Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12091

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-12-2014
Datum publicatie
16-01-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1373
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres verleent AWBZ-zorg in natura. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet bevoegd tot herziening van de afgegeven VAR WUO-beschikkingen. Verweerder heeft niet aannemelijk

gemaakt dat de feiten en omstandigheden afwijken van de door eiseres op het aanvraagforrmulier VAR gepresenteerde feiten en omstandigheden.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/110
V-N 2015/13.3.1
FutD 2015-0198
NTFR 2015/910 met annotatie van Daal
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummers: HAA 14/1373 en 14/1391

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 december 2014 in de zaken tussen

[X], wonende te [Z], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 15 oktober 2013 heeft verweerder de eerder aan eiseres afgegeven beschikking verklaring arbeidsrelatie winst uit onderneming (hierna: var wuo) voor het jaar 2013 herzien in een beschikking verklaring arbeidsrelatie loon uit dienstbetrekking (hierna: var loon).

(HAA 14/1373)

Met dagtekening 31 oktober 2013 heeft verweerder de eerder aan eiseres afgegeven var wuo voor het jaar 2014 herzien in een var loon.

(HAA 14/1391)

Het tegen de herzieningen gerichte bezwaar heeft verweerder bij afzonderlijke uitspraken afgewezen.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2014 te Haarlem. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot [A]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Bijmolt en Y. Jans.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is werkzaam als verpleegkundige. Ze is als zorgverlener geregistreerd in het BIG-register. Eiseres is voorts ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Daarbij heeft zij haar activiteiten geregistreerd als praktijk voor thuiszorg. De door eiseres als zodanig verrichte werkzaamheden betreffen vooral zogenoemde AWBZ-zorg in natura. Daarnaast verleent zij zorg aan haar echtgenoot.

2. Eiseres maakt voor de werkzaamheden bestaande uit het verlenen van AWBZ-zorg in natura onder meer gebruik van bemiddelingsbureau [B] B.V. (hierna: [B]), een AWBZ-toegelaten zorginstelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen. [B] bemiddelt tussen zorgvragers en zorgverleners. Na bemiddeling door [B] heeft eiseres in 2013 en 2014 gewerkt voor het hospice ‘[C]’. Eiseres dient periodiek declaraties in bij [B]. Eiseres brengt haar uren in rekening bij[D], onderdeel van de [B]-groep, onder aftrek van een factuur van [B] voor de zorgbemiddeling.

3. Tot de gedingstukken behoort een overeenkomst tussen eiseres en [E] (hierna: [E]), getekend op 23 januari 2012, met als opschrift ‘Overeenkomst van Zorgbemiddeling’. [E] is een AWBZ-toegelaten zorginstelling in de zin van de Wet toelating zorginstellingen. Eiseres heeft met tussenkomst van [E] aan diverse zorgvragers zorg verleend.

4. Tot de gedingstukken behoort voorts een factuur afkomstig van [F] B.V. (hierna: [F]). [F] is gelieerd aan [G] B.V., die een AWBZ-toegelaten zorginstelling is in de zin van de Wet toelating zorginstellingen. In de betreffende factuur wordt een vergoeding gedeclareerd in verband met verleende zorg in de maand november 2013. Onderaan de factuur is vermeld dat het gedeclareerde bedrag aan de hulpverlener dient te worden overgemaakt, onder vermelding van onder meer de naam van eiseres en haar bankrekeningnummer. Eiseres heeft met tussenkomst van [G] B.V. aan diverse zorgvragers zorg verleend.

5. Tot de gedingstukken behoort ook een “Zorgovereenkomst met een partner of familielid” (model van de Sociale Verzekeringsbank in het kader van PGB-vergoeding) met de echtgenoot van eiseres als budgethouder en eiseres als zorgverlener.

6. Eiseres is een aantal malen niet in de gelegenheid geweest haar werkzaamheden te verrichten, in verband waarmee zij voor vervanging heeft gezorgd.

7. In 2009 heeft eiseres bij verweerder voor haar werkzaamheden als verpleegkundige een aanvraag var wuo voor het jaar 2010 ingediend. In het aanvraagformulier heeft eiseres onder meer het volgende verklaard:

over de werkzaamheden:

- dat het gaat om werkzaamheden als verpleegkundige in de thuiszorg;

- dat de werkzaamheden eerder zijn beoordeeld als winst;

- dat eiseres de arbeidsrelatie kwalificeert als ondernemerschap;

- dat zij verwacht tussen de 200 en 700 uur en meer dan 700 uur aan de werkzaamheden te besteden voor drie tot zeven opdrachtgevers;

- dat de werkzaamheden meestal niet zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders uitgevoerd mogen worden;

- dat het risico bij slecht presteren voor haar is;

- dat dezelfde werkzaamheden niet door werknemers in loondienst worden verricht;

- dat de werkzaamheden niet via een bemiddelaar of een detacherings- of uitzendbureau worden verricht;

over de inkomsten:

- dat de geschatte inkomsten tussen de € 10.000 en € 25.000 bedragen;

- dat daarop geen loonheffing wordt ingehouden;

- dat zij bij ziekte of vakantie niet wordt doorbetaald;

- dat zij niet verplicht is aanwijzingen op te volgen;

- dat zij niet verwacht de inkomsten hoofdzakelijk bij één opdrachtgever te verwerven;

over de werkwijze:

- dat zij facturen stuurt voor haar werkzaamheden;

- dat zij geen reclame maakt;

- dat zij niet is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

- dat zij geen personeel heeft;

- dat zij niet meer dan € 2.500 investeert;

- dat zij de werkzaamheden op locatie verricht;

- dat zij beschikt over de noodzakelijke vergunningen;

- dat zij een boekhouding bijhoudt.

8. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag voor het jaar 2010 een var wuo afgegeven. Voor de jaren 2011 en 2012 is steeds een var wuo afgegeven via automatische continuering.

9. Voor de jaren 2013 en 2014 heeft verweerder met respectievelijke dagtekening 3 september 2012 en 2 september 2013 een var wuo afgegeven, eveneens via automatische continuering. Deze zijn herzien bij respectievelijke beschikkingen van 15 oktober 2013 en 31 oktober 2013 door intrekking van de var wuo en afgifte van een var loon.

Geschil en beoordeling van het geschil

1. In geschil is of verweerder de var wuo voor de jaren 2013 en 2014 terecht heeft herzien. Primair is in geschil of verweerder bevoegd was de beschikkingen te herzien.

2. Artikel 3.156 van de Wet IB 2001 luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. De belastingplichtige die zekerheid wenst omtrent de vraag of de voordelen die hij in een kalenderjaar geniet of zal gaan genieten uit een arbeidsrelatie of uit arbeidsrelaties waarin sprake is van hetzelfde soort van werkzaamheden die onder overeenkomstige condities worden verricht, worden aangemerkt als winst uit een onderneming, als loon of als resultaat uit overige werkzaamheden, kan een verzoek indienen bij de inspecteur. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking.

2. Zodra de feitelijke omstandigheden afwijken van de door de belastingplichtige gepresenteerde omstandigheden op basis waarvan de beschikking is verleend, meldt de belastingplichtige dit aan de inspecteur.

3. De inspecteur kan de beschikking herzien, indien de melding van de belastingplichtige als bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft of hem uit anderen hoofde bekend is dat de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Herziening vindt plaats bij voor bezwaar vatbare beschikking.

3. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel waarbij de beschikking verklaring arbeidsrelatie (var) is geïntroduceerd, is over de in het derde lid vervatte mogelijkheid van herziening o.m. het volgende opgemerkt (Kamerstukken II 2000/01,
27 466, nr. 6, p. 24 en p. 99 (NV II)):

“Onder verwijzing naar de memorie van toelichting vragen de leden van de VVD-fractie of alleen een vermoeden van de inspecteur voldoende bewijsrechtelijke grondslag biedt om de beschikking die zekerheid biedt over de aard van het inkomen uit een arbeidsrelatie, te herzien.

In antwoord op deze vraag wil ik er allereerst op wijzen dat in de toelichting is aangegeven dat de beschikking kan worden herzien «als er grond is voor het vermoeden dat de belastingplichtige onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven over de omstandigheden waarvoor de beschikking is verleend». Dit sluit aan bij het derde lid van artikel 3.156 waarin de inspecteur de bevoegdheid is gegeven de beschikking te herzien indien de feitelijke omstandigheden daartoe aanleiding geven. Het louter op basis van een vermoeden herzien van de beschikking is derhalve niet aan de orde.”

“Het antwoord op de vraag van de leden van de CDA-fractie of uit artikel 3.156, derde en vierde lid inderdaad volgt dat de geldigheidsduur van de beschikking maximaal twee jaar bedraagt, en de inspecteur de beschikking kan herzien indien de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven, luidt bevestigend. De mogelijkheid om de beschikking te herzien – deze leden vragen daarnaar – is niet in strijd met de rechtszekerheid. De fiscus kan namelijk niet worden gehouden aan de rechtsgevolgen van een beschikking indien blijkt dat de feiten en omstandigheden waarop de beschikking is gebaseerd zich niet blijken te hebben voorgedaan, anders zijn geweest, of in de loop van de tijd zijn gewijzigd. De aanvrager kan uiteraard tegen de herziene beschikking in bezwaar en beroep gaan. In dit verband vragen deze leden of het niet voor de hand ligt om ingeval van twijfel een beschikking met een kortere looptijd af te geven. Mijn antwoord hierop luidt dat indien er twijfel bestaat over de feiten en omstandigheden, geen beschikking kan worden afgegeven; de beschikking wordt genomen op basis van een gefundeerd oordeel over de door de belanghebbende gepresenteerde arbeidsrelatie.”

4. Uit artikel 3.156 van de Wet IB 2001 en de totstandkomingsgeschiedenis daarvan volgt dat verweerder, om te mogen herzien, aannemelijk dient te maken dat de feiten en omstandigheden afwijken van de door eiseres gepresenteerde feiten en omstandigheden.

