Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12959

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
09-07-2014
Datum publicatie
17-03-2015
Zaaknummer
HAA 13/4875
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2015:3213, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

omgevingsvergunning voor realisatie woningen en winkels in centrum Beverwijk - ontwikkeling is reeds grotendeels voorzien in het geldende bestemmingsplan - geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-03-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 13/4875

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2014 in de zaak tussen

IEF Capital Vastgoed Eta West B.V., te Amsterdam,

IEF Berlage Beverwijk B.V., te Amsterdam,

IEF Capital Vastgoed Rietveld B.V., te Amsterdam,

Heuseveldt B.V., te Beverwijk,

[eiser], te [woonplaats 1],

[eiser], te [woonplaats 2],

[eiser], te [woonplaats 2], en

Schmit Beheer Beverwijk B.V., te Beverwijk,
(gemachtigde: mr. J.A. Huijgen),

eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Beverwijk, verweerder

(gemachtigde: L. Riddersma),

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: V.O.F. Meerplein, te Zoetermeer,

(gemachtigde: mr. F.G. Meijer).

Procesverloop

Bij besluit van 8 oktober 2013, gepubliceerd 16 oktober 2013, (het primaire besluit) heeft verweerder aan V.O.F. Meerplein (hierna: vergunninghoudster) omgevingsvergunning verleend voor:

  • -

    het oprichten van een parkeergarage van twee lagen onder peil, commerciële ruimte, expeditieruimte, 98 bergingen bij de woningen en 35 parkeerplaatsen op de begane grond en 43 + 39 woningen van drie bouwlagen op de eerste, tweede en derde verdieping en 16 appartementen op de eerste, tweede en derde en vierde verdieping;

  • -

    twee verdiepingen met een detailhandelsfunctie;

  • -

    horecagelegenheid op de begane grond met daarboven twee bouwlagen met 9 shortstayappartementen en 2 appartementen met daarboven twee opbouwen ten behoeve van technische installaties,

op de percelen plaatselijk bekend als parkeerterrein Meerplein, [adres 1] (Nagellocatie) en [adres 2] (Bogaardlocatie) in Beverwijk.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 april 2014.

Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is verschenen [eiser].

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van R. Potma en mr. R.F.C. Kleine Deters, allen werkzaam bij de gemeente Beverwijk.

Derde-partij is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Het beroep is ter zitting gezamenlijk behandeld met het beroep met zaaknummer 13/4848 gericht tegen hetzelfde besluit. De rechtbank heeft in het beroep met zaaknummer 13/4848 op 9 juli 2014 een tussenuitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2. De rechtbank zal allereerst ambtshalve beoordelen of eisers kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden bij het bestreden besluit.

Volgens vaste jurisprudentie is degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks is betrokken bij een besluit, belanghebbende.

Eisers zijn eigenaar van een aantal winkelpanden aan of vlakbij de centrale winkelstraat in Beverwijk, de Breestraat, gelegen nabij het bouwplan. Zij verhuren de betreffende winkelpanden aan de verschillende winkelbedrijven. Nu het bouwplan voorziet in de realisatie van een oppervlakte van 8269 m2 ten behoeve van detailhandel en gelet op de nabijheid van de panden van eisers tot het bouwplan, acht de rechtbank niet uitgesloten dat eisers, nu zij zich richten op hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment, door het bouwplan rechtstreeks in hun belangen worden geraakt. Niet kan worden uitgesloten dat de verhuurbaarheid van de panden van eisers ten gevolge van het bouwplan zal worden beïnvloed. Eisers dienen dan ook te worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van Awb.

3. Ingevolge artikel 1.1 van de Crisis- en herstelwet (Chw) is op deze procedure het bepaalde in afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing.

4. Het project waarvoor vergunninghoudster een omgevingsvergunning heeft aangevraagd, behelst het vergroten van het centrumgebied van Beverwijk. Het projectgebied is ongeveer 2 ha groot en omvat drie ontwikkelingen te weten het slopen van bestaande bebouwing en realiseren van nieuwbouw op de Nagellocatie en de Boogaardlocatie alsmede de realisering van nieuwbouw op de locatie waar nu het parkeerterrein Meerplein is gevestigd. Op de Nagellocatie zijn twee bouwlagen geprojecteerd met winkels, op de Boogaardlocatie een horecagelegenheid met daarboven short-stay appartementen en op het

Meerplein een parkeergarage met daarboven winkels en appartementen. Het bouwplan voorziet in 8269 m2 detailhandel.

5. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Breestraat e.o.”. De gemeenteraad heeft het plan op 6 november 2008 vastgesteld. Het is op 28 oktober 2009 onherroepelijk geworden. De betreffende gronden hebben daarin de bestemming Centrumdoeleinden 1 (C1), Centrumdoeleinden 2 (C2) en Centrumdoeleinden 3 (C3).

