover het deze afwijking betreft. Aldus heeft hij uitsluitend omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo.

Ook ten aanzien van de bebouwing aan de Koude Horn die is geprojecteerd binnen het bouwvlak waarvoor een maximale bouwhoogte geldt van 8,5 meter, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een overschrijding van de bouwhoogte waarin de omgevingsvergunning niet voorziet. Uit de ruimtelijke onderbouwing komt niet naar voren dat daar waar omgevingsvergunning is verleend voor overschrijding van de bouwdiepte dit tevens ziet op overschrijding van de bouwhoogte ter plaatse.

Met verlening van de omgevingsvergunning is de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan ten aanzien van deze twee punten niet opgeheven. Het betoog van eiseres slaagt.

Voorts ontbreekt ten aanzien van deze overschrijdingen van de bouwhoogtes een belangenafweging met betrekking tot mogelijke overlast voor leden van eiseres - die deels woonachtig zijn tegenover de aan de Koude Horn geprojecteerde bebouwing - bijvoorbeeld door schaduwwerking, vermindering van daglichttoetreding, privacy en uitzicht.

7. Eiseres voert tevens aan dat het aantal verkeersbewegingen nu reeds aan de bovengrens van het maximaal aanvaardbare zit en dat in de toekomst als gevolg van het bouwplan ver boven de aanvaardbare verkeersoverlast zal worden uitgekomen. Daarbij is onduidelijk wat de invloed is van een mogelijke wijziging van de verkeersstructuur ter plaatse. Zij heeft ter onderbouwing hiervan een verkeerskundig advies van VMC Beleids- en procesmanagement (hierna: VMC) overgelegd. Verweerder heeft voorts, aldus eiseres, niet aangetoond dat deze verkeerskundige aspecten ook daadwerkelijk zijn meegenomen in de besluitvorming. Daarbij acht eiseres niet bewezen dat verweerder deze verkeerskundige belangen ook daadwerkelijk heeft meegenomen bij de vaststelling van het nu geldende bestemmingsplan.
De toename van de verkeersintensiteit vlak voor de woningen van de leden van eiseres zal voorts leiden een onacceptabele toename van geluidsoverlast, aldus eiseres.

7.1

Het vigerende bestemmingsplan voorziet in de realisatie van een omvangrijk project met detailhandel en wonen in het centrum van Beverwijk, met de daarbij behorende verkeersbewegingen. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. Eiseres heeft hiertegen destijds geen rechtsmiddelen aangewend. De toename van verkeer als gevolg van realisatie van deze ontwikkeling, kan in het kader van deze procedure dan ook niet meer ter discussie staan.
Ter toetsing ligt uitsluitend voor de vraag in hoeverre sprake is van een significante toename van verkeer waarin het bestemmingsplan niet reeds voorziet.

Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat een dergelijke toename niet aannemelijk is. Het advies van VMC biedt hiervoor geen aanknopingspunten nu in dit advies geen onderscheid is gemaakt tussen de situatie overeenkomstig het bestemmingplan en de situatie waarin van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maar wordt uitgegaan van de totale verkeersstromen. Ook de aard van de afwijkingen van het bestemmingplan biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de toename van 769 m2 voor detailhandel blijkens de bouwtekeningen ziet op uitbreiding van magazijn- en expeditieruimte van detailhandel waarin het bestemmingsplan reeds voorziet. Het betoog treft dan ook geen doel.

8. Eiseres voert voorts aan dat ten onrechte in de besluitvorming niet is betrokken de te verwachten overlast van winkelend publiek en uitgaanspubliek voor omwonenden.

8.1

De stelling van eiseres dat sprake zal zijn van overlast van bezoekers van de winkels, horeca en de parkeergarage in het plangebied is niet onderbouwd en ook overigens is er geen aanleiding om aan te nemen dat in het kader van de onderhavige omgevingsvergunning sprake zal zijn van overlast. Mogelijke overlast na realisatie van het bouwplan zal verweerder in het kader van zijn bevoegdheid handhavend op te treden tegen overtredingen aan de orde kunnen stellen. Het betoog treft geen doel.

9. Eiseres voert tot slot aan dat het project financieel niet haalbaar is. Zij verwijst daartoe naar uitspraken in de media waaruit zou blijken dat geen belangstellenden zijn te vinden voor exploitatie van de winkelruimte.

9.1

Verweerder benadrukt dat de uitspraken in de media geen deel uitmaken van de omgevingsvergunning. Verweerder geeft voorts aan geen aanleiding te hebben te veronderstellen dat het bouwplan voor vergunninghoudster niet financieel haalbaar zal zijn.

9.2

Slechts gerede twijfel aan de financiële uitvoerbaarheid van een bouwplan kan aanleiding zijn om een omgevingsvergunning te weigeren. Hetgeen eiseres hieromtrent heeft gesteld is niet nader toegelicht en is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen spreken van gerede twijfel in voornoemde zin. Daarbij is ook hier van belang dat de financiële haalbaarheid van het project zoals dat is opgenomen in het geldende bestemmingsplan reeds in de bestemmingsplanprocedure is aangetoond. Het betoog treft geen doel.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder rechtsoverweging 6.3, is het beroep gegrond.

Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan met een vervangend besluit, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.

11. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder over de aanvraag om omgevingsvergunning voor zover die betrekking heeft op de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, aanhef en onder c van de Wabo en met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen onder 6 tot en met 6.3 een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres nemen. Dit betekent dat verweerder dient te beoordelen of het uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening bereid is een omgevingsvergunning te verlenen voor twee hoogten in afwijking van de maximale hoogten die gelden ingevolge het bestemmingsplan "Breestraat e.o.”.

De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op vier weken na verzending van deze tussenuitspraak. De uitgebreide voorbereidingsprocedure is daarbij niet van toepassing.

12. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb èn om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

13. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik
maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.