Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12412

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-08-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C/15/213488 / HA ZA 14-211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid. Proportionele aansprakelijkheid. Vaststellen percentage van 20% aansprakelijkheid ziekenhuis voor missen diagnose herseninfarct. Verwijzen naar comparitie voor debat hoogte schade. Erkenning aansprakelijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GZR-Updates.nl 2014-0524

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/213488 / HA ZA 14-211

Vonnis van 20 augustus 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats 1],

eiser,

advocaat mr. B. Wernik,

tegen

1. de stichting

STICHTING RODE KRUIS,

gevestigd te Beverwijk,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats 2],

gedaagden,

advocaat mr. O.L. Nunes.

Partijen zullen hierna [eiser], Rode Kruis en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek

  • -

    het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 30 april 2014

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In de nacht van 3 op 4 juni 2008 is [eiser], geboren op [geboortedatum], onder meer bekend met diabetes mellitus en in de voorgeschiedenis een myocard infarct, onwel geworden.

2.2.

[eiser] is die nacht op de Afdeling Spoedeisende Hulp (SEH) van het Rode Kruis ziekenhuis te Beverwijk gezien en na onderzoek naar huis gestuurd onder verdenking van een vestibulair syndroom.

2.3.

In de ochtend van 4 juni 2008 heeft de echtgenote van [eiser] gebeld naar de praktijk van huisarts [huisarts] te [woonplaats 1] met de mededeling dat zij graag een visite wilde en dat [eiser] die nacht in het ziekenhuis was geweest; hij nu verward was en klam aanvoelde, maar dat het bloedsuiker normaal was. [gedaagde sub 2], waarnemend huisarts, heeft de visite afgelegd. Zij was op dat moment in opleiding en zou die eind juni 2008 afronden.

2.4.

Bij de visite heeft [gedaagde sub 2], op grond van informatie van de echtgenote van [eiser] en door haar bij [eiser] verricht onderzoek, de waarschijnlijkheidsdiagnose van de SEH, zijnde vestibulair syndroom of labyrintitis, overgenomen.

2.5.

Aan het eind van de ochtend heeft de echtgenote wederom gebeld met de huisartsenpraktijk met de mededeling dat het drinken nog steeds niet ging en dat [eiser] donker bloed had opgehoest. Vervolgens heeft [gedaagde sub 2] contact opgenomen met een internist van het Rode Kruis waarna zij aan de echtgenote heeft medegedeeld dat [eiser] werd verwacht op de SEH.

2.6.

Bij zijn bezoek aan de SEH is [eiser] vervolgens opgenomen op de afdeling neurologie wegens een cerebellair infarct (een herseninfarct). Deze diagnose was zowel door de SEH in de voorgaande nacht en door [gedaagde sub 2] die morgen gemist. [eiser] is ongeveer vier weken opgenomen geweest.

2.7.

Op 21 juli 2008 is [eiser] begonnen met revalidatie dagbehandeling in het revalidatiecentrum Heliomare. Na het beëindigen van de behandeling werd [eiser] behandeld door een fysiotherapeut.

2.8.

Op 19 mei 2009 heeft Het Regionaal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Amsterdam – als een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van de handelswijze van [gedaagde sub 2] naar voren brengt zonder daarop het stempel van laakbaarheid te drukken – [gedaagde sub 2] de maatregel van een waarschuwing opgelegd. Op 10 juni 2010 heeft Het Centraal Tuchtcollege voor de gezondheidszorg het beroep van [gedaagde sub 2] tegen die uitspraak verworpen.

2.9.

Op 15 februari 2012 heeft mr. O.L. Nunes aan mr. B. Wernik een brief geschreven waarin onder meer het volgende staat geschreven:

“Hierbij kan ik u namens het Rode Kruis Ziekenhuis te Beverwijk berichten dat aansprakelijkheid wordt erkend voor het niet adequaat verrichten van (neurologisch) onderzoek in de nacht van 3 op 4 juni 2008 op de afdeling Spoed Eisende Hulp waardoor een mogelijk CVA niet kon worden uitgesloten.

Voorts bericht ik u namens [gedaagde sub 2] dat aansprakelijkheid wordt erkend voor het niet adequaat (neurologisch) onderzoek verrichten tijdens de visite die op 4 juni 2008 bij uw cliënt is afgelegd.

Gezien deze erkenningen stellen cliënten voor om (alsnog) in onderling overleg minnelijk een neurologische expertise in te winnen teneinde aard en de omvang van de (gezondheids)schade in kaart te brengen.”

2.10.

