Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12936

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
17-02-2015
Zaaknummer
C/14/149023 / FA RK 13-1966 en C/14/151196 / FA RK 14-1
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Behoefte vastgesteld op basis van tabellen ten tijde van uiteengaan en de gevonden behoefte vervolgens geindexeerd. Oprekken van de huidige tabellen qua inkomen is geen reden om van voormeld uitgangspunt af te wijken. De rechtbank heeft het kindgebonden budget over 2015 berekend aan de hand van het verzamelinkomen van de vrouw. Partijen verwijten elkaar dat zij thans een verwijtbaar lager inkomen hebben dan ten tijde van uiteengaan. Partijen waren echter werkzaam in dezelfde branche en de rechtbank houdt aan beide kanten rekening met het lagere inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

zaaknummer / rekestnummer: C/14/149023 / FA RK 13-1966 en C/14/151196 / FA RK 14-1

Beschikking d.d. 24 december 2014 betreffende de echtscheiding

in de zaak van:

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de vrouw,

advocaat voorheen mr. M.E. Mewe-Boerwinkel, thans mr. M.M. van Maanen, gevestigd te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen de man,

advocaat mr. E.B. Warmerdam-Wolfs, gevestigd te Alkmaar.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 30 september 2013;

- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op

18 december 2013;

- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op

27 februari 2014;

- het bericht van de man dat hij zijn verzoeken met betrekking tot de verdeling intrekt, ingekomen op 27 maart 2014;

- het formulier verdelen en verrekenen van de vrouw, ingekomen op 31 maart 2014;

- het bericht van de vrouw met bijlagen, ingekomen op 3 november 2014;

- het bericht van de man met bijlagen, ingekomen op 4 november 2014, en

- het bericht van de vrouw met bijlage, ingekomen op 12 november 2014.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 november 2014.

Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door mr. Van Maanen voornoemd, en de man, bijgestaan door mr. Warmerdam-Wolfs voornoemd.

1.3.

De minderjarige [minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft een gesprek met de kinderrechter gehad.

2 De beoordeling

2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats].

2.2.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [minderjarige], geboren op[geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats].

2.3.

Scheiding

2.3.1.

Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.

2.3.2.

Op grond van artikel 815, lid twee van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, lid zes Rv).

Partijen hebben geen gezamenlijk ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, lid twee Rv overgelegd. Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij geen overeenstemming kunnen krijgen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen. Nu voldoende door partijen is gemotiveerd dat het voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk is een door hen beiden akkoord bevonden ouderschapsplan over te leggen, zal de rechtbank partijen ontvangen in hun verzoek tot echtscheiding.

Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.

2.3.3.

Het verzoek van de vrouw om het aangehechte ouderschapsplan als woordelijk herhaald en ingelast te beschouwen en de inhoud daarvan te bekrachtigen, wijst de rechtbank af nu partijen geen overeenstemming hebben over de inhoud van het ouderschapsplan.

2.4.

Verblijfplaats

2.4.1.

De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.

De man heeft zich daartegen niet verweerd.

2.4.2.

De rechtbank zal conform het verzoek beslissen, nu dit verzoek niet is weersproken en op de wet is gegrond. Niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet.

2.5.

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

2.5.1.

Beide partijen hebben verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen.

2.5.2.

Uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, blijkt dat partijen overeenstemming hebben dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man zullen zijn, alsmede op dinsdag na school tot woensdag 19.00 uur, met dien verstande dat [minderjarige] op woensdagmiddag uit school direct naar de vrouw gaat.

Met betrekking tot de verdeling gedurende de vakanties en de feestdagen zijn partijen tijdens de mondelinge behandeling overeengekomen dat deze in onderling overleg tussen partijen bij helfte zullen worden verdeeld.


De rechtbank acht voormelde regelingen in het belang van de minderjarigen en zal deze in het navolgende dan ook vaststellen.

2.6.

Bijdrage kosten verzorging en opvoeding minderjarigen (hierna: kinderbijdrage)

2.6.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen kinderbijdrage vast te stellen van, na wijziging, € 397,50 per kind per maand.

2.6.2.

