Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12367

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
24-12-2014
Zaaknummer
C/15/218625 / KG ZA 14-538
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kan een volmacht die door de curator tijdens het faillissement van eiser is verstrekt worden gebruikt voor de levering van een woning als het faillissement inmiddels is beëindigd?

De bank heeft met deze volmacht echter niet meer bevoegdheden verkregen dan de bevoegdheden die de curator handelend in zijn hoedanigheid zelf zou hebben kunnen uitoefenen. Nu de curator na beëindiging van het faillissement de boedel van eiser niet meer kan binden, en om die reden de woning (uitgaande van de situatie dat de woning door de bank rechtsgeldig namens de curator zou zijn verkocht) niet kan leveren aan derden, kan ook de bank dat na afloop van het faillissement niet meer.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Faillissementswet 23
Faillissementswet 68
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 60
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 2, p. 99
JOR 2015/272
NJF 2015/59
RI 2015/41

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/218625 / KG ZA 14-538

Vonnis in kort geding van 23 december 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te Purmerend,

eiseres,

advocaat mr. A.G. Moeijes te Velsen-Zuid,

en

[tussenkomende partij],

wonende te Purmerend,

tussenkomende partij,

advocaat mr. A.G. Moeijes te Velsen-Zuid,

tegen

1 de coöperatie

RABOBANK ZAANSTREEK U.A.,

gevestigd te Zaandam,

2. de naamloze vennootschap

RABOHYPOTHEEKBANK N.V.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagden,

advocaat mr. P.W. van Kooij te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres], [tussenkomende partij] en (gedaagden gezamenlijk) Rabobank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de incidentele conclusie van [tussenkomende partij] houdende een vordering tot tussenkomst, subsidiair voeging,

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiseres] en [tussenkomende partij]

  • -

    de pleitnota van Rabobank.

1.2.

De incidentele vordering van [tussenkomende partij] tot tussenkomst – waartegen de [eiseres] en Rabobank geen bezwaar hebben gemaakt – is ter zitting toegewezen, aangezien [tussenkomende partij] kan worden geacht belang te hebben bij tussenkomst om benadeling van zijn eigen rechten en rechtspositie te voorkomen en aangezien voorts het geding ten gevolge van de tussenkomst niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] en [tussenkomende partij] zijn buiten gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. [tussenkomende partij] is eigenaar van de echtelijke woning op het [adres] (hierna: de woning). Bij akte van 8 maart 2006 heeft [tussenkomende partij] aan Rabobank een eerste hypotheekrecht op de woning verstrekt tot een bedrag van € 300.000,00, te vermeerderen met rente en kosten. Voor deze hypothecaire schuld zijn [eiseres] en [tussenkomende partij] hoofdelijk aansprakelijk.

2.2.

De Rabobank heeft een vordering op [tussenkomende partij] en [eiseres] van € 270.000,00 uit hoofde van de aankoop- en verbouwingsfinanciering van de woning, alsmede een vordering van € 50.000,00 op [tussenkomende partij] uit hoofde van een door [tussenkomende partij] gegeven borgtocht voor de schuld van zijn op 19 november 2013 gefailleerde bedrijf Thas Beheer en Management B.V.

Bij brief van 2 december 2013 heeft de Rabobank de financiering opgezegd omdat betalingsverplichtingen niet volledig werden nagekomen, de borgtocht onbetaald bleef en er beslag was gelegd op de woning.

2.3.

Ten aanzien van [tussenkomende partij] is op 29 oktober 2013 de Wettelijke Schuldsaneringsregeling Natuurlijke Personen van toepassing verklaard. Deze is bij vonnis van 11 maart 2014 tussentijds beëindigd onder gelijktijdig uitspreken van het faillissement van [tussenkomende partij] met benoeming van mr. [curator] als curator (hierna: de curator).

2.4.

De woning van [tussenkomende partij] is in opdracht van Rabobank op 12 februari 2014 getaxeerd door Sopar Makelaars. De marktwaarde van de woning is daarbij getaxeerd op € 375.000,00 en de executiewaarde op een waarde tussen € 262.500,00 en € 300.000,00.

2.5.

Bij exploit van 15 april 2014 heeft Rabobank de openbare verkoop van de woning aangezegd. Teneinde een executieverkoop van de woning te voorkomen zijn [eiseres] en [tussenkomende partij] met Rabobank in overleg getreden. Partijen zijn vervolgens overeengekomen dat Rabobank de executieverkoop zou staken als [eiseres] en de curator van [tussenkomende partij] een onherroepelijke verkoopvolmacht aan Rabobank zouden verstrekken.

2.6.