Rode Kruis en [gedaagde sub 2] hebben bij wijze van voorschot op de geleden schade € 20.000,00 aan [eiser] betaald.

2.11.

Op 7 juni 2013 heeft prof. dr. [neuroloog], neuroloog, op gezamenlijk verzoek van partijen een medische rapportage uitgebracht over onderhavige zaak.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert na wijziging eis – samengevat – hoofdelijke veroordeling tot betaling door Rode Kruis en [gedaagde sub 2] van € 10.000,00 aan smartengeld, € 11.500,00 aan buitengerechtelijke incassokosten en tot betaling door Rode Kruis van € 65.000,00 aan materiële schade; een en ander te vermeerderen met wettelijke rente en proceskosten. [eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat Rode Kruis en [gedaagde sub 2] door het missen van de diagnose van een herseninfarct zijn tekortgeschoten in de nakoming van de geneeskundige behandelovereenkomst waardoor hij schade heeft geleden. Bovendien hebben zij onrechtmatig gehandeld doordat [eiser] wegens hun proceshouding lang op schadevergoeding moet wachten.

3.2.

Rode Kruis en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Rode kruis heeft de rechtbank verzocht enkele brieven buiten beschouwing te laten omdat het confraternele correspondentie betreft. De rechtbank passeert dat verzoek. De regels over confraternele correspondentie zijn onderlinge gedragsregels, maar betreffen geen regels van (proces-)recht, zodat daarop door Rode Kruis bij de onderhavige behandeling geen beroep kan worden gedaan.

4.2.

Rode Kruis en [gedaagde sub 2] hebben erkend dat ten aanzien van hun handelen sprake is van een tekortkoming in de geneeskundige behandelovereenkomst wegens het niet betrachten van de zorgvuldigheid die van een professionele hulpverlener in overeenstemming met zijn/haar verantwoordelijkheid verwacht mocht worden. De rechtbank zal de tekortkoming door zowel Rode Kruis als door [gedaagde sub 2] dan ook als vaststaand aannemen.

4.3.

Verder staat tussen partijen vast dat, indien Rode Kruis in de nacht van 4 juni 2008 de juiste diagnose had gesteld, [eiser] was behandeld met intraveneuze trombolyse.

De vordering op [gedaagde sub 2]

4.4.

[gedaagde sub 2] stelt dat [eiser] geen belang heeft bij de civielrechtelijke procedure tegen haar, omdat [eiser] heeft erkend dat er geen causaal verband bestaat tussen de schade door het stellen van de verkeerde diagnose en het handelen van [gedaagde sub 2]. Dat verweer faalt. Gelet op de door [eiser] gestelde feiten kan ondanks die erkenning niet worden geoordeeld dat hij geen belang heeft bij de beoordeling in rechte van de vraag of schadevergoeding door [gedaagde sub 2] aan de orde kan zijn.

4.5.

Tussen partijen staat vast dat geen causaal verband bestaat tussen het inadequate handelen van [gedaagde sub 2] en het missen van een kans op een beter behandelresultaat. Immers was ten tijde van het onderzoek door [gedaagde sub 2] de termijn waarbinnen [eiser] met trombolyse had kunnen worden behandeld reeds verstreken. De gevorderde (immateriële) schade komt derhalve niet voor vergoeding in aanmerking, voor zover die ziet op de gevolgen van het herseninfarct en het uitblijven van de juiste behandeling daartegen. De enige schade die eventueel voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen is directe schade veroorzaakt door het door [gedaagde sub 2] verkeerd verrichte onderzoek (zoals pijn of ongenoegen bij dat onderzoek of een psychische schade als gevolg daarvan). Dergelijke schade is echter niet door [eiser] gesteld, zodat de vordering wordt afgewezen.

4.6.

[eiser] heeft verder schadevergoeding gevorderd op grond van de proceshouding van [gedaagde sub 2]. Uit het enkele feit dat de vordering op [gedaagde sub 2] wordt afgewezen volgt dat haar dienaangaande geen verwijt gemaakt kan worden. De vordering zal derhalve worden afgewezen. Ook de vordering ten aanzien van de buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

4.7.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Gelet op het vonnis van de kantonrechter van 30 april 2014 is de vordering van [gedaagde sub 2] om proceseconomische redenen niet afgesplitst. Het is derhalve redelijk het kantontarief te hanteren en te veronderstellen dat het griffierecht door Rode Kruis is voldaan. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op:

- salaris advocaat € 600,00 (2,0 punten × tarief € 300,00 per punt)

Totaal € 600,00

De vordering op Rode Kruis

Geneeskundige behandelovereenkomst

4.8.

