Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12269

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
18-02-2015
Zaaknummer
C-15-202628 - HA ZA 13-188
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen erfgenamen over de auteursrechten van kunstenaar.

Vraag of de auteursrechten bij leven van de kunstenaar zijn ingebracht in de door hem opgerichte vennootschap ten behoeve van de exploitatie van de kunstwerken. De rechtbank legt de bepalingen in de akte van oprichting van de vennootschap uit met inachtneming van de omstandigheden van het concrete geval en concludeert dat de vennootschap auteursrechthebbende is. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien overdracht van auteursrechten niet zou worden aangenomen, ervan uit dient te worden gegaan dat een licentieovereenkomst bestaat. De door eisers gevraagde verklaring voor recht dat de licentieovereenkomst is beëindigd, zou in dat geval voor afwijzing gereed liggen aangezien geen sprake is van een redelijke opzegtermijn en bovendien een aanbod tot passende schadeloosstelling geheel ontbreekt. De tegen de certificaathouder van de vennootschap gerichte uitstotingsvordering ontbeert juridische grondslag. Het beroep op artikel 2:336 BW wordt verworpen. Verder worden de vorderingen tot terugbetaling van de leningen en de achterstallige stamrechtuitkering aan de echtgenote van de kunstenaar toegewezen. De algemene schadevergoedingsvordering wordt afgewezen omdat niet is onderbouwd waaruit de gestelde schade bestaat

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2015-0102

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/202628 / HA ZA 13-188

Vonnis van 24 december 2014

in de zaak van

1 [eiser1],

2. [eiser2],

3. [eiser3],

allen wonende te [adres],

eisers,

advocaat mr. E. Hoekstra,

tegen

1 [gedaagde1],

wonende te [adres],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIC. [gedaagde2] B.V.,

gevestigd te [adres],

3. de stichting

STICHTING ADMINISTRATIEKANTOOR NIC. [gedaagde2] B.V.,

gevestigd te [adres],

4. [gedaagde4],

wonende te [adres],

5. [gedaagde5],

wonende te [adres],

gedaagden,

advocaat mr. G.A. de Wit.

Eisers zullen hierna afzonderlijk respectievelijk [eiser1], [eiser2], [eiser3], en gezamenlijk eisers, genoemd worden. Gedaagden zullen hierna afzonderlijk [gedaagde1], de vennootschap, de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5], en gezamenlijk gedaagden, genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 juni 2013

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 november 2013

  • -

    de doorverwijzing naar mediation

  • -

    het bericht dat de mediation niet tot een oplossing van het geschil heeft geleid

  • -

    de akte na comparitie tevens vermeerdering van eis van 9 april 2014

  • -

    de antwoord akte na comparitie van 14 mei 2014

  • -

    de akte uitlating producties van 23 juli 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[A.] (hierna: [A.]) is een kunstenaar die regionaal, landelijk en internationaal bekendheid geniet. Hij maakte beelden, schilderijen, lithografieën en tekeningen. Hij heeft onder meer een beeldentuin opgericht, die is gevestigd te [adres]. Bij de beeldentuin is thans een museum gevestigd.

2.2.

[A.] was in gemeenschap van goederen gehuwd met [eiser1]. [eiser2], [eiser3] en [gedaagde1] zijn kinderen van [A.] en [eiser1].

2.3.

[eiser1] woont op het adres van de beeldentuin, thans in een appartement op de bovenverdieping van het museum behorende bij de beeldentuin.

2.4.

In 1989 heeft [A.] de [vennootschap gedaagde2] B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht.

In de notariële akte van oprichting van 30 maart 1989 (verder: de akte van oprichting) is onder meer als volgt vermeld:

(…)

Doel

Artikel 2

De vennootschap heeft ten doel het bevorderen van activiteiten op het gebied van de beeldende kunsten, in het bijzonder de beeldhouwkunst, het beheren en exploiteren van kunstwerken, collecties daarvan of musea, alsmede het deelnemen in dergelijke activiteiten, en al hetgeen met het vorenstaande in de ruimste zin verband houdt.

(…)

Tenslotte verklaarde de comparant:

(…)

1.Ter storting op de aandelen zal de oprichter in de vennootschap inbrengen zijn gehele te Schermer gevestigde onderneming, die hij voor eigen rekening drijft (…) omvattende deze inbreng derhalve alle activa van gemelde onderneming onder de verplichting voor de vennootschap alle passiva van die onderneming voor haar rekening te nemen.

(…)

2.Van de sub 1 gemelde activa en passiva zal de oprichter een beschrijving opstellen.

(…)

De beschrijving in de zin der wet van hetgeen wordt ingebracht is thans opgesteld en door de oprichter ondertekend.

(…)

2.5.

Bij separate notariële akte van 30 maart 1989 (verder: de akte van inbreng) is onder meer namens [A.], voor zich privé alsmede in zijn hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap, de volgende verklaring vermeld:

(…)

Bij akte op heden verleden (…) is (…) de vennootschap opgericht.

Ingevolge het in die akte bepaalde omtrent de volstorting van de geplaatste aandelen is de oprichter onder meer verplicht tot inbreng van na te melden activa, waaronder na te melden onroerend goed, (…)

Ter uitvoering van het vorenstaande (…) bij deze in te brengen en in volle eigendom over te dragen aan de vennootschap, (…):

A. het huis met atelier, expositieruimte, erf, schuur en weiland, (…)

B. alle overige activa in bedoelde akte van oprichting omschreven.

(…)

2.6.