Mr. [curator], handelend als curator van [tussenkomende partij], en [eiseres] hebben Rabobank bij notariële akte van 6 mei 2014 een "Onherroepelijke volmacht tot verkoop en levering" verstrekt met betrekking tot de woning. In deze volmacht is onder meer het volgende opgenomen:

‘1a. de heer Mr. [curator] (…) ten deze handelend als curator van de heer [tussenkomende partij] (…)

b. mevrouw [eiseres] (…)

hierna, handelend als gemeld, tezamen als ieder van hen afzonderlijk ook te noemen: "de volmachtgever"

(…)

De verschenen personen, handelend als vermeld, geven te kennen:

- de volmachtgever sub a., handelend als gemeld, volledig eigenaar van het volgende registergoed:

(…)

ONHERROEPELIJKE VOLMACHT

De volmachtgever verklaart hierbij (…) een onherroepelijke volmacht te verlenen aan de bank met de macht tot substitutie om de volmachtgever in diens hoedanigheid van eigenaar van het registergoed te vertegenwoordigen en al zijn rechten waar te nemen bij:

  1. het aanwijzen van een verkopend makelaar tegen een marktconforme courtage, het vaststellen van de vraagprijs en koopprijs van het registergoed, op basis van een recent onafhankelijk taxatierapport van een door de bank aangewezen gecertificeerde taxateur, alsmede op advies van de door de bank ingeschakelde verkopend makelaar met dien verstande dat de koopprijs behoudens schriftelijke toestemming van de volmachtgever niet minder mag bedragen dan DRIEHONDERDDUIZEND EURO (€ 300.000,00), zijnde de bovengrens van de opbrengst bij executoriale veiling (…) uit het vorenbedoelde taxatierapport, (…)
    - De bank zal de woning tegen een marktconforme prijs op de markt aanbieden teneinde een zo hoog mogelijke opbrengst te genereren. De overeengekomen ondergrens betreft een minimale verkoopprijs bij gelijkblijvende omstandigheden, zoals hiervoor beschreven.

  2. het vastleggen van andere afspraken (…)

  3. ondertekening van de koopovereenkomst en de akte van levering van het registergoed (…)’

2.7.

Op 1 augustus 2014 is de woning van [tussenkomende partij] door de door bank ingeschakelde makelaar te koop gezet tegen een vraagprijs van € 319.000,00. Naar aanleiding van het bezwaar van [tussenkomende partij] tegen deze vraagprijs is de vraagprijs van de website Funda.nl gehaald. Vervolgens heeft de bank de woning te koop aangeboden waarbij geïnteresseerden via een biedingsprocedure (per inschrijving) een bod op de woning konden uitbrengen.

2.8.

Bij brief van 21 oktober 2014 heeft de advocaat van de Rabobank aan [eiseres] en [tussenkomende partij] meegedeeld dat de woning is verkocht.

2.9.

In de koopovereenkomst, gedateerd 27 oktober 2014, staat als verkoper genoemd: de directeur van de Rabobank Zaanstreek (handelend namens Rabobank) als schriftelijk gevolmachtigde van [tussenkomende partij]. De verkoopprijs van de woning is € 325.000,00. Als uiterste leveringsdatum is vermeld 3 februari 2015. Op dit moment is de woning nog niet geleverd.

2.10.

In een e-mailbericht van 7 november 2014 heeft de verkopend makelaar aan Rabobank geschreven:

‘Na de start met een in de ogen van [tussenkomende partij] te lage vraagprijs is binnen een paar dagen het object uit alle bestanden verwijderd en de woning wederom aangemeld per inschrijving.

Deze actie was zeer succesvol en heeft tot zeer veel bezichtigingen geleid (…)

De grote meerderheid haakte af omdat de woning ernstig achterstallig onderhoud vertoont en dan druk ik mij nog zachtjes uit. Daarnaast is de woning ook nog gedateerd. Uiteindelijk is in overleg met u de woning aan de hoogst biedende verkocht.

(…) We zaten op de goede weg, nu achteraf vinden de heer en mevrouw [tussenkomende partij] de koopsom te laag. Ik ben het daar niet mee eens, m.i. zat er geen hogere koopsom in.’

2.11.

Op 3 december 2014 is op www.rechtspraak.nl gepubliceerd dat het faillissement van [tussenkomende partij] per 28 november 2014 is geëindigd middels het verbindend worden van de uitdelingslijst (vereenvoudigde afwikkeling).

2.12.

De rentelasten van de hypothecaire schuld worden voldaan door [eiseres], van een betalingsachterstand is geen sprake meer.

2.13.

[tussenkomende partij] heeft de woning recentelijk verkocht aan [eiseres] voor een koopprijs van € 330.000,00. De desbetreffende koopovereenkomst is op 11 december 2014 ingeschreven in het kadaster.

3 Het geschil

3.1.