Rode Kruis heeft erkend dat zij op grond van artikel 7:462 BW aansprakelijk is voor de tekortkoming in de geneeskundige behandelovereenkomst. Tussen partijen staat vast dat de schade die is ontstaan door het missen van de diagnose van een herseninfarct door Rode Kruis aldus voor vergoeding in aanmerking komt. Voor bepaling van de hoogte van die schade dient de huidige situatie te worden vergeleken met de situatie dat wel de juiste diagnose zou zijn gesteld en [eiser] wel tijdig met trombolyse was behandeld.

4.9.

Tussen partijen is niet in geschil dat in dergelijke situatie sprake is van een ‘gemiste kans op een beter behandelresultaat’, zodat de vaststelling van de te vergoeden schade dient te geschieden via proportionele schadevaststelling. Partijen twisten over de hoogte van de gemiste kans en aldus over de hoogte van het percentage van de geleden schade waarvoor Rode Kruis aansprakelijk is. Daarnaast betwist Rode Kruis de door [eiser] gestelde hoogte van de geleden schade. De rechtbank overweegt als volgt.

Gemiste kans op een beter behandelresultaat

4.10.

De deskundigenrapportage van prof. dr. [neuroloog], neuroloog, van 7 juni 2013 (hierna: ‘de rapportage’ respectievelijk ‘de deskundige’) is door partijen gezamenlijk geëntameerd. Partijen twisten er niet over dat die rapportage leidend dient te zijn bij bepaling van de hoogte van de gemiste kans op een beter behandelresultaat. De deskundige heeft een concept van de rapportage aan partijen toegezonden. Partijen hebben over dat concept opmerkingen gemaakt, die door de deskundige bij de eindbeoordeling zijn betrokken.

4.11.

In de rapportage wordt onder meer het percentage functionele invaliditeit van [eiser] op 34% van de gehele mens geschat. Verder wordt beschreven dat de kans op blijvende ernstige invaliditeit of overlijden door behandeling met trombolyse verkleind had kunnen worden met ongeveer 15-20%. Deze kans wordt later bij beantwoording van vraag 2 door de deskundige aangescherpt tot 20%.

4.12.

Rode Kruis heeft verweer gevoerd tegen de berekening/schatting van de percentages 15-20% en 20%. Zij stelt dat de deskundige de door hem aangehaalde literatuur verkeerd heeft geïnterpreteerd. De rechtbank overweegt dat Rode Kruis deze opmerking reeds bij het conceptrapport heeft gemaakt, maar de deskundige desondanks geen reden heeft gezien de rapportage aan te passen. De reden waarom de deskundige bij zijn eerdere conclusies bleef is gemotiveerd uiteengezet in voetnoot 1 bij de rapportage. Tegen die achtergrond heeft Rode Kruis zonder nadere onderbouwing (bijvoorbeeld met een partijdeskundigenrapportage) – die ontbreekt – onvoldoende onderbouwd dat de deskundige de aangehaalde literatuur verkeerd heeft geïnterpreteerd en dat de rechtbank in de plaats daarvan haar lezing zou moeten volgen, zodat die stelling wordt verworpen.

4.13.

Rode Kruis stelt zich verder op het standpunt dat de hoogte van de gemiste kans dient te worden gesteld op 5,1-6,8%, zijnde voornoemde 15-20% van tevens voornoemde 34%. De rechtbank volgt deze lezing niet. De door [eiser] geleden schade is 100% veroorzaakt door de partiële invaliditeit. Dat die partiële invaliditeit de functionaliteit van het lichaam met 34% verlaagd is dienaangaande niet van belang, omdat dat percentage niet ziet op de causaliteit tussen de gemiste kans en de veroorzaakte schade. Resumerend veroorzaakt de 34% van gemis aan functionaliteit van het lichaam in onderhavig geval 100% van de schade en niet zoals Rode Kruis (impliciet) stelt 34% daarvan. Van belang is derhalve (enkel) de hoogte van de kans dat die partiële invaliditeit zou zijn voorkomen bij adequate behandeling. Die kans is volgens de deskundige 20%. Deze lezing van het rapport wordt ondersteund door de beantwoording van vraag 5, waarin onder meer staat beschreven dat de deskundige de kans dat de restverschijnselen zouden zijn opgetreden bij adequate behandeling schat op 80% (zijnde 100% -/- 20%). Ook daaruit blijkt dat hij bedoeld heeft te stellen dat 80% van de schade (veroorzaakt door de partiële invaliditeit) kan worden toegerekend aan het onfortuinlijke herseninfarct, en 20% aan het inadequaat handelen van Rode Kruis.