De ontwikkeling die met de bestreden omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, is reeds grotendeels voorzien in voormeld bestemmingsplan dat is gebaseerd op een plan voor de ontwikkeling van het betreffende gebied uit 2008.

Het nu voorliggende bouwplan wijkt op onderdelen af van het – zeer gedetailleerd ingevulde – bestemmingsplan.

Verweerder heeft de omgevingsvergunning met toepassing van – voor zover hier van belang – artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) verleend, teneinde het bouwplan mogelijk te maken.

6. Eisers voeren aan dat in het centrum van Beverwijk geen behoefte is aan een dergelijke buitenproportionele toevoeging van de detailhandelsruimte als waarin het bestreden bouwplan voorziet. Eisers vrezen leegstand en verpaupering.

7. Bij de beoordeling van het gronden van beroep van eiseres stelt de rechtbank voorop dat aan de ruimtelijke onderbouwing van het project zwaardere eisen moeten worden gesteld, naarmate de inbreuk ervan op het planologische regime groter is.

8. Eisers betogen dat het bouwplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Gelet hierop volgt uit artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met artikel 5.20 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) dat het bestreden besluit een toelichting dient te bevatten waaruit blijkt dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio. Dat het bestemmingsplan reeds een ontwikkeling mogelijk maakt ontslaat verweerder niet van zo’n toelichting nu van dit bestemmingsplan wordt afgeweken. Deze afwijking van het bestemmingsplan brengt met zich dat de ontwikkeling als geheel dient te worden getoetst en van een toelichting dient te worden voorzien, aldus eisers. Nu een dergelijke toelichting voor de ontwikkeling als geheel, maar ook voor het deel dat afwijkt van het bestemmingsplan, ontbreekt, kan het bestreden besluit geen stand houden. De enkele verwijzing naar gegadigden voor de beoogde ontwikkeling is, aldus eisers, niet als een dergelijke toelichting aan te merken en is tevens onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een actuele behoefte. Eisers stellen voorts dat – in tegenstelling tot hetgeen verweerder betoogt - uit de Detailhandelsstructuurvisie blijkt dat de voedings- en genotmiddelenindustrie verzadigd is en krimpt. Uit de diverse wijzigingen die het bouwplan de afgelopen jaren heeft ondergaan en de berichten in de media daarover blijkt dat sprake is van een ruimtelijk onwenselijke ontwikkeling. Eisers wijzen ter onderbouwing van hun betoog op leegstandsbarometer van Droogh en Trommelen waarmee de leegstand in Beverwijk aangetoond wordt.

De Detailhandelsstructuurvisie en het bestemmingsplan zijn bovendien inmiddels achterhaald en kunnen reeds hierom niet dienen ter onderbouwing van het standpunt van verweerder dat sprake is van een actuele regionale behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met de omgevingsvergunning, aldus eisers.

8.1

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder h, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder bestaand stedelijk gebied verstaan: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 5.20 van het Bor zijn voor zover de omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de wet, de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van overeenkomstige toepassing.

8.2

De rechtbank volgt verweerder niet in diens betoog dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet geldt voor het bestreden besluit.
De aanvraag voor de onderhavige omgevingsvergunning is gedaan op 30 maart 2012, derhalve vóór de inwerkingtreding van artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro op 1 oktober 2012. Bij afwezigheid van overgangsrecht moet echter worden vastgesteld dat artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro directe werking heeft en derhalve ook geldt in het onderhavige geval waarin na de inwerkingtreding op de aanvraag is beslist.

8.3

Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is bepalend de ontwikkeling die de omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan mogelijk maakt. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun betoog dat een reeds in een onherroepelijk bestemmingsplan vastgelegde ontwikkeling zonder meer opnieuw in dit kader dient te worden getoetst indien van het bestemmingsplan wordt afgeweken.

De onderhavige stedelijke ontwikkeling is grotendeels vastgelegd in het vigerende bestemmingsplan, nu dit voorziet in een toename van de oppervlakte voor detailhandel met 7500 m2. De planologische afweging om te voorzien in een deze ontwikkeling heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de procedure tot vaststelling van dit bestemmingsplan.

Het bestreden besluit ziet op een uitbreiding van de oppervlakte voor detailhandel met 769 m2, die niet een uitbreiding van de winkel(verkoop)oppervlakte betreft. In relatie tot de 7500 m2 detailhandel die reeds mogelijk is gemaakt, kan deze toevoeging van 769 m2 niet worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro. Verweerder was dan ook niet gehouden het bestreden besluit te voorzien van een toelichting als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro. Het betoog treft geen doel.

