Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12847

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
03-02-2015
Zaaknummer
C/14/142173 / ES RK 12-1513
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen zorgregeling, aangezien de man weigert om door middel van hulpverlening te werken aan verbetering van de onderlinge communicatie met de vrouw

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

RvD

zaak-/rekestnr.: C/14/142173 / ES RK 12-1513

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 12 november 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van:

[de man],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. E.S. Dirks, kantoorhoudende te Alkmaar, voorheen mr. J.M.A. Mooijman.

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. S.D. Bhagwandin, kantoorhoudende te Hoorn, voorheen mr. D. van der Pol.

1 Procedure en vaststaande feiten

1.1

De rechtbank verwijst voor het verloop van de procedure en de vaststaande feiten naar de beschikking van 5 februari 2014 van deze rechtbank. Bij deze beschikking is, voor zover thans van belang, bepaald dat, voorlopig totdat nader zal zijn beslist, de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en de minderjarigen als volgt zal zijn:

 iedere donderdag van 17.30 uur tot 19.30 uur;

 één maal per veertien dagen op zaterdag van 11.00 uur tot 20.00 uur, waarbij de man ervoor zal zorgdragen dat hij aanwezig is bij het beoefenen van hun sport (hockey) door de minderjarigen.

Iedere verdere beslissing is aangehouden tot 7 mei 2013 pro forma, in afwachting van berichten van partijen omtrent het resultaat van de mediation en de gewenste voortzetting van de procedure.

1.2

Bij berichten van 31 maart en 6 mei 2014 hebben partijen laten weten dat de mediation zonder resultaat is geëindigd. Verzocht wordt een nadere mondelinge behandeling in te plannen.

1.3

Bij brief van 4 september 2014 heeft mr. Bhagwandin - kort samengevat - bericht dat de vrouw het, gezien de ontwikkelingen, de leeftijd van de minderjarigen en de onmogelijkheid van de vrouw om de door de rechtbank vastgestelde voorlopige zorgregeling na te komen, het in het belang van de minderjarigen acht dat er een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) plaatsvindt.

1.4

Bij brief van 13 oktober 2014 heeft mr. Bhagwandin namens de vrouw een aanvullende productie 2 toegezonden, te weten de bevestiging van het schoolmaatschappelijk werk van 9 oktober 2014 ter zake van het gesprek van het schoolmaatschappelijk werk met de minderjarigen. De vrouw stelt zich op het standpunt dat het niet mogelijk is om tot een bestendige zorgregeling te komen. Vastgelegd zou kunnen worden dat de zorgregeling tot stand komt in overleg tussen partijen en de minderjarigen. Indien de rechtbank dit niet toereikend oordeelt geeft de vrouw, naast een onderzoek door de Raad, de rechtbank nog in overweging om ambtshalve een bijzonder curator op grond van artikel 250, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te benoemen.

1.5

De voortzetting van de behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 23 oktober 2014 in aanwezigheid van partijen, de man bijgestaan door mr. Dirks en de vrouw, bijgestaan door mr. Bhagwandin.

2 Beoordeling

2.1

Ter beoordeling liggen nog voor de verzoeken van partijen ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen, [minderjarige] en [minderjarige].

2.2

De man heeft ter zitting van 23 oktober 2014 verklaard dat hij de minderjarigen op dit moment niet ziet. Hij heeft slechts beperkt contact met hen via WhatsApp. De bij beschikking van 5 februari 2014 bepaalde voorlopige zorgregeling wordt niet uitgevoerd. Volgens de man leeft bij de minderjarigen de indruk dat zij zelf mogen kiezen wanneer zij naar hun vader gaan. Hij weet niet waarom de minderjarigen niet bij hem zouden willen zijn. De man heeft voorts verklaard dat hij niet wist van de gesprekken van de minderjarigen met het schoolmaatschappelijk werk. Omdat hij daarover niet was ingelicht, heeft hij zijn toestemming voor afgifte van de gespreksverslagen geweigerd. De man meent dat de minderjarigen geen hulp nodig hebben. Een onderzoek door de Raad acht hij evenmin aangewezen. Hij verzoekt een zorgregeling te bepalen waarbij de minderjarigen een weekend in de veertien dagen bij hem verblijven vanaf vrijdag 17.30 uur tot zondag na het eten, alsmede iedere week op donderdagavond.

