Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12399

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
31-12-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
AWB - 12 _ 1687
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft loonkostensubsidies voor ID-medewerkers mogen beëindigen omdat sprake is van een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:51 van de Awb. Echter, verweerder heeft bij de beëindiging geen redelijke termijn in acht genomen zodat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door te bepalen tot welke datum verweerder loonkostensubsidie aan eiseres dient te verstrekken.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-12-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 12/1687

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 december 2014 in de zaak tussen

Stichting Kopwerk, te Den Helder, eiseres,

(gemachtigde: mr. B.P.L. Vorstemans),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: G.A.F. de Vroome).

Procesverloop

Bij besluit van 6 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat met ingang van 1 mei 2012 geen loonkostensubsidie Wet werk en bijstand (loonkostensubsidie) meer wordt verstrekt voor medewerkers jonger dan 60 jaar met een zogenoemde In- en Doorstroombaan (ID-medewerkers).

Bij besluit van 30 mei 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard, de motivering van het primaire besluit aangevuld en dit besluit inhoudelijk gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2013. De zaken zijn gevoegd behandeld met de zaken geregistreerd onder zaaknummers ALK 12/1688 tot en met 12/1691. Eiseres is vertegenwoordigd door mr. S.M.M. Meijer, destijds gemachtigde van eiseres. Voorts is verschenen [naam 1].

Na de zitting heeft de rechtbank de zaken met zaaknummers ALK 12/1688 tot en met 12/1691 weer gesplitst van de onderhavige zaak.

Bij beslissing van 29 oktober 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde nadere inlichtingen in te winnen bij eiseres.

Eiseres heeft bij brief van 13 november 2013 gereageerd. Hierop heeft verweerder bij brief van 21 januari 2014 gereageerd.

Bij brief van 25 augustus 2014 heeft de rechtbank nadere vragen aan eiseres gesteld.

Eiseres heeft bij brief van 19 september 2014 deze vragen beantwoord. Hierop heeft verweerder bij brief van 28 oktober 2014 gereageerd.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven om de zaak zonder verdere behandeling ter zitting af te doen, heeft de rechtbank het onderzoek op 16 december 2014 gesloten en bepaald dat er binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Bij eiseres werkten vier medewerkers, te weten [naam 2], [naam 3], [naam 4] en

[naam 5], op basis van een gesubsidieerde arbeidsplaats. Eiseres ontving van de gemeente Den Helder loonkostensubsidies voor het te werk stellen van deze medewerkers. Alle medewerkers waren ten tijde in geding jonger dan 60 jaar.

1.2.

In september 2011 heeft verweerder met eiseres een gesprek gevoerd waarin het voornemen is aangekondigd om de loonkostensubsidies voor de ID-banen per

1 januari 2012 te stoppen. Bij brief van 7 november 2011 is aangegeven dat nog geen definitief besluit is genomen over de beëindiging van de loonkostensubsidies en dat naar verwachting in november daarover en over de termijn waarop de maatregel ingaat

een besluit wordt genomen.

1.3.

In het primaire besluit van 6 december 2011 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de loonkostensubsidies voor de voormalige ID-banen per 1 mei 2012 worden beëindigd, behalve voor ID-medewerkers die per die datum de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt.

1.4.

In het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit tot beëindiging van de loonkostensubsidies per 1 mei 2012 gehandhaafd. Aan het bestreden besluit ligt het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van 12 april 2012 mede ten grondslag.

2. De volgende wet- en regelgeving is met name van belang.

2.1.

Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB), voor zover hier van belang, is het college verantwoordelijk voor het bepalen en aanbieden van een voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling.

2.2.

Op grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB, voor zover hier van belang, stelt de gemeenteraad bij verordening regels met betrekking tot het aanbieden van voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid,

onderdeel a.

2.3.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de WWB, voor zover hier van belang, hebben personen die algemene bijstand ontvangen en niet-uitkeringsgerechtigden, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling.

2.4.

Op grond van artikel 78d, eerste lid, van de WWB geldt een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 6 van het Besluit in- en doorstroombanen als een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a.

2.5.

In artikel 13, eerste lid, van de Reintegratieverordening Wet werk en bijstand van de gemeente Den Helder (de Verordening) is bepaald dat de loonkostensubsidie voormalige WIW- en ID-banen als doel heeft de belanghebbende, door middel van gesubsidieerd werk, een zodanige werkervaring op te laten doen dat het perspectief op regulier werk vergroot wordt.