Bij stamrechtovereenkomst van 21 april 1989 zijn [A.] en de vennootschap overeengekomen dat de vennootschap bij overlijden van [A.] aan zijn echtgenote een recht toekent op periodieke uitkeringen.

2.7.

Sinds 1990 is [gedaagde1] bestuurder van de vennootschap.

2.8.

In 1992 is de Stichting [Administratiekantoor gedaagde2] B.V. (hierna: de Stak) opgericht teneinde daarin de gecertificeerde aandelen in de vennootschap onder te brengen.

Thans houdt [eiser1] alle van de in totaal 2660 certificaten van gewone aandelen. [gedaagde1] houdt thans 10 prioriteitsaandelen en 2660 certificaten van preferente aandelen.

2.9.

In het testament van 11 mei 1992 van [A.] is onder meer als volgt vermeld:

(…)

LEGAAT

VI. Voor het geval mijn voornoemde echtgenote vóór mij is overleden, gelijktijdig met mij overlijdt of bij vermoeden daarvan, legateer ik, vrij van rechten en kosten en af te geven zo spoedig mogelijk na mijn overlijden aan de te [adres] gevestigde besloten vennootschap [(..) gedaagde2]. B.V.:

De rechten als bedoeld in artikel 25 lid 1 a tot en met d van de Auteurswet 1912.

(…)

2.10.

[A.] heeft ten aanzien van de bronzen beelden vastgelegd in welke aantallen deze konden worden gereproduceerd al dan niet in verkleinde dan wel vergrote vorm.

2.11.

In 1994 is [A.] overleden.

2.12.

Tot 1999 voerden [eiser1] en [gedaagde1] gezamenlijk het bestuur over de Stak. [gedaagde1], [gedaagde5] en [gedaagde4] vormen thans het bestuur van de Stak.

2.13.

Bij akte tot levering van certificaten van 20 december 2001 heeft [eiser1] aan [gedaagde1] verkocht 1.329 certificaten van preferente aandelen in het kapitaal van de vennootschap voor een bedrag van fl 13.290,-. In de akte is onder meer als volgt vermeld:

(…)

Partijen zijn met betrekking tot de betaling van voormelde koopsom een overeenkomst van afstand om baat aangegaan, ter uitvoering waarvan [[eiser1]] ten gunste van [[gedaagde1]] afstand heeft gedaan van haar vorderingsrecht tot betaling van dat bedrag, waartegenover [Zeger] (…) ten titel van geldlening jegens [[eiser1]] (…) schuldig heeft erkend een bedrag in kontanten groot (…) (f 13.290,00) of (…) (€ 6.030,74) welke schuldigerkenning door schuldeiser is aanvaard.

Partijen zijn omtrent deze geldlening het navolgende overeengekomen:

  1. Over voormeld bedrag of het niet uitbetaalde gedeelte daarvan is geen rente verschuldigd.

  2. (…)

  3. Het schuldig erkende bedrag is slechts in zijn geheel en direct opeisbaar zonder voorafgaande ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst, indien zich één van de volgende gevallen voordoet:
    (…)

d. bij niet-nakoming van enige andere verplichting tegenover de schuldeiser.

(…)

2.14.

In de akte van kwijtschelding van 20 december 2001 tussen [eiser1] en [gedaagde1] met betrekking tot de koopsom van € 6.030,74 voor de verkoop van 1.329 certificaten is als volgt vermeld:

(…)

[[eiser1]]bepaalt dat bij deze een gedeelte van de voormelde schuld voortvloeiend uit genoemde overeenkomst tot afstand om baat ter grootte van (…) (f 5.545,00) of … (€ 2.516,21 aan [[gedaagde1]] kwijt te schelden.

(…)

Na voormelde kwijtschelding resteert voor [[gedaagde1]] een schuld ter grootte van (…) (f 7.745,00) of (…) (€ 3.514,53)

(…)

2.15.

Bij akte overdracht auteursrechten d.d. 27 september 2002 heeft [eiser1] alle auteursrechten op de in de akte vermelde gedichtenbundels, waarvan zij de maker is, aan de vennootschap overgedragen. In de akte is voor zover van belang als volgt vermeld:

DE ONDERGETEKENDEN:

  1. (…)“[eiser1]”

  2. de besloten vennootschap met beperkte [aansprakelijkheid gedaagde2] B.V. (…) hierna, ook te noemen “[gedaagde2]”;

NEMEN HET VOLGENDE IN AANMERKING:

(…)

(…)

[gedaagde2] is een besloten vennootschap opgericht door de kunstenaar [A.] teneinde zijn werk te exploiteren en (deels) bijeen te houden c.q. de versnippering daarvan tegen te gaan en/of de publiciteit aangaande dat werk in de ruimste zin van het woord te bevorderen exposities daaronder begrepen.

[eiser1] is maker in de zin van de Auteurswet uit 1912 en daarom enig en uitsluitend auteursrechtshebbende op de gedichten/teksten zoals opgenomen in de hierna vermelde gedichtenbundels:

(…)

  • -

    [eiser1] wenst de auteursrechten over te dragen aan [gedaagde2] alsook aan [gedaagde2] de uitsluitende bevoegdheid toe te kennen om naar het oordeel van [gedaagde2] op passende wijze om te gaan met de aan [eiser1] toekomende persoonlijkheidsrechten, welke overdracht [gedaagde2] wenst te aanvaarden.

