Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12920

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
25-11-2014
Datum publicatie
09-02-2015
Zaaknummer
596988/CV EXPL 13-3578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vertraging van een vlucht. Levert de staking van het eigen personeel een buitengewone omstandigheid op? Een verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof wordt afgewezen. De antwoorden op de recent door de rechtbank Amsterdam gestelde prejudiciële vragen zijn naar het oordeel van de kantonrechter reeds te vinden in de uitspraken van het Europese Hof. De kantonrechter ziet geen aanleiding om op haar eerdere beoordeling van een aangekondigde staking van het eigen personeel terug te komen. Een dergelijke staking valt naar het oordeel van de kantonrechter binnen de invloedssfeer van de bedrijfsvoering van de luchtvaartmaatschappij en kan daarom niet als buitengewoon worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 111
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 596988/CV EXPL 13-3578

datum uitspraak: 25 november 2014

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

  1. [A.],

  2. [B.],

beiden wonende te [woonplaats]

hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers

gemachtigden: mrs. F. Niemöller en I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.)

tegen

de buitenlandse vennootschap Public Limited Company (Verenigd Koninkrijk)

BRITISH AIRWAYS PLC.

kantoorhoudende te Amsterdam

gedaagde

hierna te noemen: British Airways

gemachtigden: mrs. M.J. Sturm en L. Stevens.

De procedure

De passagiers hebben British Airways op 16 mei 2012 gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam. British Airways heeft schriftelijk geantwoord en een incidentele vordering tot onbevoegdheid ingediend. De passagiers hebben schriftelijk geantwoord op de incidentele vordering. Bij vonnis van 8 oktober 2012 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam onder meer (in het incident) die rechtbank onbevoegd verklaard en (in de hoofdzaak) de zaak naar de rechtbank Haarlem, sector kanton, locatie Haarlem verwezen.
De passagiers hebben British Airways vervolgens opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter te Haarlem. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft British Airways schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna de passagiers nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. Vervolgens heeft British Airways verzocht haar gelegenheid te bieden voor pleidooi. Bij vonnis van

10 juni 2014 heeft de kantonrechter bepaald dat British Airways gelegenheid wordt geboden voor pleidooi. Op 27 augustus 2014 heeft dat pleidooi plaatsgevonden. De passagiers hebben op voorhand producties in het geding gebracht. Partijen hebben pleitnotities in het geding gebracht en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

  1. De passagiers hebben bij British Airways een vlucht van Hong Kong (China) naar Schiphol geboekt. Op 9 juni 2010 zouden de passagiers met vlucht BA 26 om 23.15 uur (lokale tijd) vanuit Hong Kong vliegen naar Londen (Groot-Brittannië), waar zij op 10 juni 2010 om 4.55 uur (lokale tijd) zouden aankomen. Vandaar zouden de passagiers op 10 juni 2010 om 7.05 uur (lokale tijd) met vlucht BA 428 van British Airways verder vliegen naar Schiphol, waar zij zouden arriveren op 10 juni 2010 om 9.20 uur (lokale tijd).

  2. De passagiers zijn op donderdag 10 juni 2010 om 4.33 uur in Londen aangekomen. Vlucht BA 428 is door British Airways geannuleerd. British Airways heeft de passagiers omgeboekt naar een andere vlucht. Op 10 juni 2010 om 10.26 uur (lokale tijd) zijn de passagiers vanuit Londen vertrokken met vlucht KL 1008 vertrokken en op 10 juni 2010 om 12.18 uur (lokale tijd) aangekomen op Schiphol. De vertraging bedroeg uiteindelijk twee uur en 58 minuten.

  3. Bij brief van 3 maart 2011 hebben de passagiers in verband met voornoemde annulering compensatie van British Airways gevorderd ten bedrage van in totaal € 1.200,00
    (€ 600,00 per passagier).

  4. British Airways heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

De vordering De passagiers vorderen - na vermindering van eis - dat British Airways bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2010;
- € 357,00 aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2010 en de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis.