2.6.

Op grond van artikel 23, eerste lid, van de Verordening kan het college aan een werkgever een subsidie geven voor de loonkosten van een werknemer die op de peildatum 31 december 2003 een arbeidsovereenkomst had op grond van de Wet Inschakeling Werkzoekenden of het Besluit In- en Doorstroombanen.

Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt de subsidie alleen verstrekt als de werkgever een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met een werknemer van wie vooraf door of namens het college is vastgesteld dat deze tot de doelgroep behoort.

2.7.

In artikel 24 van de Verordening is bepaald dat de subsidie persoonsgebonden is en de hoogte en duur van de subsidie jaarlijks door het college wordt vastgesteld.

2.8.

Op grond van artikel 4:51, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geschiedt, indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderende omstandigheden of gewijzigde inzichten zich tegen voorzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met in achtneming van een redelijke termijn. Op grond van het tweede lid van dat artikel wordt de subsidie voor het resterende deel van die termijn verleend, voor zover aan het einde van het tijdvak waarvoor subsidie is verleend sedert de bekendmaking van het voornemen tot weigering voor een daarop aansluitend tijdvak geen redelijke termijn is verstreken.

3.1.

Eiseres stelt dat verweerder niet heeft onderbouwd dat de rijksbijdrage waaruit de loonkostensubsidie wordt betaald met meer dan 50% is gedaald. Ook is niet gemotiveerd op grond van welke regeling de rijksbijdrage is gewijzigd. Eiseres meent dat het gewijzigde rijksbeleid niet op haar kan worden afgewenteld nu zij altijd zeer loyaal met verweerder in het kader van de ID-banen heeft meegewerkt.

3.2.

Verweerder heeft in de beroepsfase de subsidieverleningbeschikkingen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 21 oktober 2010 (voor het jaar 2011) en 30 september 2011 (voor het jaar 2012) overgelegd. In deze beschikkingen staat het budget vermeld dat de gemeente Den Helder van de Rijksoverheid ontvangt voor de uitvoering van de WWB, de Wet Participatiebudget en het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Verweerder voert aan dat de gemeentelijke uitgaven in het kader van de re-integratie ten laste komen van de rijksbijdrage onder de titel van Participatiebudget, onderdeel SZW-bijdrage. Uit de beschikkingen kan worden afgeleid dat de SZW-bijdrage in 2012 ten opzichte van 2011 is gehalveerd, zodat voortzetting van de subsidiering van de ID-banen niet van hem kan worden gevergd.

3.3.

Niet in geschil is dat aan eiseres voor drie of meer achtereenvolgende jaren loonkostensubsidies zijn verstrekt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder genoegzaam gemotiveerd dat sprake is van een aanzienlijke verlaging van de rijksbijdrage waarmee de loonkosten van de ID-medewerkers worden gesubsidieerd. Voorts blijkt uit het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften dat verweerder heeft aangegeven dat de besteding van circa € 1.500.000 tot € 1.800.000 aan 70 tot 80 gesubsidieerde banen (waaronder de ID-banen) van het resterende budget voor re-integratiemaatregelen van

€ 3.200.000 onevenwichtig is omdat de doelgroep uit 1.500 tot 1.600 mensen bestaat. Gelet op het voorgaande is de verlaging van de rijksbijdrage met meer dan 50% aan te merken als een veranderde omstandigheid in de zin van artikel 4:51, eerste lid, van de Awb die zich tegen voortzetting van de loonkostensubsidies voor ID-banen verzet. Dat eiseres en de

ID-werknemers belang hebben bij de voortzetting van de loonkostensubsidies doet daar niet aan af.

4.1.

Eiseres stelt dat het besluit om de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar te beëindigen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Er bestaat volgens eiseres geen gegronde objectieve reden om voor werknemers van 60 jaar en ouder een uitzondering te maken. Bij de ID-medewerkers die in dienst zijn bij eiseres zijn de kansen op een reguliere dienstbetrekking even gering als de kansen van iemand van 60 jaar. Ook voor schoolbesturen leidt dit besluit tot ongelijke behandeling nu het een kwestie van toeval of pech is of zij medewerkers van 60 jaar of ouder in dienst hebben.

4.2.