Zowel [tussenkomende partij] als [eiseres] vordert samengevat, na wijziging van eis, dat de voorzieningenrechter Rabobank zal verbieden de verstrekte volmacht ter zake van de woning te gebruiken, zulks op straffe van een aan [eiseres] te verbeuren dwangsom van € 375.000,00, met veroordeling van Rabobank in de proceskosten.

3.2.

[tussenkomende partij] en [eiseres] leggen aan hun vordering in de eerste plaats ten grondslag dat Rabobank bij het sluiten van de koopovereenkomst heeft gehandeld in strijd met de verstrekte volmacht en daarmee onrechtmatig jegens [tussenkomende partij] en [eiseres] heeft gehandeld. Rabobank heeft immers in weerwil van de bepaling in de volmacht waarin staat dat zij gehouden is de woning in de markt te zetten teneinde de hoogst mogelijke verkoopprijs te genereren, de woning aanvankelijk te koop aangeboden voor een veel te lage prijs. De vraagprijs lag € 56.000,00 onder de getaxeerde marktwaarde. Bovendien heeft Rabobank genoemde bepaling in de volmacht geschonden door de woning middels inschrijving aan te bieden terwijl hiertoe geen noodzaak bestond. Zeker gelet op de aanvankelijke veel te lage vraagprijs viel niet te verwachten dat het hoogste bod ruim boven die aanvankelijke vraagprijs zou zijn.

Voorts leggen [tussenkomende partij] en [eiseres] aan hun vordering ten grondslag dat de verstrekte volmacht niet bruikbaar is voor het doel waar Rabobank deze voor wil gebruiken, namelijk het leveren van de woning aan de kopers. In dit verband hebben [tussenkomende partij] en [eiseres] aangevoerd dat nu het faillissement van [tussenkomende partij] is opgeheven, [tussenkomende partij] zelf (weer) het beheer over zijn vermogensrechten kan uitoefenen. Nu [tussenkomende partij] Rabobank geen volmacht heeft gegeven (immers alleen de curator in zijn faillissement heeft dat in diens hoedanigheid gedaan) kan Rabobank niet langer op basis van de verstrekte volmacht handelen en dus de woning niet leveren. Alleen [tussenkomende partij] kan de woning leveren. [tussenkomende partij] is echter niet gehouden om te leveren. Hij is niet gebonden door de volmacht, nu de volmacht slechts zijn vermogen bindt tijdens het faillissement. Daar komt bij dat door opheffing van het faillissement de curator niet langer namens [tussenkomende partij] kan handelen en dus de volmacht zonder meer eindigt door het opheffen van het faillissement.

[tussenkomende partij] en [eiseres] stellen voorts dat de onder 2.9 genoemde koopovereenkomst ongeldig is, nu daarin [tussenkomende partij] als verkoper staat vermeld, terwijl de bank geen volmacht had om namens [tussenkomende partij] te verkopen. De volmacht is verstrekt door [eiseres] en de curator in het faillissement van [tussenkomende partij]. [tussenkomende partij] zelf was, door zijn faillissement, niet bevoegd de woning te verkopen. Gevolg daarvan is dat sprake is van onbevoegde vertegenwoordiging en dat [tussenkomende partij] niet aan de koopovereenkomst is gebonden.

3.3.

Rabobank voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Anders dan Rabobank heeft betoogd, heeft ook [eiseres] - nu zij de woning recent heeft aangekocht - belang bij de door haar ingestelde vordering.

4.2.

Bij de beoordeling van de vorderingen van [eiseres] en [tussenkomende partij] ligt de vraag voor of Rabobank met de door de curator tijdens faillissement verstrekte volmacht ook na beëindiging van het faillissement van [tussenkomende partij] de woning nog rechtsgeldig kan leveren aan derden en/of met die volmacht nog rechtsgeldig andere - het vermogen van [tussenkomende partij] bindende - (rechts)handelingen kan verrichten. In dat kader is met name van belang hoe de verhouding tussen de curator en de gefailleerde moet worden geduid. De voorzieningenrechter overweegt met betrekking daartoe het volgende.

4.3.

Door de faillietverklaring verliest de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn tot het faillissement behorend vermogen (zoals bepaald in artikel 23 Faillissementswet, hierna: Fw). Door de faillietverklaring wordt de schuldenaar niet handelingsonbekwaam, maar hij kan de boedel niet binden. Er is geen sprake van een vorm van overgang van de beschikkings- en beheersbevoegdheid van de schuldenaar op de curator. Ook is geen sprake van een door de schuldenaar verlenen van een volmacht aan de curator tot het uitoefenen van deze bevoegdheden. De curator kan evenmin worden beschouwd als de wettelijk vertegenwoordiger van de gefailleerde. De curator kan immers overeenkomsten sluiten met de gefailleerde en hij oefent soms rechten uit die de gefailleerde zelf niet heeft. Tot slot geldt dat de curator slechts bevoegdheden heeft over de vermogensrechten van de gefailleerde; het faillissement laat de persoon van gefailleerde ongemoeid.