De passagiers leggen aan de vordering ten grondslag de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en het Sturgeon‑arrest van het Europese Hof van Justitie (het Europese Hof) van 19 november 2009. De passagiers stellen dat British Airways vanwege de annulering van de vlucht gehouden van is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 300,00 per passagier. Nu de passagiers met een vertraging van minder dan vier uur op hun eindbestemming zijn aangekomen, dient de oorspronkelijk door hen gevorderde compensatie op grond van artikel 7 lid 2 sub 2 van de Verordening met 50% verlaagd te worden. Omdat British Airways geen compensatie heeft betaald, is zij ook de wettelijke rente daarover en de buitengerechtelijke kosten met rente verschuldigd.

Het verweer

British Airways concludeert tot afwijzing van de vordering. Zij beroept zich primair op buitengewone omstandigheden, die zij ondanks het nemen van alle redelijke maatregelen niet kon voorkomen. Vlucht BA 428 is geannuleerd als gevolg van een aangekondigde staking van het cabinepersoneel van British Airways. De kantonrechter van de rechtbank Haarlem heeft in een uitspraak van 22 december 2011 (LJN: BV0307) geoordeeld dat een aangekondigde staking van het eigen personeel van de luchtvaartmaatschappij geen buitengewone omstandigheid is, maar valt binnen de in vloedsfeer van de bedrijfsvoering van de luchtvaartmaatschappij. De overweging van de kantonrechter is in de visie van British Airways in strijd met de Verordening en is bovendien achterhaald door de uitspraak van het Duitse Bundesgerichtshof van 21 augustus 2012. In overweging 14 van de Verordening worden stakingen expliciet genoemd bij de omstandigheden waaronder een beroep op artikel 5 lid 3 van de Verordening kan worden gedaan. In deze overweging wordt geen onderscheid gemaakt tussen stakingen van het eigen personeel en stakingen van het personeel van anderen, zoals bijvoorbeeld de luchtverkeersleiding. De staking door het eigen personeel valt in de omgangstaal ook onder de gebruikelijke betekenis van het woord “staking”. Bij de gebruikelijke betekenis die aan het woord “staking” wordt gegeven, wordt ook geen onderscheid gemaakt tussen aangekondigde en niet aangekondigde stakingen.

De uitspraak van het Bundesgerichtshof dateert van na het bovenstaand genoemde vonnis

van de kantonrechter en daarin is juist geoordeeld dat een staking niet tot de normale bedrijfsuitoefening van de luchtvaartmaatschappij kan worden gerekend terwijl een dergelijke staking buiten de invloedssfeer van de luchtvaartmaatschappij ligt.

Het is algemeen bekend dat de Verordening in verschillende jurisdicties verschillend wordt uitgelegd. In het Verenigd Koninkrijk is door verschillende rechters bevestigd dat de onderhavige staking een beroep op buitengewone omstandigheden rechtvaardigde.

British Airways wijst voorts op annex 1, artikel 1 sub vii en artikel 2 sub ii bij het voorstel van de Europese Commissie van 13 maart 2013 voor de wijziging van Verordening 261/2004 (hierna: het Voorstel). Het Voorstel is een codificatie van de jurisprudentie van het Europese Hof. Het Voorstel bevat een definitie van het begrip ‘buitengewone omstandigheden’. Uit het Voorstel volgt dat een staking van het cabinepersoneel als een buitengewone omstandigheid onder de Verordening heeft te gelden.

Voor zover de kantonrechter evenwel meent dat hierover nog sprake is van onduidelijkheid, verzoekt British Airways in dit kader om prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof.

British Airways betoogt voorts alle redelijke maatregelen te hebben getroffen om de staking te voorkomen en de overlast voor de passagiers te voorkomen. Zo heeft zij om de staking te voorkomen onderhandeld met de vakbond, juridische procedures gevoerd en een arbiter ingeschakeld. Deze maatregelen hebben echter niet kunnen voorkomen dat op stakingsdagen en na afloop van de staking verschillende vluchten geannuleerd moesten worden. De staking is op 9 juni 2010 geëindigd. British Airways heeft ook op 10 juni 2010, de dag van de onderhavige vlucht, haar vluchten als gevolg van de staking nog moeten reorganiseren. Daarbij heeft zij met een groot aantal variabelen rekening moeten worden houden, zoals de aanwezigheid van cabinepersoneel, piloten etc. Die dag is 82% van de vluchten uitgevoerd. De gevolgen van annulering van een vlucht van Londen naar Amsterdam als de onderhavige zijn relatief beperkt.