Verweerder voert aan dat in de bij de Verordening behorende beleidsregels ook een leeftijdscriterium is opgenomen, inhoudende dat de loonkosten van de persoon die op

1 januari 2005 de leeftijd van 55 jaar of ouder heeft, volledig worden gesubsidieerd tot het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt beëindigd. Dit houdt in dat per 1 mei 2012 de beëindiging van de loonkostensubsidies niet zou moeten gelden voor medewerkers van 62 jaar en 4 maanden of ouder. Verweerder heeft het opportuun gevonden om uit te gaan van een ondergrens van 60 jaar waardoor de uitzonderingssituatie feitelijk voor een groter aantal medewerkers geldt.

4.3.

De rechtbank gaat ervan uit dat eiseres met haar stelling dat verweerder het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden heeft beoogd te stellen dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden door de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar te beëindigen, terwijl de kansen op een reguliere dienstbetrekking van deze ID-medewerkers even gering zijn als de kansen voor ID-medewerkers van 60 jaar en ouder. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende inzichtelijk gemaakt dat de keuze om de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers jonger dan 60 jaar wel en voor ID-medewerkers van 60 jaar en ouder niet te beëindigen is gebaseerd op het reeds bestaande beleid en daarom sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond voor het maken van dit onderscheid. Dit betekent dat naar het oordeel van de rechtbank het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden.

5.1

De rechtbank zal vervolgens beoordelen of verweerder bij de beëindiging van de loonkostensubsidies een redelijke termijn in acht heeft genomen.

5.2.

Eiseres stelt dat de termijn van vijf maanden die verweerder in acht heeft genomen gezien de CAO-verplichtingen waaraan eiseres is gebonden geen redelijke termijn is.

Uit de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor het primair onderwijs (CAO PO) volgt dat een werkgever bij ontslag twee regelingen kan hanteren; het werkgelegenheidsbeleid of het ontslagbeleid. Eiseres hanteert een ontslagbeleid. Eiseres stelt dat zij gelet op de toepasselijke regelgeving na vaststelling van een reorganisatieplan en sociaal plan eerst per

1 augustus 2014 tot ontslag van de betrokken medewerkers had kunnen overgaan en verzoekt de rechtbank te bepalen dat verweerder tot die datum loonkostensubsidies aan haar verstrekt.

5.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn tussen de bekendmaking van het besluit en de ingangsdatum van de subsidiebeëindiging, zijnde vier maanden en drie weken, redelijk is omdat eiseres daarmee in de gelegenheid is gesteld haar verplichtingen uit de arbeidsrechtelijke verhoudingen te beëindigen. Voorts stelt verweerder dat kosten die worden gemaakt als gevolg van beëindiging van de arbeidsrelatie en outplacementkosten niet vallen onder de loonkostensubsidie.

5.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de betrokken

ID-medewerkers onder de werking van de CAO PO vallen, aangezien zij over reguliere aanstellingen beschikken.

5.5.

Ervan uitgaande dat de redelijke termijn ertoe dient de subsidieontvanger in staat te stellen maatregelen te treffen om de gevolgen van de beëindiging van de subsidierelatie te ondervangen, dient de termijn naar het oordeel van de rechtbank door te lopen tot het eerste moment waarop de ID-medewerkers op basis van de toepasselijke regelgeving kunnen worden ontslagen. Conform hetgeen is bepaald in de CAO PO kan ontslag van de ID-medewerkers eerst geschieden nadat de medewerkers gedurende een geheel schooljaar in het Risicodragend deel van de formatie (RDDF) zijn geplaatst of nadat een sociaal plan is overeengekomen met de vakbonden alvorens tot een gedwongen ontslag wordt overgegaan.

Verweerder heeft bij het beëindigen van de loonkostensubsidie ten onrechte geen rekening gehouden met deze regeling. Tegen deze achtergrond kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat de termijn van vier maanden en drie weken als redelijk moet worden beschouwd.

6.1.

Dat eiseres vanwege de gesprekken die verweerder met haar over het gewijzigde rijksbeleid heeft gevoerd er volgens verweerder vanaf september 2011 serieus rekening mee diende te houden dat de loonkostensubsidie voor ID-medewerkers op korte termijn zou worden beëindigd, maakt dit niet anders. Zelfs in het geval eiseres ervoor had gekozen om de ID-medewerkers op dat moment in het RDDF te plaatsen, dan was zij naar het oordeel van de rechtbank niet meer in de gelegenheid om de ID-medewerkers voor het schooljaar 2011/2012 in het RDDF te plaatsen, omdat het schooljaar al was begonnen. Uit de begripsbepalingen van de CAO PO volgt immers dat onder schooljaar wordt verstaan het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli. Voor eiseres had dit betekend dat zij de ID-medewerkers eerst per 1 augustus 2013 kon ontslaan.