9. Eisers voeren voorts aan dat het bouwplan in strijd is met artikel 6 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie van de provincie Noord-Holland (hierna: PRVS), zoals deze luidde ten tijde in geding. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of sprake is van verstoring of duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur, alsmede ten onrechte de ontwikkeling niet regionaal heeft afgestemd. Eisers voeren aan dat bij de vraag of artikel 6 van de PRVS van toepassing is, gekeken dient te worden naar de daadwerkelijke ontwikkeling en de toevoeging aan de huidige markt. Het opknippen van het project in een deel dat planologisch reeds is vastgelegd en een deel dat daarvan afwijkt kan niet, aldus eisers.

9.1

Artikel 6 van de PRVS luidt als volgt:
1. Een bestemmingsplan kan – met in achtneming van het bepaalde in artikel 15 – voorzien in grootschalige (perifere) detailhandelsvestigingen:

a. op een locatie gelegen in of aansluitend op bestaande binnensteden en winkelcentra indien dit aantoonbaar niet leidt tot ernstige verstoring en/ of duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelsstructuur;

b. als in de binnensteden en/of wijkwinkelcentra aantoonbaar geen ruimte gevonden kan worden en;

c. als aantoonbaar sprake is van thematische binding aan een bestaande perifere locatie.

2. De toelichting bij het bestemmingsplan dat nieuw toe te voegen grootschalige (perifere) detailhandel mogelijk maakt geeft aan in hoeverre regionale afstemming heeft plaatsgehad binnen de regionale adviescommissie en maakt melding van het advies van deze commissie.

Ingevolge artikel 1, onder 18 wordt onder grootschalige (perifere) detailhandel verstaan: detailhandel groter dan 1500 m2 vloeroppervlak (buiten bestaande winkelcentra) en groter dan 5000 m2 (binnen bestaande winkelcentra).

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d wordt in deze regeling mede verstaan onder een bestemmingsplan een omgevingsvergunning waarbij – voor zover hier van belang – met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3 van de Wabo.

9.2

Zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld, ziet het bouwplan op een uitbreiding van de detailhandelsruimte in afwijking van het bestemmingsplan, ter grootte van 769 m2. Anders dan eisers betogen is niet de daadwerkelijke ontwikkeling van belang, maar ziet artikel 6 slechts op die situaties waarbij nieuwe planologische ontwikkelingen betreffende grootschalige detailhandel in een bestemmingsplan worden opgenomen, dan wel anderszins wordt afgeweken van het bestaande planologische regime om detailhandel van een dergelijke omvang mogelijk te maken. Nu een uitbreiding van detailhandel van 7500 m2 reeds planologisch mogelijk is, dient voor de vraag of artikel 6 van de PRVS van toepassing is in dit geval, evenals hiervoor is overwogen ten aanzien van artikel 3.1.6, tweede lid, van de Bro, uitgegaan te worden van het vloeroppervlak waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, te weten 769 m2. Uit artikel 1, onder 18 van de PRVS volgt dat nu de uitbreiding kleiner is dan 5000 m2, er geen sprake is van grootschalige detailhandel. Er is dan ook geen sprake van strijd met artikel 6 van de PRVS. Het betoog treft geen doel.

10. Eisers voeren voorts aan dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening nu –gelet op de huidige economische situatie en de toename van internetaankopen – de financiële uitvoerbaarheid van het plan ter discussie staat en het plan bovendien leidt tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. De ruimtelijke onderbouwing volstaat niet nu verweerder heeft nagelaten de toevoeging van 769 m2 aan detailhandelsruimte nader te motiveren.

Eisers verwijzen naar de Detailhandelsstructuurvisie waaruit volgt dat de markt voor supermarkten verzadigd is. Voorts is niet gebleken dat er concrete afnemers zijn voor de detailhandelsruimte, aldus eisers. Eisers stellen, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5173) dat vergunningverlening voor een bouwplan waaraan geen behoefte bestaat en waarvan bekend is dat het niet ten uitvoer zal worden gelegd, planologisch onverantwoord is.

10.1

Ten aanzien van deze door eisers aangevoerde beroepsgrond zal de rechtbank eerst ambtshalve onderzoeken of artikel 8:69a va de Awb van toepassing is.

Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

De voorwaarde van financiële uitvoerbaarheid en het belang van voorkoming van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau strekt ertoe te waarborgen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening in die zin dat onnodige leegstand en verval van wijken wordt voorkomen. Het belang van een goed woon-, leef- en ondernemersklimaat moet mede worden geacht te strekken tot bescherming van de belangen van eisers. De rechtbank zal de beroepsgrond hierna dan ook inhoudelijk behandelen.