4.14.

De rechtbank neemt de voldoende onderbouwde conclusie van de deskundige over en maakt die tot de hare. Zij is derhalve van oordeel dat 20% van de door [eiser] geleden schade voor vergoeding door Rode Kruis in aanmerking komt.

Proceshouding

4.15.

[eiser] heeft schadevergoeding gevorderd op grond van de – naar de rechtbank begrijpt vertragende – proceshouding van Rode Kruis. De rechtbank vult de rechtsgronden aan en constateert dat een vergoeding voor schade daardoor slechts dan aan bod kan komen indien die proceshouding onrechtmatig is jegens [eiser]. [eiser] heeft echter onvoldoende gesteld dat sprake is van onrechtmatigheid. Ongenoegen over het feit dat Rode Kruis aansprakelijkheid eerst na aanvang van een gerechtelijke procedure heeft erkend en over het feit dat [eiser] lang op de schadevaststelling moet wachten, is – bij gebrek aan verwijtbaarheid – geen grond voor het aannemen van onrechtmatigheid. Derhalve komt daardoor veroorzaakte schade niet voor vergoeding in aanmerking, zodat de vordering wordt afgewezen.

Hoogte Schade

4.16.

Ten aanzien van de hoogte van de totaal door het herseninfarct geleden schade – waarvan voornoemd percentage van 20% door Rode Kruis voor vergoeding in aanmerking komt (zie rechtsoverweging 4.14) – overweegt de rechtbank als volgt.

4.17.

Eerst bij repliek is door [eiser] een schadestaat in het geding gebracht waarin verschillende schadeposten zijn uitgewerkt. Daarop is door Rode Kruis bij dupliek gereageerd. In het kader van hoor en wederhoor is het debat ten aanzien van de hoogte van de schade nog niet volledig geweest. [eiser] heeft namelijk nog niet in rechte op de betwistingen door Rode Kruis kunnen reageren. De rechtbank zal derhalve een comparitie bevelen met als onderwerp de hoogte van de geleden schade. Die comparitie zal ertoe dienen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden. De comparitie zal uitdrukkelijk niet dienen voor een debat over de rol van [gedaagde sub 2], de proceshouding van [gedaagde sub 2], de proceshouding van Rode Kruis en/of de bepaling van de hoogte van de gemiste kans op een beter behandelresultaat, omdat daarover reeds in dit vonnis is beslist. De rechtbank merkt op dat zij zich kan voorstellen dat – zeker nu over aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] en de hoogte van de gemiste kans is geoordeeld – partijen reeds voorafgaand aan de comparitie met dit vonnis in de hand pogingen zullen doen tot een minnelijke regeling te komen. Uiteraard staat dat partijen vrij.

4.18.

De rechtbank draagt [eiser] op voorafgaand aan voornoemde comparitie financiële gegevens over te leggen met betrekking tot zijn nieuwe onderneming “Handelsonderneming IJmond” en eventueel daaruit door hem genoten inkomsten.

Buitengerechtelijke kosten

4.19.

De gevorderde vergoeding wegens buitengerechtelijke werkzaamheden zal worden toegewezen, zij het tot een lager bedrag dan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. [eiser] heeft voldoende gesteld dat werkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen. Onderhavige procedure is na dagvaarding stilgezet. Partijen zijn vervolgens een minnelijk traject ingaan met benoeming van een deskundige en onderhandelingen over hoogte van de schade. De daarmee gemoeide kosten zijn in dat geval geen kosten ter instructie van de zaak. Zij vallen evenmin onder de kosten waarvoor een proceskostenveroordeling kan volgen. In eerste instantie werd immers een verklaring voor recht gevorderd en schade nader op te maken bij staat. Vervolgens is de aansprakelijkheid erkend en volgde na onderhandelingen feitelijk een schadestaatprocedure. De kosten in die tussenperiode zijn aan te merken als kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte en komen derhalve voor toewijzing in aanmerking. De rechtbank zal deze kosten bij eindvonnis begroten op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.

5 De beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van de vordering op [gedaagde sub 2]

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 600,00,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

Ten aanzien van de vordering op Rode Kruis

5.4.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Haarlem aan de Jansstraat 81 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.5.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

5.6.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 3 september 2014 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2014 tot en met januari 2015, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.7.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.8.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.9.

wijst partijen er op, dat voor de zitting anderhalf uur zal worden uitgetrokken.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Maarleveld en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2014.1

1 type: coll: