Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1277

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
15-04-2014
Zaaknummer
C/15/197150 / HA ZA 12-481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vordering ex artikel 2:343 BW: vordering tot uittreding tegen mede-aandeelhouder. Eiser en gedaagde zijn ieder 50% aandeelhouder van de vennootschap.

Voor een geslaagd beroep op artikel 2:343 BW is vereist dat de gedragingen van de mede-aandeelhouder de rechten of belangen van de aandeelhouder zodanig schaden, dat het voortduren van het aandeelhouderschap van de mede-aandeelhouder in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Het is niet noodzakelijk dat het gedragingen betreft in de hoedanigheid van aandeelhouder (kamerstukken 31058, MvT p. 108). Voorts is voor een geslaagd beroep op artikel 2:343 BW niet vereist dat sprake is van misdragingen van gedaagde of dat de belangen van de vennootschap zijn geschaad. De rechtbank concludeert dat de relatie tussen aandeelhouders ernstig is verstoord. Aandeelhouders moet zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De mede-aandeelhouder heeft niet de noodzakelijke informatie aan eiser verstrekt en blokkeerde jarenlang besluiten tot uitkering van dividend. Dit zijn gedragingen als bedoeld in artikel 2:343 BW. De rechtbank is van oordeel dat eiser door deze gedragingen van de mede-aandeelhouder zodanig in zijn rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van het aandeelhouderschap van eiser in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Vordering tot uittreding wordt toegewezen. Voorts heeft eiser voorwaardelijk gevorderd dat de vennootschap zelf wordt veroordeeld om de aandelen over te nemen. Hiervoor is niet noodzakelijk dat de schadelijke gedragingen aan de vennootschap zelf kunnen worden toegerekend; een veroordeling van de vennootschap kan ook worden gegrond op gedragingen van een aandeelhouder. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval de wettelijke uitzonderingen van art. 2:98 of 2:207 BW hieraan in de weg staan. De voorwaardelijk ingestelde vordering wordt voorwaardelijk toegewezen, in die zin dat de vennootschap gehouden zal zijn tot overname van de aandelen indien de mede-aandeelhouder niet binnen een maand na het in deze procedure te wijzen eindvonnis de desbetreffende aandelen heeft overgenomen tegen de door de rechtbank vast te stellen prijs. Deskundigenbenoeming ex artikel 2:339 BW om de waarde van de aandelen te bepalen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 343
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/193 met annotatie van prof. mr. C.D.J. Bulten
OR-Updates.nl 2014-0175
RO 2014/49
RN 2014/68
JONDR 2014/792
JOR 2014/193 met annotatie van prof. mr. C.D.J. Bulten

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/197150 / HA ZA 12-481

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat eerst mr. K.J. de Rooij, thans mr. S.D.W. Gratama

tegen

1 [gedaagde],

wonende te [plaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de beheer-BV] ,

gevestigd te [plaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. S.D. van de Kant.

Eiser zal hierna [eiser] genoemd worden. Gedaagden zullen [gedaagden] worden genoemd. Gedaagden afzonderlijk zullen hierna respectievelijk [de mede-aandeelhouder], [de beheer-BV] en [de vennootschap] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 1 mei 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 augustus 2013

  • -

    de brief van 11 september 2013 van mr. Van de Kant, waarin hij meldt dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt

  • -

    het B-formulier van 12 september 2013, waarin mr. De Rooij namens [eiser] verzoekt vonnis te wijzen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [de mede-aandeelhouder] zijn ieder voor 50% aandeelhouder van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [de beheer-BV]. [de beheer-BV] is 100% houder van de aandelen in het geplaatste kapitaal van [de vennootschap]. [de vennootschap] houdt zich bezig met de ontwikkeling van professionele administratieve software en het adviseren op het gebied van kantoorautomatisering. [de mede-aandeelhouder] is zelfstandig bevoegd directeur van [de beheer-BV] en van [de vennootschap].

2.2.

[de mede-aandeelhouder] en [eiser] hebben hun pensioenen en lonen ingebracht in [de beheer-BV]. [eiser] is op 30 juni 2008 teruggetreden als bestuurder van [de vennootschap] en is met pensioen gegaan. Tussen [eiser] en [de mede-aandeelhouder] is onenigheid ontstaan.

2.3.

Sinds 2008 zijn er meerdere pogingen gedaan om tot een aandelenoverdracht van de aandelen in [de beheer-BV] van [eiser] aan [de mede-aandeelhouder], dan wel van [de mede-aandeelhouder] aan [eiser] te komen. Tot op heden heeft er geen aandelenoverdracht plaatsgevonden.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [de mede-aandeelhouder] ex artikel 2:343 BW te veroordelen om [eisers] aandelen in [de beheer-BV] voor een door de rechtbank ex art. 2:339 lid 1 jo. 2:340 lid 1 BW te bepalen prijs over te nemen;

2. [de mede-aandeelhouder] ex artikel 2:343 lid 4 BW te veroordelen tot betaling van een totaal bedrag van

€ 173.824,55 uit hoofde van gederfde wettelijke rente ten gevolge van het niet ontvangen dividend en gemaakte advocaat- en financiële advieskosten;

3. [de mede-aandeelhouder] te veroordelen in de kosten van deze procedure, de nakosten daaronder begrepen;

4. [de beheer-BV] en [de vennootschap] hoofdelijk naast [de mede-aandeelhouder] ex art. 2:343 BW te veroordelen om [eisers] aandelen in [de beheer-BV] voor een door de rechtbank ex art. 2:339 lid 1 jo 2: 340 lid 1 BW te bepalen prijs overneemt, zulks voorwaardelijk, te weten in het geval en voor zover [de mede-aandeelhouder] niet binnen een termijn van twee weken na het in deze zaak te wijzen vonnis in staat is gebleken aan het onder 1 tot en met 3 gevorderde te voldoen.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

[eiser] legt aan zijn vordering tot uittreding ten grondslag dat hij door de gedragingen van [de mede-aandeelhouder] zodanig in zijn belangen is geschaad dat het voortduren van zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Deze gedragingen van [de mede-aandeelhouder] houden onder meer het volgende in:

a. a) [de mede-aandeelhouder] handelt in strijd met de statuten van [de beheer-BV] en de tussen [eiser] en [de mede-aandeelhouder] gesloten managementovereenkomst van 1 maart 2004, door onrechtmatig gelden aan [de beheer-BV] te onttrekken, doordat hij de statutaire aanbiedingsregeling van [de beheer-BV] weigert uit te voeren en doordat hij weigert om de waarde van de aandelen van [de beheer-BV] overeenkomstig de statuten te laten vaststellen;

b) [de mede-aandeelhouder] weigert dividend uit [de beheer-BV] uit te keren, zonder hiervoor enige onderbouwing te geven;

c) [de mede-aandeelhouder] weigert informatie over [de beheer-BV] en [de vennootschap] aan [eiser] te verstrekken;

d) [de mede-aandeelhouder] concurreert direct dan wel indirect met [de beheer-BV] en [de vennootschap], althans hij overweegt te concurreren dan wel heeft geconcurreerd met [de beheer-BV] en [de vennootschap];

e) [de mede-aandeelhouder] heeft niet correcte en niet goedgekeurde jaarcijfers van [de beheer-BV] over de boekjaren 2007, 2009 en 2010 gedeponeerd;

f) [de mede-aandeelhouder] heeft de adviseurs van [de beheer-BV] onjuiste notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van [de beheer-BV] en [de vennootschap] laten opstellen en aan [eiser] verstrekken;

g) [de mede-aandeelhouder] heeft in strijd met de tijdens de algemene vergadering van aandeelhouders van [de beheer-BV] en [de vennootschap] gemaakte afspraken gehandeld;

h) [de mede-aandeelhouder] heeft zonder aandeelhoudersbesluit dan wel dechargebesluit [eiser] als bestuurder van [de beheer-BV] uit het handelsregister uitgeschreven.

Gelet op het voorgaande handelt [de mede-aandeelhouder] in strijd met artikel 2:8 BW en zijn de belangen van [de beheer-BV], [de vennootschap] en [eiser] onevenredig geschaad. [eiser] stelt dat [de mede-aandeelhouder] willens en wetens de belangen van [eiser] frustreert en niet bereid is om op enige wijze een einde te maken aan de huidige impasse tussen de aandeelhouders.

[eiser] heeft getracht om op redelijke gronden en overeenkomstig de statuten van [de beheer-BV] zijn aandelen in [de beheer-BV] aan [de mede-aandeelhouder] te verkopen, maar [de mede-aandeelhouder] weigert om recente financiële gegevens te verstrekken; hierdoor kunnen de adviseurs van [eiser] en [de mede-aandeelhouder] de waarde van de aandelen [de beheer-BV] niet vaststellen. Daarom dient een deskundige de prijs van de aandelen vast te stellen, aldus [eiser].

4.2.

[de mede-aandeelhouder] betwist de stellingen van [eiser]. [de mede-aandeelhouder] erkent dat er diverse pogingen zijn gedaan om met [eiser] tot een finale regeling te komen. Deze pogingen hebben niet tot overeenstemming geleid omdat [eiser] zich niet redelijk en coöperatief heeft opgesteld. [de mede-aandeelhouder] erkent dat de verhoudingen tussen partijen zijn verstoord, maar ten aanzien van de verwijten die [eiser] heeft geuit, ontbreekt volgens [de mede-aandeelhouder] iedere deugdelijke onderbouwing. [eiser] moet aantonen dat [de mede-aandeelhouder] door zijn gedragingen als aandeelhouder het functioneren van de vennootschap in gevaar heeft gebracht. Hieraan heeft [eiser] niet voldaan. Er is geen sprake van wangedrag als aandeelhouder en voorts is er geen impasse of continuïteitsrisico binnen de vennootschap. De verwijten die [eiser] [de mede-aandeelhouder] maakt zien op zijn handelen als bestuurder, niet als aandeelhouder. Reeds hierom zijn de vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar. Voorts gaat het financieel goed met [de beheer-BV]. De waarde van de aandelen is sinds 2008 ieder jaar toegenomen. Ook op grond hiervan kan dus niet worden gesteld dat [de mede-aandeelhouder] de belangen van de vennootschap schaadt. De vorderingen moeten daarom worden afgewezen, aldus [de mede-aandeelhouder].

4.3.

Voor een geslaagd beroep op artikel 2:343 BW is vereist dat de gedragingen van [de mede-aandeelhouder] de rechten of belangen van de aandeelhouder zodanig schaden, dat het voortduren van het aandeelhouderschap van [eiser] in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Voorop wordt gesteld dat – anders dan [de mede-aandeelhouder] aanvoert – niet noodzakelijk is dat het gedragingen betreft in de hoedanigheid van aandeelhouder (kamerstukken 31058, MvT p. 108). Hetgeen [de mede-aandeelhouder] hierover naar voren heeft gebracht – de kern van zijn verweer – wordt dan ook gepasseerd. Voorts is voor een geslaagd beroep op artikel 2:343 BW niet vereist dat sprake is van misdragingen van [de mede-aandeelhouder] of dat de belangen van de vennootschap zijn geschaad.

4.4.

De rechtbank constateert dat [eiser] en [de mede-aandeelhouder] sinds het uittreden van [eiser] als bestuurder in 2008 een aantal keren hun 50% belang aan elkaar hebben aangeboden en dat deze onderhandelingen steeds zijn vastgelopen. De laatste poging was eind 2011, toen [de mede-aandeelhouder] per brief van 23 december 2011 zijn aandelen in [de beheer-BV] heeft aangeboden aan [eiser]. [eiser] heeft [de mede-aandeelhouder] per brief van 28 december 2011 (productie E37) om nadere informatie verzocht. Dit betrof de berekeningen en uitgangspunten bij de bepaling van de door [de mede-aandeelhouder] genoemde koopsom, waaronder de goodwill, de resultatenontwikkeling in 2011 en de voorlopige balans per 31 december 2011, de stand van de pensioenvoorziening per 31 december 2011, de status quo van de OEC procedure en of door [de beheer-BV] of [de vennootschap] meerjarenovereenkomsten zijn gesloten die een belang van € 30.000,-- te boven gaan. [de mede-aandeelhouder] heeft deze informatie niet aan [eiser] verstrekt. In de notulen van 30 mei 2013 (productie E99) heeft [de mede-aandeelhouder] toegezegd om informatie aan [eiser] te verstrekken (onder meer het vonnis van de procedure tegen OEC, salarisbetalingen aan [de mede-aandeelhouder] in 2011 en 2012 etc.), maar ook deze informatie heeft [eiser] nooit ontvangen. [de mede-aandeelhouder] heeft hiertegen slechts aangevoerd dat hij [eiser] tenminste die informatie heeft gegeven waar [eiser] recht op heeft. Volgens [de mede-aandeelhouder] had [eiser] na zijn aftreden als bestuurder als aandeelhouder geen recht meer op de informatie die [de beheer-BV] gehouden was hem te verstrekken toen hij nog statutair directeur was van [de beheer-BV]. [de mede-aandeelhouder] heeft voorts aangevoerd dat hij de verzoeken van [eiser] die betrekking hadden op de jaarrekening altijd heeft doorgestuurd naar zijn accountant. [de mede-aandeelhouder] heeft echter niet betwist dat de accountant [eiser] ook geen informatie heeft verstrekt, terwijl de door [eiser] gevraagde informatie met betrekking tot de werkmaatschappij [de vennootschap] van essentieel belang is om de waarde van de aandelen van [de beheer-BV] te kunnen bepalen. [de mede-aandeelhouder] is verantwoordelijk voor de informatieverstrekking, niet de accountant. Uit het bovenstaande volgt dat met name de afgelopen twee jaar sprake is van een patroon van het niet verstrekken van relevante informatie aan [eiser] door [de mede-aandeelhouder].

4.5.

Voorts heeft [eiser] aangevoerd dat [de mede-aandeelhouder] sinds het uittreden van [eiser] als bestuurder, weigert om dividend uit [de beheer-BV] uit te keren. De voormalig accountant van [de beheer-BV] heeft tijdens de aandeelhoudersvergadering van 2 april 2009 reeds geadviseerd om aan beide aandeelhouders een dividend uit te keren van € 100.000,--. [de mede-aandeelhouder] heeft nooit op dit voorstel gereageerd. Op de aandeelhoudersvergadering van 8 juli 2009 heeft de accountant nogmaals voorgesteld om dividend uit te keren. [de mede-aandeelhouder] heeft wederom niet op het voorstel gereageerd. Op de vergadering van 29 juni 2010 heeft [eiser] voorgesteld om een interim-dividend van € 500.000,-- aan de aandeelhouders uit te keren. [de mede-aandeelhouder] ging hier niet mee akkoord. Vervolgens heeft [de mede-aandeelhouder] tijdens de aandeelhoudersvergadering van 28 april 2011 voorgesteld om een dividend van € 100.000,-- uit te keren. Met dit dividend diende de schuld van de beide persoonlijke vennootschappen van partijen te worden afgelost. [eiser] heeft tegen dit voorstel gestemd en heeft vervolgens voorgesteld om een dividend van € 400.000,-- uit te keren. [de mede-aandeelhouder] heeft tegen dit voorstel gestemd. [eiser] heeft tijdens de aandeelhoudersvergadering van 9 mei 2012 onder protest tegen de hoogte van het bedrag ingestemd met een dividenduitkering van € 200.000,--. Vervolgens weigerde [de mede-aandeelhouder] het dividend uit te keren omdat de jaarrekening over 2011 nog niet was goedgekeurd. Uiteindelijk is op de aandeelhoudersvergadering van 30 mei 2013, hangende deze procedure, besloten om € 450.000,-- aan dividend uit te keren, maar dit komt slechts omdat op grond van de omzetprognose, de lijst van de verwachte investeringen en de constatering dat geen aanvullende voorzieningen dienden worden getroffen, [de mede-aandeelhouder] een dividenduitkering redelijkerwijs niet langer kon tegenhouden. Indien [eiser] aandeelhouder blijft, zal [de mede-aandeelhouder] naar alle waarschijnlijkheid de dividenduitkeringen opnieuw onmogelijk maken, aldus [eiser].

4.6.