10.2

Ook hier geldt dat, omdat het bestemmingsplan de onderhavige ontwikkeling al grotendeels mogelijk maakt, verweerder zich bij de motivering in de ruimtelijke onderbouwing en de (planologische) belangenafweging kan beperken tot dat deel van het bouwplan dat afwijkt van het bestemmingsplan. Voor zover eisers betogen dat verweerder de ontwikkeling als geheel ten grondslag dient te leggen aan de ruimtelijke onderbouwing, volgt de rechtbank eisers dan ook niet. Het staat eisers echter vrij de financiële uitvoerbaarheid van het bouwplan en de ontwikkeling als geheel in beroep tegen te werpen. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat slechts gerede twijfel aan de financiële uitvoerbaarheid van een bouwplan aanleiding kan zijn om een omgevingsvergunning te weigeren. De rechtbank is van oordeel dat, nu eisers hun standpunt niet nader hebben onderbouwd, zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van gerede twijfel aan de financiële uitvoerbaarheid. Voormelde uitspraak van de Afdeling 17 augustus 2011 geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. In deze uitspraak stond vast dat het betreffende bouwplan niet zou worden uitgevoerd binnen de planperiode van het betreffende bestemmingsplan, zodat voorzienbaar was dat het plan niet in de nabije toekomst zou worden uitgevoerd. In het onderhavige geval is dat niet aan de orde en heeft vergunninghoudster ter zitting overtuigend gesteld dat er wel degelijk belangstelling is van partijen voor exploitatie van de detailhandelsruimte. Het betoog treft geen doel.

10.3

Met betrekking tot het betoog van eisers dat de uitvoering van het bouwplan zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau overweegt de rechtbank het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2013 ECLI:NL:RVS:2013:2342) volgt dat concurrentieverhoudingen bij een planologische belangenafweging in beginsel geen in aanmerking te nemen belang vormen, tenzij zich een duurzame ontwrichting van het voorzieningenpatroon zal voordoen die niet door dwingende redenen wordt gerechtvaardigd. Voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau is doorslaggevend te achten of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Dat betekent dat alleen een mogelijke ontwrichting ten aanzien van deze eerste levensbehoeften ruimtelijk relevant wordt geacht. De aantasting van het voorzieningenniveau van andere behoeften is op zichzelf geen reden om planologische medewerking aan een besluit te weigeren.

De uitbreiding van detailhandel met 769 m2 in het bestreden bouwplan ziet, zoals reeds is overwogen op een uitbreiding met magazijn- en expeditieruimte van een reeds in het bestemmingsplan mogelijk gemaakte supermarkt. Hoewel een supermarkt naar zijn aard wordt geacht bij te dragen aan de mogelijkheid te voorzien in de eerste levensbehoeften, geeft onderhavige uitbreiding van 769 m2 geen aanleiding aan te nemen dat daarmee sprake zal zijn van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Uitgangspunt is immers het gegeven dat het bestemmingsplan ingevolge artikel 11 (Centrum 3), onder 2.2, b, ten tweede, van de planvoorschriften reeds voorziet in een supermarkt met een oppervlak van 2500 m2. Verweerder heeft ten aanzien hiervan dan ook in redelijkheid geen toelichting hoeven geven in de ruimtelijke onderbouwing.

Daarbij is ook van belang dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 5 december 2012 ECLI:NL:RVS:2012:BY5093) voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan geen doorslaggevende betekenis toekomt aan de vraag of zich een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen zal voordoen. Het doorslaggevende criterium hiervoor is of ook na het sluiten van een of meer voorzieningen voor de inwoners van een bepaald gebied een voldoende voorzieningenniveau behouden blijft in die zin dat zij op een aanvaardbare afstand van of in hun woonplaats hun dagelijkse inkopen kunnen doen. Niet is gebleken dat de onderhavige uitbreiding zal leiden tot het verdwijnen van een zodanig deel van het winkelaanbod dat voor de inwoners van het verzorgingsgebied wezenlijke beperkingen zullen ontstaan bij het doen van hun dagelijkse inkopen.

Het betoog treft geen doel.

11 Tenslotte hebben eisers aangevoerd dat realisering van het plan tot verdere leegstand en verpaupering zal leiden, hetgeen een negatieve invloed zal hebben op het ondernemersklimaat. Het bestreden besluit dient om die reden wegens strijd met een goede ruimtelijke ordening te worden vernietigd.

11.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat van een significante leegstand noch van verpaupering als gevolg van het bouwplan sprake zal zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzitter, mr. A.C. Terwiel-Kuneman en mr. S.M. van Velsen, leden, in aanwezigheid van mr. Y.R. Boonstra - van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op het hoger beroep tegen deze uitspraak is de Crisis- en herstelwet van toepassing.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.