In haar subsidiaire verweer voert British Airways aan dat de afstand van de geannuleerde vlucht niet meer is dan 1.500 km, te weten de afstand van Londen naar Schiphol.
De compensatie bedraagt dan maximaal € 250,00.

British Airways betwist de buitengerechtelijke kosten en de rente te zijn verschuldigd en verzoekt de passagiers te veroordelen in de proceskosten, de nakosten en wettelijke rente.

De beoordeling

1. De kern van het geschil is of de staking van het eigen personeel van British Airways een buitengewone omstandigheid oplevert, waardoor British Airways niet is gehouden compensatie te betalen in verband met een door de staking vertraagde vlucht.

2. Het verzoek van British Airways om prejudiciële vragen aan het Europese Hof te stellen, omdat rechters in andere Europese landen anders oordelen over stakingen, verwerpt de kantonrechter. Hiertoe is het volgende redengevend.

3. De enkele omstandigheid dat een Duitse rechter ten aanzien van een beroep op buitengewone omstandigheden een afwijkende beslissing neemt van een eerder door de kantonrechter Haarlem genomen beslissing, maakt niet dat de beslissing van de kantonrechter onjuist zou zijn. Ook betekent dit niet dat de kantonrechter bij een nieuwe procedure prejudiciële vragen moet gaan stellen. Dit had meer op de weg van de Duitse rechter gelegen.

4. British Airways heeft haar betoog dat een rechter in het Verenigd Koninkrijk de onderhavige staking al heeft aangemerkt als een buitengewone omstandigheid geheel niet onderbouwd, zodat om deze reden alleen al haar verzoek om over het onderhavige geschil prejudiciële vragen te stellen niet wordt toegewezen.

5. Tijdens het pleidooi heeft British Airways nog aangevoerd dat de rechtbank Amsterdam recent een groot aantal prejudiciële vragen aan het Europese Hof heeft gesteld en dat de kantonrechter thans niet vast kan houden aan het eerdere vonnis zonder de beantwoording van de vragen af te wachten. De antwoorden op de door de Amsterdamse kantonrechter gestelde vragen zijn naar het oordeel van de kantonrechter reeds te vinden in de uitspraken van het Europese Hof, zodat niet valt in te zien waarom thans opnieuw prejudiciële vragen over dit onderwerp aan het Europese Hof moeten worden gesteld.

6. De kantonrechter ziet evenmin aanleiding om op haar eerdere beoordeling van een aangekondigde staking van het eigen personeel terug te komen. Een dergelijke staking valt naar het oordeel van de kantonrechter binnen de invloedssfeer van de bedrijfs-voering van de luchtvaartmaatschappij en kan daarom niet als buitengewoon worden beschouwd. Los hiervan blijkt dat British Airways daadwerkelijk invloed heeft kunnen uitoefenen op de staking, gelet op de door haar zelf getroffen maatregelen ter voorkoming van die staking.

7. Daarbij komt dat de geannuleerde vlucht had behoren te worden uitgevoerd op een tijdstip waarop de staking al was beëindigd. Anders dan British Airways is de kantonrechter van oordeel dat niet de staking, maar de omstandigheid dat British Airways haar organisatie de dag na de staking niet zodanig op orde had dat alle geplande vluchten op tijd zouden kunnen worden uitgevoerd, de aanleiding is geweest voor de annulering van de vlucht. In dit verband is van belang punt 15 van de considerans van de Verordening, waaruit blijkt dat ”buitengewone omstandigheden” enkel betrekking kunnen hebben op “een specifiek vliegtuig op een specifieke dag”, wat niet het geval is wanneer een passagier niet mag instappen wegens de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden. Ook de omstandigheid dat British Airways haar vluchten moest reorganiseren als gevolg van de staking ligt naar het oordeel van de kantonrechter binnen de invloedssfeer van British Airways. Het is immers British Airways die de beslissingen neemt over de inzet van haar personeel en vliegtuigen en alleen zij kan beslissingen nemen over het al dan niet inhuren van vliegtuigen van andere vliegtuigmaatschappijen.