  • -

    Deze wens is met name ingegeven om het werk van [eiser1] verbonden te houden met het werk van haar overleden echtgenoot [A.], zulks op een overeenkomstige wijze als bedoeld door [A.] zoals hiervoor in het tweede gedachtestreepje van deze considerans tot uitdrukking gebracht.

  • -

    (…)

2.16.

Na daartoe verkregen verlof bij beschikking van 18 februari 2013 is op verzoek van [eiser1] ter zekerheid voor verhaal van haar vorderingen begroot voor een bedrag van € 7.850,-, ten laste van [gedaagde1] en voor een bedrag van € 208.000,- ten laste van de vennootschap conservatoir derdenbeslag gelegd onder een aantal bankinstellingen. In aanvulling daarop heeft [eiser1] na daartoe verkregen verlof op het verzoekschrift van 10 september 2013 beslag gelegd op onroerende zaken toebehorend aan [gedaagde1] en de vennootschap.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen – samengevat – na vermeerdering van eis, buiten procesrechtelijk bezwaar van gedaagden, als volgt.

I. [eiser1] vordert:

[gedaagde1] te veroordelen alle certificaten die hij houdt in het kapitaal van de vennootschap over te dragen en te leveren aan [eiser1] primair tegen betaling van € 1,-, subsidiair een door de rechtbank te bepalen koopprijs, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- per dag, met bepaling dat [eiser1] gehouden is tot betaling en aanvaarding van de certificaten en tot betaling van de kosten verbonden aan de overdracht,

II. Eisers vorderen, althans [eiser1] vordert:

gedaagden ieder afzonderlijk te bevelen om rekening en verantwoording af te leggen en/of alle gegevens over te leggen met betrekking tot in de dagvaarding ten aanzien van ieder van hen nader genoemde punten, op straffe van een dwangsom van € 10.000,- per dag,

III. Eisers vorderen, althans [eiser1] vordert:

voor recht te verklaren dat [eiser1] houdster is van de auteursrechten op alle door [A.] gemaakte werken en de vennootschap en [gedaagde1] dan wel de vennootschap te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk op de auteursrechten alsmede opgave te doen van informatie over de inbreukmakende zaken, de nog aanwezige voorraad van inbreukmakende zaken aan [eiser1] dan wel een door haar aan te wijzen derde te zenden, op straffe van een dwangsom van € 100.000,- alsmede de met de inbreukmakende zaken behaalde winst af te dragen.

Subsidiair, in geval ervan uit moet worden gegaan dat aan de vennootschap en/of [gedaagde1] een licentie voor de exploitatierechten is verstrekt,

voor recht te verklaren dat de licentieovereenkomst is geeindigd, dan wel zal eindigen op een nader te bepalen datum,

de vennootschap en [gedaagde1] te veroordelen om een royaltyvergoeding van 25% van de gerealiseerde jaaromzetten af te dragen,

IV. [eiser1] vordert:

[gedaagde1] te veroordelen een bedrag van € 6.030,74 voor de koopprijs van de certificaten te betalen, alsmede de bedragen die [gedaagde1] van de privérekening van [eiser1] naar zijn privérekening heeft laten overboeken,

de vennootschap te veroordelen te betalen de bedragen die [gedaagde1] van de privérekening van [eiser1] naar de rekening van de vennootschap heeft laten overboeken, alsmede een bedrag van € 150.000,- terzake de lening en een bedrag van € 3.834,30 per 3 maanden ter zake het stamrecht,

Eisers vorderen:

elk van gedaagden afzonderlijk te veroordelen om aan eisers dan wel aan [eiser1] te betalen de door hen/haar geleden schade, nader op te maken bij staat,

V. Eisers vorderen:

[gedaagde1] en de vennootschap te veroordelen tot vergoeding van de kosten van conservatoir beslag, alsmede gedaagden te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 2.775,- alsmede de kosten van de procedure voor zover van toepassing op grond van artikel 1019h Rv waaronder begrepen de nakosten, en de wettelijke rente,

3.2.

Eisers leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat [gedaagde1], [gedaagde5] en [gedaagde4] met hun gedragingen de belangen van [eiser1] ernstig geweld aan doen. Zij hebben misbruik gemaakt van de gegeven omstandigheden en [eiser1] misleid. Eisers stellen dat [gedaagde1], [gedaagde5] en [gedaagde4] de macht binnen de vennootschap en de Stak naar zich toe hebben getrokken, terwijl dat nooit de bedoeling is geweest van [A.]. Op grond daarvan zijn gedaagden schadeplichtig, aldus de stelling van eisers.

3.3.

Gedaagden voeren verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Blijkens de toelichting in de dagvaarding en de overgelegde volmacht zijn [eiser2] en [eiser3] door [eiser1] gemachtigd om haar te vertegenwoordigen, zodat zij primair als gevolmachtigden van [eiser1] optreden. Daarnaast stellen eisers dat [eiser2] en [eiser3] ook rechtstreeks belang hebben bij (een deel van de) vorderingen omdat zij erfgenamen van [A.] zijn en toekomstig erfgenamen van [eiser1].

De rechtbank stelt vast dat [eiser2] en [eiser3] geen eigen vorderingsrechten hebben.

4.2.

De vorderingen zoals onder 3.1 weergegeven zullen hierna afzonderlijk worden besproken.

I. Uitstoting

4.3.

