Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12398

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
29-12-2014
Zaaknummer
HAA 14/1242
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank concludeert dat met betrekking tot eiser niet aan het bepaalde in artikel 3.124 van de Wet IB 2001 is voldaan, in het bijzonder niet aan de voorwaarde dat de belastingplichtige de verzekeringnemer is, hetgeen betekent dat eiser geen recht heeft op aftrek van de betaalde premies van de Delta Lloyd verzekering.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-12-29
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2015-0014
V-N Vandaag 2014/2719
V-N 2015/12.17.26
Vp-bulletin 2015/16
mr. M.E. Kastelein annotatie in NTFR 2015/1090

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/1242

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 december 2014 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser met dagtekening 12 september 2013 voor het jaar 2010 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.856.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2014 te Haarlem.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. R.G.A. de Jong en J.L. Lam.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld binnen 14 dagen te onderzoeken of de verzekeringsmaatschappij bereid is tot aanpassing van de polis in die zin dat eiser met terugwerkende kracht als verzekeringnemer wordt aangemerkt.

De rechtbank heeft op 24 november 2014 een nader stuk van eiser ontvangen en in kopie doorgezonden naar verweerder.

Op 3 december 2014 heeft een nadere zitting plaatsgevonden. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam 1]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. R.G.A. de Jong.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren in 1961. Sinds 26 april 2010 is hij gehuwd met [naam 1] (hierna: de echtgenote).

2. Eiser is van 25 mei 1990 tot en met 2 september 2003 gehuwd geweest met [naam 2] (hierna: de ex-echtgenote).

3. De ex-echtgenote was van 1 juni 1997 tot en met 18 januari 2010 verzekeringnemer en eerste begunstigde van de nabestaandenlijfrentepolis bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V., polinummer [nummer]. De verzekerde deelnemer is eiser.

4. Op 18 januari 2010 heeft Delta Lloyd Levensverzekering N.V., op verzoek van eiser, de verzekeringnemer en de eerste begunstiging gewijzigd in [naam 1].

5. De premienota d.d. 22 december 2010 is door de verzekeringsmaatschappij aan [naam 1] verstuurd. De premiebetalingen zijn alle door eiser gedaan.

6. Eiser heeft op 31 maart 2011 aangifte ib/pvv over 2010 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 51.870. In deze aangifte heeft eiser onder meer een bedrag van € 3.386 betaalde premies voor een lijfrenteverzekering in aanmerking genomen, bestaande uit € 2.400 AEGON lijfrenteverzekering en € 986 Delta Lloyd verzekering.

7. Bij het opleggen van de aanslag heeft verweerder de premieaftrek beperkt tot

€ 2.400.

Geschil
8. In geschil is eiser recht heeft op aftrek van de betaalde premies voor de lijfrenteverzekering bij Delta Lloyd Levensverzekering N.V.

9. Eiser stelt dat de premies ten aanzien van de Delta Lloyd verzekering aftrekbaar zijn omdat de verzekering wordt omgezet in een nabestaandenlijfrente wanneer de verzekerde deelnemer voor een bepaalde leeftijd komt te overlijden. Bovendien is voor het bestaan van een recht op aftrek niet vereist dat de verplichting tot het betalen van premies berust bij de verzekeringnemer. Voorts geeft eiser aan dat de premies in de aangiftes vanaf 1997 tot op heden in aftrek zijn gebracht en de aangiftes niet zijn gecorrigeerd.

10. Verweerder stelt dat de echtgenote verzekeringnemer is zodat alleen zij recht heeft op aftrek van de premies.

De uitspraak van Hof ‘s-Gravenhage van 26 juni 1996 (ECLI:NL:GHSGR:1996:AV7856), waar eiser naar verwijst, vindt geen overeenkomstige toepassing omdat die uitspraak betrekking had op een in 1990 afgesloten en derhalve, anders dan in de onderhavige zaak, sprake was van een pré-Brede Herwaardering polis.

11. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

12. Artikel 3.124 van de Wet IB 2001 luidt als volgt:

Ingevolge artikel 2.17 eerste lid Wet IB 2001 worden inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn geen gemeenschappelijke inkomensbestanddelen als bedoeld in artikel 2.17 leden 2-5 Wet IB 2001.

13. Niet in geschil is dat eiser alle premies heeft betaald. Voorts staat vast dat niet eiser maar de echtgenote de verzekeringnemer is. Ook is vast komen te staan dat, nadat eiser daartoe in de gelegenheid is gesteld, de polis niet met terugwerkende kracht is aangepast in die zin dat de verzekeringnemer per 1 januari 2010 is gewijzigd in de persoon van eiser.

Aftrek van premies bij een ander dan de verzekeringnemer is mogelijk, indien deze derde zich tegenover de verzekeraar heeft verplicht tot het betalen van de premies, en voorts aan alle overige voorwaarden voor aftrek van de premies is voldaan. De rechtbank leidt dit af uit de eis dat voor het in aanmerking nemen van uitgaven voor inkomensvoorzieningen sprake moet zijn van op de belastingplichtige drukkende uitgaven. Niet aannemelijk is gemaakt dat eiser zich jegens de verzekeraar heeft verplicht tot het betalen van premies. Het betalen van de premies gedurende een reeks van jaren door eiser is op zichzelf onvoldoende om een dergelijke betalingsverplichting te kunnen aannemen. Aftrek van de premie zou mogelijk zijn bij [naam 1], mits zij voldoende belastbaar inkomen heeft.

De rechtbank concludeert dat met betrekking tot eiser niet aan het bepaalde in artikel 3.124 van de Wet IB 2001 is voldaan, in het bijzonder niet aan de voorwaarde dat de belastingplichtige de verzekeringnemer is, hetgeen betekent dat eiser geen recht heeft op aftrek van de betaalde premies van de Delta Lloyd verzekering.

14. Eiser beroept zich er voorts op dat hij de in geding zijnde premies vanaf 1997 in aftrek heeft gebracht en dat de aangiftes nimmer zijn gecorrigeerd.

Eiser voert aan dat de aftrek van de in geding zijnde premies vanaf 1997 is toegestaan en beroept zich in dat verband op het vertrouwensbeginsel. Dienaangaande is het volgende van belang. Voor het in rechte te beschermen vertrouwen dat de inspecteur de aangifte op een bepaald punt zal volgen is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een of een aantal jaren bij het regelen van de aanslag op dit punt de aangifte heeft gevolgd. De gerechtvaardigdheid van het vertrouwen hangt af van de waardering van de omstandigheden die bij de belastingplichtige de indruk hebben kunnen wekken dat de door de inspecteur gevolgde gedragslijn berust op een bewuste standpuntbepaling. Door verweerder is onbestreden gesteld dat alle voorgaande aanslagen van eiser zonder nader onderzoek conform de aangiftes zijn opgelegd. Eiser heeft verder ook geen feiten of omstandigheden gesteld op basis waarvan bij hem de indruk kan zijn gewekt van een bewuste standpuntbepaling van verweerder. Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat met betrekking tot de eerdere jaren geen sprake is geweest van een bewuste standpuntbepaling van de zijde van verweerder en eiser het handelen van verweerder ook niet als zodanig heeft kunnen opvatten. Van in rechte te beschermen vertrouwen is dan geen sprake. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

15. Gelet op het vorenoverwogene wordt het beroep ongegrond verklaard.

Proceskosten

16. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A. Fase, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.