5. Verweerder neemt het standpunt in dat eiseres een aantal vragen op het aanvraagformulier niet juist heeft beantwoord, zodat herziening mogelijk is. Hij betoogt in dit verband dat eiseres heeft geantwoord a) dat de werkzaamheden eerder zijn beoordeeld, namelijk als winst; b) dat eiseres de arbeidsrelatie kwalificeert als ondernemerschap; c) dat de werkzaamheden meestal zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders uitgevoerd mogen worden; d) dat het risico bij slecht presteren voor haar is; e) dat de werkzaamheden niet door werknemers in loondienst worden verricht; f) dat de werkzaamheden niet of voor minder dan 50% via een bemiddelaar of een detacherings- of uitzendbureau worden verricht; g) dat zij niet verplicht is aanwijzingen op te volgen; en h) dat zij facturen stuurt voor haar werkzaamheden. Volgens verweerder hadden de vragen als volgt moeten worden beantwoord: a) nee, nooit eerder beoordeeld; b) als loon uit dienstbetrekking of ‘weet ik niet’. Eiseres beoordeelt haar werkzaamheden in haar aangiften voor de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen zelf als resultaat uit overige werkzaamheden; c) nee; d) nee; e) ja; f) ja, voor 50% of meer; g) ja; h) nee, althans niet bewezen.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bevoegd was tot herziening van de var wuo. De vraag (c) of de werkzaamheden meestal zonder toestemming van een opdrachtgever door iemand anders uitgevoerd mogen worden, heeft eiseres, anders dan verweerder stelt, ontkennend beantwoord, zodat in zoverre van onjuiste beantwoording in ieder geval geen sprake is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres de vraag (a) of en hoe de werkzaamheden eerder zijn beoordeeld, niet onjuist beantwoord. Deze beantwoording was immers juist vanuit de optiek van eiseres en zij had die juistheid ook redelijkerwijs mogen aannemen. Dat eiseres de vraag (b) hoe zij de arbeidsrelatie zelf kwalificeert (resultaatgenieter in plaats van ondernemer), onjuist heeft beantwoord, acht de rechtbank van onvoldoende gewicht voor de conclusie dat gebleken is van onjuist gepresenteerde feitelijke omstandigheden. Dit geldt eveneens voor de vraag (f) of eiseres verwacht de werkzaamheden via een bemiddelaar of een detacherings- of uitzendbureau uit te voeren, nu het hier gaat om de verwachting aan de zijde van eiseres en niet om een vaststaand feitelijk gegeven en zij een deel van haar werkzaamheden wel degelijk verrichtte zonder tussenkomst van een intermediair. Dit heeft voorts ook te gelden voor de beantwoording van de vraag (e) of eiseres verwacht de werkzaamheden meestal uit te voeren voor opdrachtgevers waar dezelfde werkzaamheden ook in loondienst worden uitgevoerd, waarbij de rechtbank mede in aanmerking neemt dat het alleen mogelijk is de vraag bevestigend dan wel ontkennend te beantwoorden en niet ook met ‘weet niet’. Met betrekking tot de overige vragen is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake is van onjuiste beantwoording. Eiseres heeft immers verklaard dat het risico bij slecht presteren voor haar is, omdat zij – als zij haar werkzaamheden niet naar behoren uitvoert – niet opnieuw zal worden ingeschakeld en er vanuit haar optiek dus wel degelijk risico bestaat; dat zij niet verplicht is om aanwijzingen op te volgen, nu zij geheel zelf verantwoordelijk is; en dat zij voor de door haar verrichte werkzaamheden declaraties verstuurde, zij het dat de facturen werden uitgereikt door[D].

7. De rechtbank acht bij haar hiervoor in 6 weergegeven oordeel voorts van belang dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat de – inmiddels ingetrokken – var wuo eerder mogelijk terecht was afgegeven voor de werkzaamheden die eiseres (heeft) verricht jegens haar echtgenoot op basis van de zorgovereenkomst. Dat verweerder, naar hij ter zitting voorts heeft verklaard, niet de mogelijkheid heeft om een var gedeeltelijk te herzien, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor rekening van verweerder dient te blijven.

8. Op grond van het voorgaande dienen de herzieningsbeschikkingen van 15 oktober 2013 en 31 oktober 2013 te worden vernietigd, zodat de eerder afgegeven beschikkingen var wuo voor 2013 en 2014 herleven. Aan bespreking van de overige stellingen van eiseres komt de rechtbank niet meer toe.

9. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

Eiseres heeft niet verzocht om een proceskostenvergoeding. Voor een proceskostenveroordeling bestaat dan ook geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de herzieningsbeschikkingen van 15 oktober 2013 en van 31 oktober 2013;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 45 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.K.A. Efstratiades, voorzitter, en mr. J.P.A. Boersma en mr. J.P. Boer, leden, in aanwezigheid van mr. M.C. Anema, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.