[de mede-aandeelhouder] heeft hiertegen aangevoerd dat hij als bestuurder geen dividend uit kan keren als hier geen rechtsgeldig aandeelhoudersbesluit aan ten grondslag ligt. [de mede-aandeelhouder] stelt dat hij op de aandeelhoudersvergaderingen van 28 april 2011 en 9 mei 2012 een voorstel heeft gedaan tot dividenduitkeringen, maar dat deze dividenduitkeringen zijn geblokkeerd door [eiser]. Vervolgens is op voorstel van [de mede-aandeelhouder] tijdens de aandeelhoudersvergadering van 30 mei 2013 een besluit tot dividenduitkeringen over de jaren 2011 en 2012, zijnde een totaalbedrag van€ 450.000,--, aangenomen en uitgevoerd. Volgens [de mede-aandeelhouder] zijn de dividenduitkeringen daarom in het geheel niet geblokkeerd.

4.7.

De rechtbank is van oordeel, gelet op hetgeen [eiser] heeft gesteld en [de mede-aandeelhouder] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, dat voldoende is komen vast te staan dat de resultaten van [de beheer-BV] over de afgelopen jaren aanleiding gaven om dividend uit te keren en dat [de mede-aandeelhouder] dit lange tijd heeft geblokkeerd. [de mede-aandeelhouder] had [eiser] tijdens de aandeelhoudersvergadering in de gelegenheid moeten stellen om aan de hand van actuele financiële informatie te bezien of, en zo ja hoeveel, dividend kon worden uitgekeerd. Uit de stukken van het dossier blijkt dat [de mede-aandeelhouder] de weigering om dividend uit te keren niet heeft onderbouwd met achterliggende financiële informatie en dat hij uitdrukkelijke verzoeken om informatie namens [eiser], bijvoorbeeld het opstellen van een liquiditeitsbegroting, heeft afgewezen. Gelet op de periode van ruim 3 jaar waarin de winsten - volledig - zijn gereserveerd, had [eiser] beter moeten worden geïnformeerd, omdat hij dan in staat zou zijn geweest zelf de redelijkheid van het dividendbeleid te beoordelen.

4.8.

Aandeelhouders moet zich jegens elkaar gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat relatie tussen [eiser] en [de mede-aandeelhouder] ernstig is verstoord. Het niet verstrekken van de noodzakelijke informatie door [de mede-aandeelhouder] en de gedraging van [de mede-aandeelhouder] om sinds het uittreden van [eiser] als bestuurder, alle besluiten tot uitkering van dividend tot de aanvang van dit geding te blokkeren, zijn gedragingen zoals bedoeld in artikel 2:343 BW. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] door deze gedragingen van [de mede-aandeelhouder] zodanig in zijn rechten en belangen is geschaad, dat het voortduren van het aandeelhouderschap van [eiser] in redelijkheid niet meer van hem kan worden gevergd. Hetgeen [eiser] hierover nog meer heeft aangevoerd, hoeft daarom geen bespreking meer. Het onder 3.1 sub 1 gevorderde zal worden toegewezen. De rechtbank zal hiertoe ex artikel 2:339 lid 1 BW een deskundigenbericht gelasten.

4.9.

Partijen hebben ter comparitie aangegeven dat – indien een deskundige zal worden benoemd – het benoemen van één deskundige volstaat en dat dit een registervaluator moet zijn. Nu [de mede-aandeelhouder] onvoldoende heeft betwist dat de Discounted Cash Flow (DCF) methode de meest geëigende methode is om de waarde van de aandelen te bepalen, zal de rechtbank bepalen dat de te benoemen deskundige deze methode als waarderingsmaatstaf zal dienen te hanteren.

4.10.

[eiser] heeft onder 3.1 sub 2 een bedrag gevorderd wegens gederfde wettelijke rente ten gevolge van het niet ontvangen dividend en gemaakte advocaat- en financiële advieskosten, zijnde een billijke verhoging als bedoeld in artikel 2:343 lid 4 BW. [eiser] stelt dat hij renteverlies heeft geleden doordat hij sinds 2008 geen dividend heeft ontvangen. Voorts stelt [eiser] dat [de mede-aandeelhouder] zichzelf heeft bevoordeeld door in strijd met de managementovereenkomst en zonder goedkeuring van [eiser] vermeende overwerkuren, vermeende niet opgenomen vakantiedagen en gratificaties aan zichzelf uit te keren. Door deze uitkeringen is de waarde van de door [eiser] gehouden aandelen verminderd. Daarbij komt nog dat [eiser] aanzienlijke kosten heeft gemaakt doordat hij door de houding van [de mede-aandeelhouder] gedwongen was een financiële adviseur en een advocaat in te schakelen.