Blijkens de stellingen van eisers beoogt [eiser1] met het onder I gevorderde een zogenoemde uitstotingsvordering in te stellen tegen [gedaagde1] als certificaathouder. Daaraan leggen zij ten grondslag dat [gedaagde1] door zijn gedragingen het belang van de vennootschap zodanig schaadt en heeft geschaad dat het voortduren van zijn certificaathouderschap in alle redelijkheid niet langer gevergd kan worden. Daartoe voeren eisers aan dat [gedaagde1], met [gedaagde5] en [gedaagde4] en met behulp van een bevriende notaris, en met misbruik van omstandigheden, althans misleiding van [eiser1], een zodanige constructie hebben weten op te tuigen dat het belangrijkste deel van de certificaten van [eiser1] in handen is gekomen van [gedaagde1]. Een constructie die, aldus eisers, in strijd is met de opzet en bedoeling die [A.] heeft gehad bij de oprichting van de Stak en de uitgifte van alle aandelen aan [eiser1]. Eisers beroepen zich op de wettelijke geschillenregeling en de vordering tot overdracht van aandelen, zoals bepaald in artikel 2:336 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Eisers betogen dat de wettelijke geschillenregeling niet alleen van toepassing is als de besluitvorming in het geding is, maar eveneens ten dienste kan staan van certificaathouders in onderling verband in gevallen als de onderhavige. Daarbij wijzen zij op jurisprudentie waarbij een uitstotingsvordering is toegewezen op andere grond dan waarvoor de wettelijke regeling is bedoeld, namelijk op grond van concurrerend gedrag.

4.4.

Gedaagden voeren verweer en betwisten dat sprake is van misleiding of misbruik van omstandigheden. Gedaagden voeren aan dat geen sprake is geweest van een discrepantie tussen wil en verklaring van [eiser1] bij de totstandkoming en het verlijden van de notariële akten waarbij [eiser1] certificaten aan [gedaagde1] heeft overgedragen. Volgens gedaagden heeft de herstructurering plaatsgevonden in het belang van [eiser1].

4.5.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de vordering van artikel 2:336 BW kan worden ingesteld door een of meer aandeelhouders die alleen of gezamenlijk ten minste een derde van het geplaatste kapitaal verschaffen. Certificaathouders kunnen de vordering niet zelf instellen omdat zij geen aandelen in de vennootschap houden. De verwijzing van eisers naar artikel 2:359a lid 2 BW waarin een certificaat van aandeel gelijkgesteld wordt met een aandeel en een certificaathouder gelijkgesteld wordt met een aandeelhouder, kan hen niet baten, omdat die bepaling geldt voor afdeling 3 van titel 8 van boek 2 van het wetboek, terwijl artikel 2:336 BW is geplaatst in afdeling 1 van titel 8 van boek 2.

Voorts kan het betoog van eisers dat een andere procedure tot het door eisers gewenste resultaat kan leiden, via een decertificeringsprocedure, ontbinding van de Stak en verkoop van het kapitaal, niet ertoe leiden dat de vordering in onderhavige procedure op voorhand kan worden toegestaan. Bij gebreke van een juridische grondslag zullen de vorderingen van eisers, zoals geformuleerd onder I in de dagvaarding, dan ook worden afgewezen.

II Rekening en verantwoording

4.6.

Eisers stellen dat er sprake is van een vermogensrechtelijke verhouding waarin een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording bestaat, mede onder verwijzing naar artikel 6:248 lid 1 BW, artikel 3:15j onder a BW, artikel 22 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en artikel 843a Rv, alsmede de financiële verantwoordingsplicht in de statuten van de Stak.

4.7.

Gedaagden voeren verweer onder meer aanvoerend dat tijdens de certificaathoudersvergaderingen jaarlijks rekening en verantwoording is en wordt afgelegd. Gedaagden voeren aan dat van de zijde van de vennootschap en de Stak al meer informatie is verschaft dan waartoe zij verplicht zijn en wijzen erop dat zij bij brief van 25 september 2012 eisers hebben laten weten dat inzage in de administratie kan worden verkregen.

4.8.

De stelling van eisers dat jarenlang zeer veel transacties hebben plaatsgevonden vanuit, dan wel via de vennootschap of de Stak waarbij [gedaagde1] en/of [gedaagde4] en/of [gedaagde5] ernstig zijn bevoordeeld en de vennootschap dan wel de Stak, en dus [eiser1] en de kinderen [gedaagde2], juist zijn benadeeld om reden waarvan eisers graag in de boeken willen kijken, is onvoldoende om tot toewijzing van deze vorderingen te leiden. Dat gedaagden, aldus eisers, categorisch inzage in en terbeschikkingstelling van de gevraagde gegevens weigeren, – voor zover dat al juist zou zijn – maakt dat niet anders. Dat aan de verplichtingen van gedaagden tot het afleggen van rekening en verantwoording niet is voldaan, is door eisers onvoldoende onderbouwd. De vorderingen van eisers, zoals geformuleerd in de dagvaarding onder II, zullen worden afgewezen.

III Auteursrechten

4.9.

Eisers leggen aan hun vordering uit hoofde van het auteursrecht ten grondslag dat de kunstwerken van [A.] hebben te gelden als werken die voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen alsmede dat aan [A.] als maker van de betreffende werken de auteursrechten op die werken (verder: de auteursrechten) toekwamen. Bij overlijden van [A.] zijn de auteursrechten krachtens erfopvolging overgegaan naar [eiser1], aldus de stelling van eisers. Ter onderbouwing hebben eisers als productie E57 twee testamenten van [A.] overgelegd. Eisers stellen dat [eiser1] als erfgenaam feitelijk enig rechthebbende is van de intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot de beeldentuin en meer in het bijzonder het auteursrecht op de door [A.] gemaakte kunstwerken. Zij stellen dat de vennootschap en [gedaagde1] al jaren zonder toestemming van [eiser1] de kunstwerken openbaar maken en verveelvoudigen en derhalve inbreuk maken op de auteursrechten van [eiser1].