Voor zover de vrouw heeft verzocht te bepalen dat de door de man te betalen bijdrage wordt vermeerderd met het bedrag van iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarigen kan of zal worden verleend, dient dit verzoek, reeds omdat het te onbepaald is, te worden afgewezen.

2.6.3.

Partijen verschillen van mening over de behoefte van de minderjarigen, de draagkracht van de vrouw en de draagkracht van de man. De rechtbank zal in het navolgende op deze onderwerpen afzonderlijk ingaan, waarbij de rechtbank met betrekking tot de draagkracht van partijen eerst enige inhoudelijke opmerkingen zal maken met betrekking tot hun draagkracht.

2.6.4.

Behoefte minderjarigen

2.6.4.1. Partijen hebben overeenstemming dat het netto gezinsinkomen ten tijde van uiteengaan ruim boven de € 6.000,- netto per maand was. Partijen verschillen wel van mening van welke tabellen moet worden uitgegaan bij het vaststellen van de behoefte van de minderjarigen. De man heeft aangesloten bij de tabellen van 2012 en de gevonden behoefte geïndexeerd naar 2014. Volgens hem bedraagt de behoefte van de minderjarigen € 516,15 per kind per maand. De vrouw heeft gesteld dat partijen tijdens het huwelijk meer aan de minderjarigen uitgaven dan volgt uit de tabellen van 2012. Om die reden stelt zij dat bij de tabellen van 2014 moet worden aangesloten en heeft aldus berekend dat de behoefte van de minderjarigen € 605,- per kind per maand bedraagt.

2.6.4.2. Uit de stukken en de standpunten van partijen maakt de rechtbank op dat partijen in 2012 uit elkaar zijn gegaan. Uitgangspunt in een dergelijke situatie is dat de behoefte van minderjarigen wordt bepaald op basis van het gezinsinkomen ten tijde van uiteengaan en de destijds geldende tabellen. De tabelbedragen kunnen worden aangepast voor bepaalde extra kosten die zo uitzonderlijk zijn dat deze niet zijn inbegrepen in de standaardbedragen voor kosten van kinderen. Van een dergelijke situatie is, naar het oordeel van de rechtbank, geen sprake. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de minderjarigen tijdens het huwelijk van partijen kunstschaatsten. Niet gebleken is echter dat deze kosten zo uitzonderlijk waren dat zij niet in de tabelbedragen zijn opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw voorts, voor haar standpunt dat van de huidige tabellen dient te worden uitgegaan, onvoldoende naar voren gebracht. De enkele stelling dat de huidige tabellen zijn opgerekt naar een inkomen tot € 6.000,- is onvoldoende om af te wijken van voormeld uitgangspunt.

Gelet op het vorenstaande volgt de rechtbank de behoefteberekening zoals de man deze heeft opgesteld en gaat in het navolgende uit van een behoefte van (afgerond) € 516,- per kind per maand.

2.6.4.3. Van de behoefte van de minderjarigen dient het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget te worden afgetrokken. Partijen verschillen niet van mening dat de vrouw in 2014 een kindgebonden budget ontvangt van € 54,- per kind per maand. Het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen bedraagt in 2014 derhalve € 462,- per kind per maand. Voor het jaar 2014 zal de rechtbank van deze behoefte uitgaan.

2.6.4.4. In verband met fiscale wijzigingen, verandert het kindgebonden budget waar de vrouw vanaf 1 januari 2015 aanspraak op maakt.

In verband met de wettelijke indexering bedraagt de behoefte van de minderjarigen in 2015 op basis van een rentepercentage van 0,8 % € 466,- per kind per maand, en derhalve

€ 1.398,- per maand.

Het huidige inkomen van de vrouw op basis van het dienstverband bedraagt € 21.289,- bruto per jaar. Het kindgebonden budget wordt berekend over het verzamelinkomen en derhalve op basis van het totale inkomen in box 1, 2, en 3 van de inkomstenbelasting. De inkomsten van de vrouw uit de woning die zij thans bewoont, dienen derhalve bij het berekenen van het verzamelinkomen ook mee te worden genomen. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat het eigenwoningforfait van de woning die zij thans bewoont

€ 1.632,- per jaar bedraagt en dat zij aan hypotheekrente € 11.471,- per jaar betaald. Op basis van deze gegevens bedraagt het verzamelinkomen van de vrouw € 11.450,- en maakt zij per 1 januari 2015 aanspraak op een kindgebonden budget van € 440,- per maand. Omdat [minderjarige] met ingang van 25 april 2015 12 jaar wordt, verandert het kindgebonden budget voor haar. De vrouw maakt met ingang van die datum aanspraak op een kindgebonden budget van

€ 459,- per maand.