2.3

De vrouw stelt dat de man ten onrechte lijkt te suggereren dat zij de minderjarigen bij de man weghoudt. De vrouw acht het in het belang van de minderjarigen dat zij gesprekken hebben met het schoolmaatschappelijk werk en dat achterhaald wordt waarom zij niet naar hun vader willen gaan. Volgens de vrouw spreekt [minderjarige] zo nu en dan met de man af.

2.4

De rechtbank overweegt als volgt. Vaststaat dat beide partijen een zorgregeling vastgelegd willen zien, maar dat de eerder vastgelegde voorlopige zorgregeling niet wordt nageleefd. Gebleken is dat partijen niet in staat zijn om met elkaar te communiceren. Ter zitting van 8 januari 2014 hebben partijen zich bereid verklaard om - ter verbetering van de onderlinge communicatie - deel te nemen aan een mediationtraject. Dit traject is evenwel nimmer van de grond gekomen, hetgeen niet in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. De rechtbank acht niet uitgesloten dat (het gebrek aan) de onderlinge communicatie tussen partijen een belangrijk obstakel vormt voor het doorgang vinden van de eerder overeengekomen zorgregeling. Partijen dienen hun verantwoordelijkheid als ouders te nemen en therapie te gaan volgen, waarbij zij leren om elkaar als ouders van de minderjarigen te respecteren en te communiceren op een wijze die niet belastend is voor de minderjarigen. Het is bekend dat de voortdurende strijd tussen hun ouders en het gebrek aan contact met hun vader de minderjarigen in de weg staan aan een evenwichtige ontwikkeling naar volwassenheid. In dit kader heeft de rechtbank partijen ter zitting van 23 oktober 2014 sterk in overweging gegeven om zich zo spoedig mogelijk via Bureau Jeugdzorg aan te melden voor het project “Kinderen uit de Knel” van Parlan. De vrouw heeft ter zitting uitdrukkelijk aangegeven nog steeds voor hulpverlening open te staan. Nu de man echter, ondanks aandringen van de rechtbank en van de vrouw, heeft verklaard dat hij, gelet op wat er tussen partijen is voorgevallen, niet bereid is om samen met de vrouw in therapie te gaan, zal er geen verandering in de huidige situatie gebracht kunnen worden. Daarmee vervalt het perspectief van de minderjarigen op een onbelast contact met beide ouders. Zolang de man hierin volhardt acht de rechtbank het niet opportuun om een onderzoek door de Raad te gelasten en evenmin in het belang van de minderjarigen om een zorgregeling vast te stellen, zodat zij de verzoeken van partijen afwijst. Daarbij wordt tevens acht geslagen op de leeftijd van de minderjarigen. [minderjarige] is inmiddels zestien jaar, zodat een vastomlijnde in een beschikking vastgelegde regeling niet voor de hand ligt. Partijen zullen in overleg met [minderjarige] moeten bezien wanneer zij contact met de man heeft. Aangezien de vrouw ter zitting heeft verklaard dat de dertienjarige [minderjarige] zo nu en dan met haar vader afspreekt, gaat de rechtbank ervan uit dat het contact tussen hen op deze manier zal worden voortgezet. De rechtbank ziet geen aanleiding om een bijzondere curator op grond van artikel 250, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek te benoemen, nu de belangen van de ouders in het onderhavige geval niet strijdig zijn met het belang van de minderjarigen.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

3 Beslissing

De rechtbank:

wijst de verzoeken van partijen om een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen vast te stellen af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Allegro, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. R.M. van Diepen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.