Dit alles brengt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat de curator moet worden beschouwd als een gerechtelijke bewindvoerder met taken en bevoegdheden die hem in diverse wetten en in de rechtspraak (rechtstreeks) zijn toegekend.

4.4.

Ingevolge artikel 68 Fw is de curator belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Dat brengt mee dat door de curator in zijn hoedanigheid uitsluitend (rechts)handelingen (kunnen) worden verricht in dit kader. Wanneer de rechtsgevolgen van dergelijke (rechts)handelingen zich uitstrekken tot de periode na beëindiging van het faillissement, is de gefailleerde - ook na beëindiging van zijn faillissement - aan die (rechts)handelingen gebonden.

4.5.

Volmacht is de bevoegdheid die een volmachtgever verleent aan een ander, de gevolmachtigde, om in zijn naam rechtshandelingen te verrichten (artikel 3:60 BW).

In het onderhavige geval is de volmacht tijdens het faillissement van [tussenkomende partij] door de curator aan Rabobank verstrekt. Rabobank werd daarmee gemachtigd om namens de curator de boedel te binden, in het bijzonder door verkoop en levering van de woning aan derden. Rabobank heeft met deze volmacht echter niet meer bevoegdheden verkregen dan de bevoegdheden die de curator handelend in zijn hoedanigheid zelf zou hebben kunnen uitoefenen. Nu de curator na beëindiging van het faillissement de boedel van [tussenkomende partij] niet meer kan binden, en om die reden de woning (uitgaande van de situatie dat de woning door Rabobank rechtsgeldig namens de curator zou zijn verkocht) niet kan leveren aan derden, kan ook Rabobank dat na afloop van het faillissement niet meer. De door de curator (enkel in diens hoedanigheid van curator) afgegeven volmacht is met de beëindiging van het faillissement uitgewerkt. Dat de volmacht door de curator onherroepelijk is verleend, doet hieraan niet af.

Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat de aanduiding van de curator in de volmacht ("de volmachtgever sub a., handelend als gemeld, volledig eigenaar van het volgende registergoed") onjuist is, gelet op het hiervoor onder 4.3 en 4.4 overwogene. De curator is tijdens het faillissement (bij uitsluiting) bevoegd over de woning te beschikken, maar wordt daarmee geen eigenaar van de woning.

4.6.

Het door [tussenkomende partij] gevorderde verbod zal worden toegewezen.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen, nu gesteld noch gebleken is dat Rabobank zich niet zal houden aan het door de voorzieningenrechter te geven verbod. Daar komt nog bij dat Rabobank feitelijk ook niet in staat zal zijn om te leveren krachtens de volmacht, omdat bij levering (ook) de notaris zal (moeten) vaststellen dat de volmacht is uitgewerkt.

4.7.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige door [tussenkomende partij] aangevoerde gronden geen bespreking. Strikt genomen ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat [tussenkomende partij] zich terecht op het standpunt stelt dat hij niet is gebonden door de door Rabobank (onbevoegd namens hem) gesloten koopovereenkomst. Zolang echter de vordering van Rabobank op [eiseres] en/of [tussenkomende partij] niet geheel is voldaan, noch door hen met Rabobank andere afspraken zijn gemaakt die leiden tot royement van dit hypotheekrecht, behoudt Rabobank haar recht van parate executie en kan zij alsnog tot openbare verkoop van de woning overgaan. Dat in die situatie (rekening houdend met de oplopende executiekosten) een opbrengst zal worden verkregen gelijk aan de voorliggende koopprijs van € 325.000,00 is - gelet op het onder 2.4 aangehaalde taxatierapport - niet te verwachten. Nu een zo hoog mogelijke verkoopopbrengst mede in het belang van [tussenkomende partij] is te achten, zou voor hem hierin een reden gelegen kunnen zijn om - met instemming van [eiseres] - de koopovereenkomst (alsnog) te bekrachtigen en mee te werken aan de levering van de woning aan de in de koopovereenkomst genoemde kopers.

4.8.

Rabobank zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Nu de vorderingen van [eiseres] en [tussenkomende partij] en de grondslagen daarvan gelijkluidend zijn en voor hen beiden dezelfde advocaat optreedt, zal eenmaal een vergoeding voor salaris advocaat worden toegekend. Deze kosten worden aan de zijde van [eiseres] en [tussenkomende partij] tot op heden aldus begroot op:

- dagvaarding € 187,60

- griffierecht 282,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.285,60

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt Rabobank de (onder 2.6 genoemde) door de curator aan haar verstrekte volmacht te gebruiken,

5.2.

veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] en [tussenkomende partij] tot op heden begroot op € 1.285,60,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. A.P. de Klerk op 23 december 2014.1

1 Conc.: 1285