4.11.

In artikel 2:343 lid 4 BW is bepaald dat de rechter bij het bepalen van de prijs van de aandelen een billijke verhoging kan toepassen in verband met gedragingen van gedaagde, indien aannemelijk is dat die gedragingen hebben geleid tot een vermindering van de waarde van de over te dragen aandelen en deze vermindering niet, of niet volledig voor rekening van eiser behoort te blijven. Het niet uitkeren van dividend leidt echter niet tot een waardevermindering van de aandelen. De kosten die [eiser] heeft gemaakt kunnen evenmin worden verdisconteerd in de waarde van de over te nemen aandelen: hiervoor biedt het vierde lid van art. 2:343 BW geen grondslag. Ten aanzien van de door [eiser] betwiste uitbetalingen betreffende overwerkuren, vakantiedagen en gratificaties stelt de rechtbank vast dat die in het petitum niet tot uitdrukking komen, zodat het tussen partijen gevoerde debat daaromtrent verder onbesproken kan blijven. Het onder 3.1 sub 2. gevorderde zal daarom worden afgewezen.

4.12.

[eiser] vordert onder 3.1 sub 4 om [de beheer-BV] en [de vennootschap] hoofdelijk te veroordelen om de aandelen van [eiser] over te nemen, indien [de mede-aandeelhouder] niet binnen twee weken in staat blijkt om aan de veroordeling te voldoen. De rechtbank stelt vast dat [de vennootschap] geen aandeelhouder is van [de beheer-BV]; als (mede-)aandeelhouder kan zij dus niet worden gedaagd. Een vordering tot uittreding kan weliswaar ook worden ingesteld tegen de vennootschap waaruit de aandeelhouder wil uittreden, maar het zijn niet de aandelen in [de vennootschap] waar [eiser] vanaf wil; voor de vordering jegens [de vennootschap] bestaat daarom geen wettelijke basis. Dat ligt anders voor de vordering jegens [de beheer-BV]: deze vennootschap kan ook worden veroordeeld de aandelen over te nemen. Hiervoor is niet noodzakelijk dat de schadelijke gedragingen aan de vennootschap zelf kunnen worden toegerekend; een veroordeling van de vennootschap kan ook worden gegrond op gedragingen van een aandeelhouder. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige geval de wettelijke uitzonderingen van art. 2:98 of 2:207 BW hieraan in de weg staan. De voorwaardelijk ingestelde vordering zal voorwaardelijk worden toegewezen, gelet op het in 4.8 overwogene, in die zin dat [de beheer-BV] gehouden zal zijn tot overname van de aandelen indien [de mede-aandeelhouder] niet binnen een maand na het in deze procedure te wijzen eindvonnis de desbetreffende aandelen heeft overgenomen tegen de door de rechtbank vast te stellen prijs.

4.13.

Het deskundigenbericht zal nu worden bevolen. De rechtbank zal de onder de beslissing vermelde deskundige benoemen. Aan deze deskundige zullen de in de beslissing vermelde vragen worden voorgelegd.

4.14.

De rechtbank ziet in de aard van het geding aanleiding om het voorschot op de kosten van de deskundige gelijkelijk over partijen te verdelen. Partijen zullen daarom ieder de helft van dit voorschot moeten betalen.

4.15.

De rechtbank wijst erop dat partijen wettelijk verplicht zijn om mee te werken aan het onderzoek door de deskundige. De rechtbank zal deze verplichting uitwerken zoals nader onder de beslissing omschreven. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.

4.16.

Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te verstrekken.