4.10.

Gedaagden betwisten dat [eiser1] als auteursrechthebbende moet worden aangemerkt. Ten verwere voeren zij aan dat bij gelegenheid van de oprichting van de vennootschap de auteursrechten van [A.] zijn ingebracht in de vennootschap.

Daartoe beroepen gedaagden zich op de oprichtingsakte van de vennootschap en de akte van inbreng. Gedaagden doen daarbij een beroep op het Haviltex-criterium, aanvoerend dat uit de omschrijving van het doel van vennootschap, de omstandigheid dat de gehele onderneming daarin is ingebracht en dat nooit een licentievergoeding is betaald, volgt dat de inbreng mede de auteursrechten omvat. Gedaagden voeren voorts aan dat in ieder geval de exploitatierechten van nagekomen werken rechtstreeks aan de vennootschap toekomen, omdat [A.] bij leven de exploitatie daarvan heeft laten verlopen via de vennootschap.

4.11.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat op de kunstwerken van [A.] auteursrechten rusten. Evenmin is tussen partijen in geschil dat die auteursrechten bij leven van [A.] en voorafgaand aan de oprichting van de vennootschap bij [A.] rustten. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of de auteursrechten bij de oprichting van de vennootschap in de vennootschap zijn ingebracht, dan wel dat de auteursrechten bij [A.] zijn gebleven en na zijn overlijden krachtens erfopvolging zijn overgegaan op [eiser1].

4.12.

Voor overdracht van auteursrechten is ingevolge artikel 2 lid 2 Auteurswet (hierna: Aw) een daartoe bestemde akte vereist. Nu gedaagden zich op het standpunt stellen dat sprake is van overdracht van de auteursrechten aan hen, ligt de bewijslast van het bestaan van een akte van overdracht bij gedaagden. Gedaagden beroepen zich in dat kader onder meer op de oprichtingsakte van de vennootschap. In de oprichtingsakte, zoals vermeld onder 2.4, is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] zijn “gehele” onderneming zal inbrengen, omvattende “alle activa” van gemelde onderneming. In de akte van inbreng, zoals vermeld onder 2.5., is voor zover hier van belang, vermeld dat [A.] het huis met atelier, expositieruimte, erf schuur en weiland en “alle overige activa” omschreven in de akte van oprichting inbrengt en in volle eigendom overdraagt aan de vennootschap.

4.13.

De taalkundige uitleg van de aktes wijst er op dat alles is overgedragen, zonder daarbij een uitzondering te maken voor de auteursrechten. Dat in de akte van oprichting is vermeld dat de oprichter, zijnde [A.], een beschrijving van die activa zal opstellen en dat aan het slot van de akte is vermeld dat die beschrijving is opgesteld en door de oprichter ondertekend, brengt daarin geen verandering. Het is een feit van algemene bekendheid dat dergelijke beschrijvingen veelal zijn bedoeld om de waarde van de inbreng bij de oprichting van de rechtspersoon te bepalen. Dat de betreffende beschrijving in onderhavige procedure niet is overgelegd, leidt er hoe dan ook slechts toe dat niet is komen vast te staan dat de auteursrechten van de overdracht zijn uitgezonderd.

4.14.

De uitleg van de bepalingen in de akte kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg. Bij de uitleg komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij wat dat betreft redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Voorts zijn bij de uitleg van beslissende betekenis alle omstandigheden van het concrete geval, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid en billijkheid meebrengen.

De door gedaagden aangevoerde omstandigheden, te weten het doel van de vennootschap, dat de vennootschap van 1989 tot op heden het gehele artistieke erfgoed van [A.] heeft beheerd en geëxploiteerd en dat daarvoor nooit royalty’s zijn afgedragen, dragen bij aan de uitleg dat [A.] en de vennootschap hebben bedoeld de auteursrechten aan de vennootschap over te dragen en dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Voorts vindt de rechtbank steun voor deze uitleg in het onder 2.9 vermelde testament van [A.] waaruit de bedoeling blijkt van [A.] om bij vooroverlijden van [eiser1] de in artikel 25 lid 1 a tot en met d Aw bedoelde persoonlijkheidsrechten aan de vennootschap te legateren. Daaruit valt op te maken dat [A.] op dat moment ervan uitging dat de exploitatierechten van [A.] (door inbreng in de vennootschap) inmiddels reeds bij de vennootschap lagen, omdat anderszins niet valt in te zien waarom de hem toekomende persoonlijkheidsrechten wél en de exploitatierechten niet aan de vennootschap dienden te worden overgedragen. Dit strookt tevens met door gedaagden uiteengezette bedoeling van [A.] om versnippering tegen te gaan, welke bedoeling ook blijkt uit de hiervoor onder 2.15 genoemde akte van overdracht van auteursrechten van [eiser1] zelf aan de vennootschap.

4.15.

De conclusie van het voorgaande luidt dat de auteursrechten van [A.] bij akte van inbreng in de vennootschap zijn ingebracht, zodat de vennootschap auteursrechthebbende is.

4.16.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de vennootschap zich in een eerdere procedure op het standpunt heeft gesteld dat de auteursrechten bij [eiser1] liggen. Gedaagden hebben door overlegging van een brief van hun advocaat (productie G60) onderbouwd dat zij dit standpunt indertijd slechts gemakshalve hebben ingenomen. Daarbij komt dat, de enkele inname van een standpunt onvoldoende is om de overdracht van de auteursrechten aan de vennootschap ongedaan te maken. Daarvoor zou immers weer een akte van overdracht nodig zijn geweest.