6.2.

De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat de beëindiging van de subsidiëring als een zwaarwegende omstandigheid kan gelden op grond waarvan volgens artikel 2.8, tweede lid, van de CAO PO onmiddellijke plaatsing in het RDDF mogelijk is. Dit artikellid geeft slechts aan dat een functie bij zwaarwegende omstandigheden in het RDDF kan worden geplaatst als het bestuursformatieplan nog niet is vastgesteld en ziet niet op een plaatsing van een functie in het RDDF in de loop van het schooljaar.

7. Eiseres heeft aangegeven dat de arbeidsovereenkomsten van ID-medewerkers

[naam 3] en [naam 4] respectievelijk per 1 augustus 2013 en 1 september 2013 zijn beëindigd middels afzonderlijke vaststellingsovereenkomsten, nadat [naam 3] en [naam 4] aan eiseres te kennen hadden gegeven gebruik te willen maken van de faciliteiten die werden geboden in het Sociaal Plan. De arbeidsovereenkomst van ID- medewerker [naam 5] is per

1 augustus 2014 beëindigd door middel van opzegging door eiseres. De arbeidsovereenkomst van ID-medewerker [naam 2] is beëindigd op 31 juli 2012 door middel van opzegging door [naam 2]. Verweerder heeft de wijze waarop de arbeidsovereenkomsten van deze ID-medewerkers zijn beëindigd niet weersproken.

8. Eiseres heeft er niet voor gekozen om de betrokken ID-medewerkers in het eerst mogelijke schooljaar in het RDDF te plaatsen. In plaats daarvan heeft zij een reorganisatie- en sociaal plan vastgesteld. Dit heeft ertoe geleid dat zij vanwege de beëindiging van de arbeidsovereenkomsten met [naam 3] en [naam 4] genoodzaakt was een vertrekpremie aan hen te betalen. Voorts heeft eiseres kosten gemaakt ten behoeve van een outplacementtraject voor [naam 3], [naam 4] en [naam 5].

Indien eiseres ervoor had gekozen om de betrokken ID-medewerkers in het RDDF te plaatsen, was zij niet geconfronteerd geweest met de te betalen vertrekpremies aan [naam 3] en [naam 4] en de kosten voor het outplacementtraject van [naam 3], [naam 4] en [naam 5]. Dat eiseres in plaats daarvan een sociaal plan heeft vastgesteld komt voor haar rekening en risico. De kosten die eiseres heeft gemaakt voor de vertrekpremies en het outplacementtraject kunnen dan ook in redelijkheid niet op verweerder worden afgewenteld. Eiseres had immers de gevolgen van de beëindiging van de loonkostensubsidie zoveel mogelijk kunnen ondervangen door de werknemers te plaatsen in het RDDF. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 maart 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1006.

9. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat verweerder gelet op het bepaalde in artikel 4:51, tweede lid, van de Awb tot 1 augustus 2013 loonkostensubsidie voor

ID-medewerkers [naam 3], [naam 4] en [naam 5] aan eiseres dient te verstrekken. Voor ID-medewerker [naam 2] geldt dat verweerder tot 1 augustus 2012 loonkostensubsidie aan eiseres dient te verstrekken.

10. De rechtbank komt gezien het voorgaande dan ook tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in rechte kan standhouden. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet gelet op hetgeen in rechtsoverweging 6 is overwogen aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

11. De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van haar beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1217,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor schriftelijke inlichtingen, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1).

De reiskosten van [naam 1] heeft de rechtbank berekend op basis van de kosten van openbaar vervoer, tweede klasse, en vastgesteld op € 15,00 (retour Den Helder – Alkmaar per trein).

De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht dient te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de door verweerder aan eiseres verstrekte loonkostensubsidies voor de bij haar in dienst zijnde ID-medewerkers [naam 3], [naam 4] en [naam 5] eindigt per 1 augustus 2013;

  • -

    bepaalt dat de door verweerder aan eiseres verstrekte loonkostensubsidie voor de bij haar in dienst zijnde ID-medewerker [naam 2] eindigt per 1 augustus 2012;

  • -

    veroordeelt verweerder in de aan de zijde van eiseres gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1232,50;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het griffierecht van € 310,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, voorzitter, en mr. drs. C.M. van Wechem en

mr. L.N. Nijhuis, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Dittmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.