Het eigen aandeel van partijen in de kosten van de minderjarigen is derhalve van 1 januari 2015 tot 25 april 2015 te stellen op € 319,- per kind per maand en vanaf 25 april 2015 te stellen op € 313,- per kind per maand.

2.6.5.

Draagkracht partijen

2.6.5.1. Partijen verschillen van mening van welke draagkracht aan de zijde van de vrouw en aan de zijde man dient te worden uitgegaan. Zij verwijten elkaar dat zij thans een lager inkomen hebben dan het inkomen dat zij hadden ten tijde van uiteengaan. De rechtbank zal eerst op deze omstandigheden ingaan.

2.6.5.2. Partijen waren tijdens het huwelijk beiden als ondernemer/ ZZP-er werkzaam in de verzekeringsbranche.

De vrouw werkt sinds 1 april 2014 in een dienstbetrekking bij een interieurbouwer. Als reden voor het aangaan van deze dienstbetrekking heeft de vrouw aangegeven dat zij minder opdrachten had in haar onderneming. Voorts wilde de vrouw in verband met de komende echtscheiding een dienstbetrekking zodat zij iedere maand gegarandeerd een salaris zal ontvangen en vaste werktijden heeft.

Volgens de man gaat het sinds 2011 slechter met de verzekeringsbranche waarin hij werkzaam is. Om die reden heeft zijn personeelslid, die voor de man een groot deel van de omzet genereerde, ontslag genomen. Ook de andere ZZP-ers, voor wie de man bemiddelde, hebben hun contract met de man opgezegd. De man werkt thans zelf als ZZP-er. De man stelt voorts dat hij in verband met de slechte economische situatie kostenbesparende maatregelen heeft moeten nemen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man aangegeven per januari 2015 waarschijnlijk geen opdrachten meer te hebben.

2.6.5.3. Alhoewel partijen beiden in dezelfde verzekeringsbranche werkzaam waren en beiden aangeven dat het in deze branche moeilijk is om opdrachten te vergaren, kunnen zij geen begrip opbrengen voor de keuzes die de andere partij heeft gemaakt om met deze slechtere economische situatie om te gaan. De man stelt dat er voor de vrouw legio opdrachten zijn en dat zij vrijwillig een lager salaris heeft geaccepteerd. Naar mening van de vrouw dient aan de zijde van de man met de (hogere) winst die de man in 2013 genereerde uit te worden gegaan.

2.6.5.4. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat het slechter is gegaan in de verzekeringsbranche. Dit geldt te meer omdat partijen, onafhankelijk van elkaar, beiden stellen dat het moeilijker is om opdrachten te vergaren in de verzekeringsbranche waarin zij beiden werkzaam zijn (geweest). Dit heeft tot gevolg dat voor het bepalen van de draagkracht van partijen niet, zoals partijen dat ten aanzien van de ander verzoeken, zal worden uitgegaan van het inkomen dat zij in het verleden hebben gegenereerd. Op basis van voormeld uitgangspunt zal de rechtbank in het navolgende eerst ingaan op de draagkracht van de vrouw en vervolgens op de draagkracht van de man.

2.6.6.

Draagkracht vrouw

2.6.6.1. Uit de door de vrouw overgelegde jaarstukken blijkt dat zij in 2010 een winst uit onderneming heeft behaald van € 45.526,-, in 2011 van € 63.591,- in 2012 van € 52.946,- en in 2013 van € 26.279,-. De vrouw heeft thans een dienstbetrekking en ontvangt daarmee een inkomen van € 21.289,- bruto per jaar. Het inkomen van de vrouw is derhalve lager geworden.

Uit hetgeen de vrouw naar voren heeft gebracht, begrijpt de rechtbank dat zij onder meer heeft gekozen voor een vaste dienstbetrekking om de zorg voor de minderjarigen op zich te kunnen nemen. De rechtbank begrijpt deze keuze van de vrouw omdat zij met een vaste dienstbetrekking meer stabiliteit aan de minderjarigen kan bieden dan als ZZP-er met wisselende werktijden. Daar komt voorts de situatie bij dat het lastiger is om in de verzekeringsbranche opdrachten te vergaren. Dat de man ook de zorg voor de minderjarigen op zich wil nemen doet aan het voorgaande niet af omdat partijen niet langer meer samenleven in één gezin waarbinnen wisselende werktijden makkelijker voor de andere ouder kunnen worden opgevangen.

2.6.6.2. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw berekenen op basis van het inkomen uit dienstverband dat zij sinds 1 april 2014 heeft.

Blijkens de salarisspecificatie van de maand februari 2014 heeft de vrouw een inkomen van € 1.642,67 bruto per maand. Dit komt neer op een inkomen, inclusief vakantietoeslag, van

€ 21.289,- bruto per jaar. Dit correspondeert met een netto besteedbaar inkomen in 2014 van € 1.610,- per maand. De rechtbank heeft daarbij wel rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting maar niet met de alleenstaande heffingskorting. Op basis van voornoemd netto besteedbaar inkomen heeft de vrouw een beschikbare draagkracht om aan de kosten van de minderjarigen een bijdrage te betalen van 70 % [1.610 -/- (0,3 X 1.610 + 860)] is € 187,- per maand.

2.6.7.

Draagkracht man

2.6.7.1. Blijkens de jaaropgaaf 2013 had de man in dat jaar een inkomen van

€ 77.356,- bruto per jaar. Daarin is opgenomen de fiscale bijtelling voor het privégebruik van een zakelijke auto. Blijkens de salarisspecificatie van de maanden november 2012 en juli 2013 bedroeg deze fiscale bijtelling € 1.402,08 per maand. Volgens de man heeft hij tot september 2013 de voormelde bijtelling gehad en heeft hij in deze maand de auto van de onderneming gekocht. Dit houdt in dat het inkomen zoals dat blijkt uit de jaaropgaaf dient te worden gecorrigeerd met een bijtelling over 8 maanden, derhalve met een bedrag van

€ 11.217,-. Aldus resteert een inkomen van € 66.139,- bruto per jaar.

2.6.7.2. De man stelt dat zijn huidige jaarinkomen € 56.887,- bruto bedraagt. Dit is op basis van een salaris van € 4.075,05 bruto per maand, inclusief 8 % vakantietoeslag en 8,33 % 13e maand. De man heeft gesteld dat hij in 2013 zijn salaris noodgedwongen van

€ 5.017,31 bruto per maand heeft moeten verlagen naar € 4.075,05 bruto per maand. Hij heeft daarbij verwezen naar het negatieve resultaat in 2013 in [BV] van € 22.327,-.

2.6.7.3. Uit de door de man van [BV] overgelegde jaarstukken blijkt dat hij in 2010 een winst heeft behaald van € 13.549,-, in 2011 van € 50.434,-, in 2012 van € 28.623,- en in 2013 een verlies heeft geleden van € 22.327,-. Uit de grootboekkaarten die de man over 2014 heeft overgelegd blijkt dat hij van 1 januari 2014 tot en met 30 september 2014 een verlies heeft geleden van € 6.213,-. In Insurance People B.V. heeft de man in 2014 tot en met 30 september 2014 een winst behaald van € 11.660,94. In Verzekeringsadvies B.V. heeft de man tot slot een winst behaald tot 30 september 2014 van € 472,47. In de grootboekkaart van 2014 van [BV] zijn de deelnemingen van Insurance People B.V. en Verzekeringsadvies B.V. niet opgenomen, zodat de rechtbank het er thans voor houdt dat de man in 2014 tot en met het derde kwartaal een winst heeft behaald van (- € 6.213,- + € 11.660,94 + € 472,47 =) € 5.920,41.

2.6.7.4. Uit de overgelegde stukken blijkt dat in de onderneming van de man sinds 2011 wisselende resultaten zijn behaald. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden waardoor deze wisselende resultaten zijn veroorzaakt. Wel duidelijk is dat in het jaar 2013 zich een grote wijziging heeft voorgedaan doordat het personeelslid van de man ontslag heeft genomen. Ook de andere ZZP-ers die aan het bedrijf van de man verbonden waren, werken met ingang van, in ieder geval, 2014 niet meer via de man, wat direct gevolgen heeft gehad voor de omzet die de man tot het derde kwartaal van 2014 heeft behaald. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat de man zich genoodzaakt heeft gezien om zijn salaris te verlagen en ziet de rechtbank geen aanleiding om in te gaan op de diverse kanttekeningen die de vrouw heeft gemaakt op de jaarstukken van de man. Op basis van voornoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding bij het bepalen van de draagkracht van de man uit te gaan van zijn huidige inkomen van € 56.887,- bruto per jaar.

2.6.7.5. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw gesteld – in het kader van de door haar verzochte partnerbijdrage, waarover in het navolgende meer – dat de man inkomsten heeft uit verhuur van een huisje op zijn erf. De man heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij in het verleden huurinkomsten heeft gehad. Inmiddels wordt het huisje – de man stelt dat het een aanbouw betreft – op zijn erf bewoond door een vriend van de man, tevens elektricien, die de man helpt bij het verbouwen van zijn woning. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man en het feit dat de vrouw deze stelling eerst pas tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, houdt de rechtbank geen rekening met huurinkomsten aan de zijde van de man.

2.6.7.6. Uitgaande van het inkomen van de man in 2014 en voorts rekening houdend met de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 3.075,- per maand. Met een dergelijk netto besteedbaar inkomen heeft de man een beschikbare draagkracht om een kinderbijdrage te betalen van 70 % [3.075 -/- (0,3 X 3.075 + 860)] is € 905,- per maand.

2.6.8.

Te betalen bijdrage

2.6.8.1. De behoefte van de minderjarigen bedraagt in 2014 in totaal € 1.386,- per maand. Partijen hebben overeenstemming dat de zorgkorting 25 % bedraagt. De zorgkorting is derhalve in 2014 te stellen op € 346,50 per maand. De vrouw heeft een beschikbare draagkracht van € 187,- per maand en de man heeft een beschikbare draagkracht van € 905,- per maand. De totale draagkracht van partijen bedraagt € 1.092,- per maand. Partijen zijn derhalve niet in staat volledig in de behoefte van de minderjarigen te voorzien. De gezamenlijke draagkracht van partijen is € 294,- minder dan de behoefte van de minderjarigen. Het tekort aan draagkracht dient gelijkelijk te worden verdeeld over partijen zodat partijen beiden (€ 294,-: 2 =) € 147,- dienen te dragen. Dit houdt in dat de man van de zorgkorting slechts (€ 346,50 -/- € 147 =) € 199,50 van zijn te betalen bijdrage kan aftrekken. Vorenstaande komt erop neer dat de man aan de vrouw een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen dient te betalen van (€ 905,- -/- € 199,50 =) € 705,50 per maand, derhalve

€ 235,- per kind per maand.

2.6.8.2. In 2015 verandert de financiële situatie van partijen omdat de vrouw van

1 januari 2015 tot en met 25 april 2015 aanspraak maakt op een kindgebonden budget van

€ 440,- per maand. De behoefte van de minderjarigen bedraagt van 1 januari 2015 tot en met 25 april 2015 gezamenlijk € 958,- per maand. De zorgkorting is in 2015 te stellen op 25 % van € 958,- is € 240,- per maand. De totale draagkracht van partijen blijft € 1.092,- per maand. In 2015 zijn partijen, met de voormelde kindgebonden budget, wel in staat om volledig in de kosten van de minderjarigen te voorzien.

2.6.8.3. Partijen dienen naar rato van hun draagkracht bij te dragen in de behoefte van de minderjarigen. De verdeling van de kosten van de minderjarigen over partijen dient berekend te worden volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

Op basis van de bovenstaande gegevens dient de man een bijdrage in de kosten van de minderjarigen te betalen van € 794,- (€ 905,- gedeeld door € 1.092,- x € 958,-) per maand en de vrouw een bijdrage van € 163,- (€ 187,- gedeeld door € 1.092,- x € 958,-) per maand.

Aangezien partijen volledig in de behoefte van de minderjarigen kunnen voorzien, dient van de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage de zorgkorting te worden afgetrokken. Derhalve dient de man met ingang van 1 januari 2015 aan de vrouw een kinderbijdrage te betalen van (€ 793,- -/- € 240,-) = € 554,- per maand en derhalve van € 185,- per kind per maand.

2.6.8.4. Vanaf 25 april 2015 bedraagt de totale behoefte, in verband met het gewijzigde kindgebonden budget, € 939,- per maand. De zorgkorting bedraagt € 235,- per maand. De man dient in deze situatie een bijdrage ten behoeve van de minderjarigen te betalen van € 778,- per maand en de vrouw van € 161,- per maand. Na aftrek van de zorgkorting is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage met ingang van 25 april 2015 te stellen op € 181,- per kind per maand.

2.6.8.5. Nu de man heeft in zijn zelfstandige verzoek heeft verzocht te bepalen dat hij een kinderbijdrage aan de vrouw zal betalen van € 194,- per kind per maand, zal de rechtbank deze bijdrage in het navolgende dan ook vaststellen vanaf 1 januari 2015.

2.7.

Bijdrage kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partnerbijdrage)

2.7.1.

De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen partnerbijdrage van € 1.000,- per maand vast te stellen. De man heeft verweer gevoerd tegen dit verzoek van de vrouw. De man heeft gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een partnerbijdrage en voorts dat hij onvoldoende draagkracht heeft om partnerbijdrage aan de vrouw te betalen.

De rechtbank gaat in het navolgende eerst in op de behoefte van de vrouw.

2.7.2.

Behoefte vrouw

2.7.2.1. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw er bewust voor heeft gekozen om een dienstverband aan te gaan waarmee zij een lager inkomen ontvangt dan het inkomen dat zij met haar onderneming genereerde. Deze keuze van de vrouw kan, naar mening van de man, er niet toe leiden dat de man thans aan de vrouw een partnerbijdrage dient te betalen.

2.7.2.2. In de overwegingen ten aanzien van de kinderbijdrage is de rechtbank reeds uitgebreid ingegaan op het inkomen van partijen. De rechtbank is van oordeel dat deze overwegingen onverkort van toepassing zijn bij het vaststellen van een eventuele onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw. De rechtbank ziet dan ook aanleiding bij het bepalen van de behoefte van de vrouw uit te gaan van het inkomen dat zij thans ontvangt.

2.7.2.3. De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij op basis van de zogenaamde hofmethode een behoefte heeft van € 4.170,- netto per maand. De vrouw heeft gesteld dat haar aanvullende behoefte, op basis van een netto besteedbaar inkomen van € 1.730,- per maand, € 2.440,- netto per maand bedraagt. De man heeft de hoogte van deze behoefte niet betwist zodat de rechtbank daarvan in het navolgende zal uitgaan.

2.7.3.

Draagkracht man

2.7.3.1. Bij het bepalen van de draagkracht van de man volgt de rechtbank de draagkrachtberekening zoals de man deze als productie 10 heeft overgelegd, voor zover daarvan in het navolgende niet wordt afgeweken.

In tegenstelling tot de man past de rechtbank de tarieven 2014-II toe voor het bepalen van de draagkracht van de man.

De vrouw heeft gesteld dat het eigenwoningforfait van de man € 1.380,- per jaar bedraagt. De rechtbank zal eveneens van dit bedrag uitgaan.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat in de draagkrachtberekening van de man ten onrechte met de rente en kosten van de hypotheek van de woning waar de vrouw thans in woont rekening is gehouden. Partijen hebben verklaard dat zij beiden om en nabij € 900,- bruto per maand betalen aan hypotheekrente. Om die reden houdt de rechtbank rekening met een hypotheekrente van € 10.800,- bruto per jaar.

De man heeft rekening gehouden met een arbeidsongeschiktheidsverzekeringpremie van

€ 3.000,- per jaar. Blijkens de door de man overgelegde polis bedraagt deze premie € 716,88 per kwartaal. Bij het berekenen van de draagkracht van de man houdt de rechtbank dan ook rekening met een premie van € 2.868,- per jaar.

2.7.3.2. Op grond van bovenstaande overwegingen heeft de man in het jaar 2014 een besteedbaar inkomen van € 3.528,- per maand en een draagkrachtloos inkomen van € 2.036,- per maand. De draagkrachtruimte bedraagt € 1.492,- per maand, waarvan 60% beschikbaar is voor betaling van een partnerbijdrage, derhalve een bedrag van € 895,- per maand. Van deze bijdrage dient de door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage en zijn zorgkorting voor het jaar 2014 van € 905,- per maand te worden afgetrokken. Zodoende resteert aan de zijde van de man geen draagkracht meer om een partnerbijdrage aan de vrouw te betalen.

2.7.3.3. Vanaf 2015 bedraagt de kinderbijdrage van de man in totaal (€ 582,- bijdrage aan de vrouw + € 235, - zorgkorting = ) € 817,- per maand. Gelet op het geringe verschil in zorgkorting acht de rechtbank het redelijk bij het bepalen van de draagkracht van de man voor een partnerbijdrage voor het jaar 2015 rekening te houden met de zorgkorting van de man vanaf 25 april 2015. Vanaf 2015 heeft de man derhalve een beschikbare draagkrachtruimte van € 87,- netto en derhalve € 134,- bruto per maand. Een partnerbijdrage van de man aan de vrouw van € 134,- bruto per maand acht de rechtbank in overeenstemming met de wettelijke maatstaven zodat de rechtbank deze in het navolgende zal vaststellen. De rechtbank gaat er daarbij vanuit, op basis van de gemaakte proefberekeningen, dat de vrouw met een dergelijke partnerbijdrage in 2015 nog steeds aanspraak maakt op het kindgebonden budget zoals dat in het voorgaande is opgenomen.

2.7.4.

Limitering

2.7.4.1. De man heeft verzocht te bepalen dat aan zijn onderhoudverplichting een termijn wordt verbonden van één jaar te stellen en de bijdrage na afloop van deze termijn te stellen op nihil omdat de vrouw alsdan in staat kan zijn om op passende wijze in haar eigen levensonderhoud te voorzien.

De vrouw heeft deze stelling van de man betwist.

2.7.4.2. Op grond van artikel 157 lid 3 van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan rechter op verzoek van één van de echtgenoten de uitkering toekennen onder het vaststellen van een termijn. De Hoge Raad heeft aan rechterlijke uitspraken die praktisch een einde maken aan het recht op levensonderhoud van de vrouw strenge eisen gesteld terzake van de stelplicht van de onderhoudsplichtige en aan de motivering van de rechter. Met de enkele stelling van de man dat van de vrouw kan worden verwacht dat zij na één jaar in staat zal zijn volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien, heeft de man, naar het oordeel van de rechtbank en gelet op hetgeen in het vorenstaande reeds is overwogen, niet voldaan aan zijn stelplicht. Reeds om die reden wijst de rechtbank het verzoek van de man af.

2.7.

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden

2.7.1.

De man heeft in maart 2014 zijn verzoek met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden ingetrokken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw haar verzoek met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden eveneens ingetrokken. Deze verzoeken behoeven derhalve geen verdere behandeling.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [huwelijksplaats] op [huwelijksdatum];

3.2.

bepaalt dat de minderjarigen:

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], en

- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;

3.3.

bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- voornoemde minderjarigen zullen eenmaal per veertien dagen van vrijdagavond 19.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man zijn, alsmede op dinsdag na school tot woensdag 19.00 uur, met dien verstande dat de minderjarige [minderjarige] op woensdag uit school direct naar de vrouw gaat;

- de vakanties en feestdagen zullen in onderling overleg bij helfte tussen partijen worden verdeeld.

3.4.

bepaalt dat de man met ingang van heden:

- tot 1 januari 2015 € 235,- per maand per kind, en

- met ingang van 1 januari 2015 € 194,- per kind per maand,

dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen, voor zover het de nog niet verstreken termijnen betreft, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.5.

bepaalt dat de man € 134,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

3.6.

verklaart de beslissing, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Knoop-Gerritsen op

24 december 2014.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.