8. Gelet op het bovenstaande faalt het beroep op buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

9. De kantonrechter zal het Voorstel niet bij de beoordeling betrekken, omdat het nog slechts een voorstel is en het geenszins zeker is dat de voorgestelde tekst ook de definitieve tekst zal zijn.

10. Uit het als productie 1 bij dagvaarding in het geding gebrachte document blijkt dat sprake was van één boeking en dat de passagiers beschikten over één (elektronisch) ticket. Daarmee is vast komen te staan dat de passagiers een boeking hadden voor een vlucht van Hong Kong naar Schiphol via Londen. Voorts is daarmee vast komen te staan dat het hierbij ging om twee rechtstreeks aansluitende vluchten; een vlucht van Hong Kong naar Londen en een daarop rechtsreeks aansluitende vlucht van Londen naar Amsterdam. Het Europese Hof heeft bij arrest van 26 februari 2013 in de zaak Air France / Folkerts (C‑11/11) geoordeeld dat (voor de toepassing van de in artikel 7 van de Verordening voorziene compensatie) in geval van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen, enkel de vertraging van belang is die is vastgesteld ten opzichte van de oorspronkelijk geplande aankomsttijd op de eind-bestemming, omdat het ongemak bij vertraagde vluchten zich voordoet op die eindbestemming. In het geval van een vlucht met rechtstreekse aansluitingen wordt onder eindbestemming verstaan de bestemming van de laatste vlucht die de betrokken passagier heeft genomen, aldus het Europese Hof. Dat is in de voorliggende zaak derhalve de luchthaven Schiphol. Vast staat dat de passagiers op 10 juni 2010 met een vertraging van minder dan drie uren hun eindbestemming Schiphol hebben bereikt, zodat de vordering tot veroordeling van British Airways tot betaling van de hoofdsom, gelet op de duur van de vertraging en de afstand van de vlucht, toewijsbaar is.

10. De wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de gevorderde forfaitaire schadevergoeding is toewijsbaar vanaf de datum van de vlucht. Een abstracte berekening van de schadevergoeding leidt immers tot opeisbaarheid op het ogenblik waarop het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan (MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 475).

10. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. British Airways heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Gebleken is dat de door (de gemachtigde van) de passagiers verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een (eventueel herhaalde) aanmaning, het doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Dat de gemachtigde van de passagiers op basis van no-cure-no-pay haar rechtshulp verleent, gaat British Airways niet aan. Het is immers aan de passagiers en hun gemachtigde om over de wijze waarop deze kosten worden voldaan afspraken te maken. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden toegewezen tot een bedrag overeenkomstig de staffel van het rapport Voorwerk II, te weten € 178,50. De gevorderde rente over de buitengerechte-lijke kosten is eveneens toewijsbaar, met dien verstande dat de wettelijke rente wordt toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding omdat niet is gesteld wanneer het verzuim van British Airways is ingetreden.

13. British Airways zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde rente over de toe te wijzen proceskosten is niet toewijsbaar met ingang van 14 dagen na vonnisdatum, omdat zij ten aanzien van deze kosten dan nog niet in verzuim is, zodat aan de eisen van art. 6:119 BW niet is voldaan. De gevorderde rente over de proceskosten zal evenwel worden toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt British Airways tot betaling aan de passagiers van € 778,50 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 600,00 vanaf 10 juni 2010, en over € 178,50 vanaf
16 mei 2012, tot aan de dag van voldoening van (de deelbetalingen van) deze bedragen;

- veroordeelt British Airways tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:

dagvaarding € 92,17

griffierecht € 213,00

salaris gemachtigde € 400,00,
vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. van Dijk en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.