4.17.

Gelet op het hiervoor overwogene zal de gevorderde verklaring voor recht dat het auteursrecht op alle door [A.] gemaakte werken aan [eiser1] toekomt worden afgewezen. Van inbreuk op auteursrechten door de vennootschap is gelet op het voorgaande ook geen sprake. De vordering om de vennootschap en [gedaagde1] te veroordelen zich te onthouden van iedere inbreuk, alsmede de daarmee samenhangende nevenvorderingen strekkende tot verschaffen van informatie omtrent inbreuk en afgifte van inbreukmakende zaken en daarmee behaalde winst, zullen eveneens worden afgewezen.

4.18.

Ten overvloede merkt de rechtbank het volgende op. Zelfs indien er vanuit zou worden gegaan dat de auteursrechten niet in de vennootschap zouden zijn ingebracht, zou dat niet leiden tot het oordeel dat de vennootschap zich schuldig maakt aan auteursrechtinbreuk. Daartoe is het volgende redengevend. Partijen zijn het erover eens dat er in dat geval van uit moet worden gegaan dat de auteursrechten vanaf 1989 zijn blijven berusten bij [A.] en na zijn overlijden bij [eiser1]. Gedaagden voeren aan dat in dat geval uit het feit dat zij de auteursrechten altijd heeft mogen exploiteren blijkt dat aan de vennootschap een ongeschreven licentie is verstrekt voor de exploitatie van de auteursrechten. Uit het onder III. subsidiair gevorderde en de toelichting in de akte vermeerdering van eis leidt de rechtbank af dat eisers het bestaan van een licentieovereenkomst niet bestrijden, maar beëindiging van de licentieovereenkomst beogen. De rechtbank zou er, indien de overdracht van de auteursrechten niet zou worden aangenomen, derhalve van uit gaan dat er een licentieovereenkomst bestaat. Dat betekent dat er geen sprake zou zijn van inbreuk op de auteursrechten door de vennootschap.

4.19.

Ten overvloede merkt de rechtbank voorts het volgende op. Eisers stellen dat sprake is van een duurovereenkomst die opzegbaar is en dat [eiser1] recht en belang heeft om deze licentie te beëindigen en zeggen de licentieovereenkomst bij de op 9 april 2014 overgelegde akte na comparitie op, uiterst subsidiair tegen een opzegtermijn van 6 maanden. Tevens maakt [eiser1] met terugwerkende kracht aanspraak op een redelijke royaltyvergoeding van 25% van de gerealiseerde jaaromzetten.

4.20.

Gedaagden voeren ten verwere aan dat de vennootschap, indien deze niet auteursrechthebbende is maar een licentie heeft, volledig afhankelijk is van de voortzetting van de licentieovereenkomst en dat om die reden de licentieovereenkomst niet opzegbaar is, althans slechts voor zover een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Daarnaast voeren gedaagden aan dat opzegging leidt tot de onwenselijke situatie dat de kunstwerken van [A.] niet meer worden geëxploiteerd, het museum en de beeldentuin en het atelier zeer waarschijnlijk verloren zullen gaan. Gedaagden betogen dat een opzegtermijn van 6 maanden dan ook irreëel is en dat voorts gelet op de consequenties een schadevergoeding op zijn plaats is, die voorlopig wordt begroot op € 2.000.000,-. Voorts betwisten gedaagden dat zij vergoedingen verschuldigd zijn. Daartoe voeren zij aan dat nimmer winstafdracht of betaling van royalty’s is overeengekomen. Tot slot beroepen gedaagden zich op verjaring ingevolge artikel 3:310 BW, daartoe aanvoerend dat [A.] en later [eiser1] nooit winstafdracht hebben gevorderd in de afgelopen 24 jaar.

4.21.

De rechtbank overweegt hieromtrent, ten overvloede, als volgt. Zo sprake zou zijn van een licentieovereenkomst, dan kwalificeert deze als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd. In beginsel is een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar. De eisen van redelijkheid en billijkheid tezamen met de inhoud en aard van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval kunnen bepalen dat opzegging slechts mogelijk is in geval van een zwaarwegende grond, na een opzegtermijn of na betaling van schadevergoeding. Mede in het licht van hetgeen gedaagden ten verwere op dit punt hebben aangevoerd is het belang van [eiser1] bij opzegging onvoldoende onderbouwd en blijkt dat belang ook overigens niet uit het dossier. Nu voorts geen sprake is van een redelijke opzegtermijn en bovendien een aanbod tot passende schadeloosstelling geheel ontbreekt, zou een verklaring voor recht betreffende de beëindiging van de licentieovereenkomst, zo het bestaan daarvan zou worden aangenomen, voor afwijzing gereed liggen.

4.22.

Ten aanzien van de gevorderde royaltyvergoeding geldt het volgende. Onweersproken is gesteld dat [A.] en [eiser1] nooit enige royaltyvergoeding hebben bedongen bij de vennootschap. Derhalve bestaat geen grond voor een vordering wegens achterstallige royalty’s.

4.23.

Nog afgezien van de constatering dat jegens [gedaagde4] geen vordering strekkende tot betaling van een auteursrechtelijke vergoeding is geformuleerd, zijn de gestelde auteursrechtelijke vergoedingsplichten van [gedaagde1] en [gedaagde4] in privé mede gelet op de betwisting onvoldoende onderbouwd. Het gestelde kan derhalve niet leiden tot toewijzing van betaling van auteursrechtelijke vergoedingen.

IV Overige vergoedingsrechten

4.24.

Eisers stellen dat [eiser1] opeisbare vorderingen heeft op [gedaagde1] in verband met de betaling van de koopprijs van een deel van de certificaten van NLG 13.290,- (€ 6.030,74), alsmede (hoofdelijk) op [gedaagde1] en de vennootschap uit hoofde van de verstrekte geldlening van € 150.000,- en in verband met betalingen die [gedaagde1] heeft geboekt van de privérekening van [eiser1] naar zijn eigen rekening en de rekening van de vennootschap, en voorts op de vennootschap in verband met de aanspraken op stamrechtuitkeringen. Aan de vorderingen tot betaling van schadevergoeding door gedaagden leggen eisers ten grondslag nakoming, ingevolge artikel 3:296 BW en 3:74 [de rechtbank begrijpt 6:74] e.v. BW ingeval van een bestaande contractuele verplichting, alsmede onrechtmatige daad en de vennootschappelijke normen van de artikelen 2:8 en 2:9 BW. Voorts stellen eisers dat [gedaagde1] ongerechtvaardigd is verrijkt ten gevolge van bepaalde transacties en dat instandhouding daarvan in strijd is met de redelijkheid en billijkheid ex artikel 6:2 BW.

4.25.

Gedaagden betwisten de vorderingen van eisers, onder meer aanvoerend dat bij gebreke van een feitelijke en juridische grondslag de vorderingen niet toewijsbaar zijn.

Koopprijs certificaten

4.26.

Blijkens de akte tot levering van certificaten van 20 december 2001 heeft [eiser1] 1.329 certificaten van preferente aandelen in het kapitaal van de vennootschap verkocht aan [gedaagde1] voor een koopsom van fl. 13.290,-. Partijen zijn met betrekking tot de betaling van de koopsom een overeenkomst van geldlening aangegaan. Uit de akte van kwijtschelding, zoals hiervoor vermeld onder 2.14, volgt dat de schuld voor een bedrag van € 2.516,21 is kwijtgescholden en dat daarna een schuld resteert van € 3.514,53. Gedaagden voeren weliswaar aan dat aan alle verplichtingen is voldaan, maar bij gebreke van nadere stukken is niet gebleken dat deze schuld inmiddels is voldaan. Ervan uitgaande dat de schuld terstond opeisbaar is, zal de vordering tot betaling van het resterende bedrag van € 3.514,53 worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen met ingang van de dag der dagvaarding nu een eerdere verzuimdatum is gesteld noch gebleken.

Betalingen van de privérekening van [eiser1]

4.27.

Eisers hebben ten aanzien van dit deel hun vordering onvoldoende onderbouwd. Overlegging van een aantal bankafschriften waaruit blijkt dat vanaf de bankrekening van [eiser1] betalingen zijn verricht naar de bankrekening van de vennootschap en [gedaagde1] en diens vrouw in privé, is daartoe onvoldoende. Dat geldt te meer nu gedaagden onweersproken hebben gesteld dat [eiser1] zelf weleens, door gebruikmaking van overschrijvingsformulieren, bedragen naar de vennootschap en [gedaagde1] overmaakte. Deze vordering zal worden afgewezen.

Lening van € 150.000,- van [eiser1] aan de vennootschap

4.28.

Gedaagden betwisten de stelling van eisers dat deze lening opeisbaar is. Daartoe voeren zij aan dat de lening zijn oorsprong vindt in de oprichting, meer in het bijzonder door de inbreng van de onderneming boven de nominale waarde van de aandelen. Gedaagden voeren ten verwere aan dat de lening sinds 1989 bestaat en dat deze als achtergestelde lening dient te worden gekwalificeerd.

4.29.

Vast staat dat dit deel van de vordering betrekking heeft op een lening van [eiser1] aan de vennootschap. Dat sprake is van een achtergestelde lening is niet gebleken. De enkele omstandigheid dat feitelijk nooit is ingevorderd is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een achtergestelde lening. Aangezien gedaagden verder niets hebben aangevoerd tegen deze vordering, luidt de conclusie dat de lening opeisbaar is en dat, nu [eiser1] de terugbetaling opeist, de vordering met de gevorderde wettelijke rente met ingang van de dag der dagvaarding zal worden toegewezen.

Stamrechtuitkering

4.30.

Eisers leggen aan deze vordering ten grondslag de stamrechtovereenkomst waaruit een recht op periodieke uitkering volgt. Op grond daarvan dient per kwartaal bij vooruitbetaling een bedrag van € 3.834,30 aan [eiser1] te worden uitgekeerd. Eisers stellen dat [eiser1] sinds december 2012 geen uitkering meer heeft ontvangen.

4.31.

Gedaagden erkennen dat door de vennootschap maandelijks stamrecht aan [eiser1] dient te worden uitgekeerd. Ten verwere tegen de vordering voeren gedaagden aan dat de vennootschap een aantal maal niet in staat is geweest uit te keren, als gevolg van de economische crisis, die, aldus gedaagden, ook de kunstwereld hard raakt, alsmede als gevolg van teruglopende verkopen en bezoeken. Gedaagden hebben toegezegd de achterstand zo snel mogelijk in te lopen.

4.32.

Gelet op de onbetwiste inhoud van de stamrechtovereenkomst en de erkenning dat sprake is van een achterstand kan de vordering ten aanzien van de vennootschap worden toegewezen, ook voor de toekomstige uitkeringen voor zover die nog niet zijn betaald.

Algemene schadevergoedingsvordering

4.33.

Eisers hebben ten aanzien van deze vordering onvoldoende aan hun stelplicht voldaan. De enkele stelling dat schade is geleden, zonder onderbouwing waaruit die schade bestaat, is volstrekt onvoldoende. Deze vordering zal worden afgewezen.

V Algemeen

Beslagkosten

4.34.

Het gelegde beslag is mede gelet op het hiervoor overwogene niet aan te merken als nietig, onnodig of onrechtmatig, zodat de kosten voor de gelegde beslagen ingevolge artikel 706 Rv voor vergoeding in aanmerking komen. Blijkens de overgelegde stukken gaat het om een totaalbedrag van € 2.171,90 aan deurwaarderskosten. Voor het salaris van de advocaat voor de beide beslagrekesten zal 2 punten van het toepasselijk liquidatietarief, totaal € 904,00, worden toegekend, alsmede een totaal van € 548,- aan griffierecht.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.35.

Eisers vorderen betaling van een bedrag van € 2.775,-, althans een door de rechtbank vast te stellen bedrag, aan buitengerechtelijke incassokosten.

De rechtbank stelt vast dat voor de hierna toe te wijzen vorderingen het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is, nu het verzuim ten aanzien van die vorderingen na 1 juli 2012 is ingetreden.

De gevorderde vergoeding komt jegens [gedaagde1] echter niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat een aanmaning conform de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden. De brief van mr. Hoekstra aan [gedaagde1] van 12 juli 2013 (productie E46) voldoet daar niet aan. De gevorderde vergoeding komt jegens de vennootschap niet voor toewijzing in aanmerking, nu gesteld noch gebleken is dat werkzaamheden zijn verricht ter incasso van de hierna toe te wijzen vorderingen. De vordering tot betaling van een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten is dan ook niet toewijsbaar

Proceskosten

4.36.

Gelet op de familierechtelijke betrekking tussen eisers en [gedaagde1] ziet de rechtbank aanleiding om de proceskosten tussen eisers enerzijds en [gedaagde1] anderzijds te compenseren in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Aangezien ten aanzien van de vorderingen van eisers gericht tegen de vennootschap beide partijen als over en weer in het ongelijk gesteld zijn te beschouwen, zullen de proceskosten tussen deze partijen eveneens worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten draagt. Gelet op het in het voorgaande overwogene zullen de vorderingen voor zover gericht tegen de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] worden afgewezen. Dat leidt ertoe dat eisers in de kosten van de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] voor deze procedure zullen worden veroordeeld. Aangezien de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5] bij dezelfde advocaat zijn verschenen als de overige gedaagden, worden deze kosten begroot op nihil.

Uitvoerbaarheid bij voorraad verklaring

4.37.

Eisers hebben verzocht het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Gedaagden hebben verzocht om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Zij voeren daartoe aan dat executie van een toewijzend vonnis onder meer ten gevolge zal hebben dat de vennootschap failleert, hetgeen ook niet in het belang van eisers is.

4.38.

Als uitgangspunt voor de beoordeling van uitvoerbaarverklaring bij voorraad heeft te gelden dat de belangen van partijen moeten worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Daarbij moet worden nagegaan of op grond van die omstandigheden, bijvoorbeeld in verband met de spoedeisendheid van het voldoen aan de veroordeling, het belang van degene die de veroordeling verkrijgt, zwaarder weegt dan dat van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel dient daarbij in de regel buiten beschouwing te blijven. Daarbij geldt bovendien dat degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, wordt vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Mogelijk ingrijpende gevolgen van de executie, die moeilijk ongedaan gemaakt kunnen worden, kunnen op zichzelf niet in de weg staan aan uitvoerbaarverklaring bij voorraad, maar dienen meegewogen te worden.

Met inachtneming van het hiervoor overwogene is de rechtbank van oordeel dat het belang van [eiser1] bij betaling zwaarder weegt dan het belang van gedaagden bij het schorsen van executie van het vonnis hangende een eventueel in te stellen hoger beroep. Daarbij komt betekenis toe aan de vergevorderde leeftijd van [eiser1]. De omstandigheid dat de vennootschap mogelijk zal failleren legt daarbij onvoldoende gewicht in de schaal.

Tot slot

4.39.

Een van de rechters van de meervoudige kamer, ten overstaan van wie de comparitie is gehouden, heeft dit vonnis niet mede kunnen wijzen in verband met zijn tijdelijk verblijf in het buitenland in het kader van de Rule of Law Mission van de Europese Unie.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde1] om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 3.514,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening,

5.2.

veroordeelt de vennootschap om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 150.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 maart 2013 tot de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt de vennootschap om aan [eiser1] te betalen een bedrag van € 3.834,30 per 3 maanden vanaf 1 januari 2013, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente telkens vanaf de dag na de overeengekomen datum van betaling,

5.4.

veroordeelt [gedaagde1] en de vennootschap in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 3.623,90,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1, 5.2, 5.3 en 5.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

compenseert de proceskosten in die zin dat eisers, [gedaagde1] en de vennootschap ieder de eigen kosten dragen,

5.7.

veroordeelt eisers in de proceskosten van de Stak, [gedaagde4] en [gedaagde5], begroot op nihil,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, mr. J.I. de Vreese-Rood en mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.1

1 Conc.: 802