4.17.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [de mede-aandeelhouder] om de aandelen van [eiser] in [de beheer-BV] op de voet van artikel 2:343 BW over te nemen tegen betaling van de door de rechtbank na deskundigenadvies te bepalen prijs en veroordeelt [eiser] tot levering van die aandelen tegen betaling van die prijs,

5.2.

veroordeelt [de beheer-BV] – indien [de mede-aandeelhouder] niet binnen een maand na het in deze procedure te wijzen eindvonnis de desbetreffende aandelen heeft overgenomen tegen de door de rechtbank vast te stellen prijs – om de aandelen van [eiser] in [de beheer-BV] op de voet van artikel 2:343 BW over te nemen tegen betaling van de door de rechtbank na deskundigenadvies te bepalen prijs en veroordeelt [eiser] tot levering van die aandelen tegen betaling van die prijs,

5.3.

beveelt een onderzoek door één deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

  1. Wat is de waarde van de aandelen [de beheer-BV] per 31 december 2013, waarbij de DCF methode als waarderingsmaatstaf wordt gehanteerd?

  2. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

5.4.

benoemt tot deskundige:

G. Rooijackers, als registervaluator werkzaam bij SMAN Business Value,

correspondentieadres: Postbus 75

1540 AB Koog aan de Zaan,

Bezoekadres: Lagedijk 104

1544 BJ Zaandijk

telefoon: 075-6218809

fax: 075-6218476

e-mailadres: info@sman.nl

het voorschot

5.5.

bepaalt met het oog op de vaststelling van het voorschot op de kosten van de deskundige het volgende:

  • -

    de deskundige dient binnen drie weken na de datum van deze beslissing een begroting van de kosten op te geven aan de griffie van de rechtbank, gespecificeerd naar het verwachte aantal te besteden uren, het uurtarief en de eventuele overige kosten

  • -

    de griffie zal de opgave van de deskundige vervolgens toezenden aan partijen

  • -

    partijen kunnen desgewenst binnen twee weken na dagtekening van de brief van de griffie schriftelijk bij de rechtbank bezwaar maken tegen de begroting

  • -

    indien niet of niet tijdig bezwaar wordt gemaakt, wordt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige reeds nu voor alsdan vastgesteld op het door de deskundige begrote bedrag

  • -

    indien wel tijdig bezwaar wordt gemaakt, zal het voorschot worden vastgesteld bij afzonderlijke rechterlijke beslissing,

5.6.

bepaalt dat partijen ieder de helft van het voorschot dienen over te maken op rekeningnummer 56.99.90.629 ten name van MvJ arrondissement Haarlem onder vermelding van "voorschot deskundigenrapport" en het zaak- en rolnummer, en wel binnen twee weken na een daartoe strekkend betalingsverzoek van de griffie,

5.7.

draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot,

het onderzoek

5.8.

verzoekt de raadsman van [eiser] binnen twee weken na de datum van deze beslissing het procesdossier in afschrift aan de deskundige te doen toekomen,

5.9.

bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal verrichten op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats,

5.10.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    de griffie aan de deskundige een brief zal toesturen met informatie over de totstandkoming van deskundigenrapporten,

  • -

    de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen,

  • -

    de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn,

5.11.

bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt, de deskundige toegang dienen te verschaffen tot voor het onderzoek noodzakelijke plaatsen, en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek,

het schriftelijk rapport

5.12.

draagt de deskundige op om uiterlijk drie maanden na het schriftelijk bericht van de griffier omtrent de betaling van het voorschot een schriftelijk en ondertekend rapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie,

5.13.

wijst de deskundige er op dat:

  • -

    uit het schriftelijk rapport moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd,

  • -

    de deskundige een concept van het rapport aan partijen moet toezenden, opdat partijen de gelegenheid krijgen binnen vier weken daarover opmerkingen te maken, en dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en de reactie van de deskundige daarop moet vermelden,

5.14.

bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het concept-rapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden,

overige bepalingen

5.15.

bepaalt dat de zaak op de rol zal komen voor conclusie na deskundigenbericht op een termijn van vier weken na ontvangst ter griffie van het rapport,

5.16.

draagt de griffier op de zaak op een eerdere rol te plaatsen:

- indien het voorschot niet binnen de daarvoor bepaalde (eventueel verlengde) termijn is ontvangen: voor akte uitlating voortprocederen aan beide zijden op een termijn van twee weken,

5.17.

verklaart de beslissing over de partijen die het voorschot moeten deponeren uitvoerbaar bij voorraad,

5.18.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Wolfs, mr. W.S.J. Thijs en mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.1

1 Conc.: 934