Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:12070

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
23-12-2014
Datum publicatie
14-04-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2382
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Antidumpingrechten kunnen worden nagevorderd ook indien niet vaststaat dat de oorsprong van de rijwielen de Volksrepubliek China is omdat de Commissie de definitieve antidumpingrechten heeft uitgebreid tot rijwielen verzonden uit andere landen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2015-04-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/2382

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 december 2014 in de zaak tussen

[X]., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: mr. J.A. Biermasz),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, kantoor Groningen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 3 oktober 2013 aan eiseres een uitnodiging tot betaling (hierna: utb) van € 293.192,71 aan antidumpingrechten uitgereikt.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 mei 2014 het bezwaar tegen de utb ongegrond verklaard.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2014.

Namens eiseres zijn verschenen de gemachtigde en haar kantoorgenoot mr. A.T.M. Jansen. Namens verweerder is niemand verschenen. Na afloop van de zitting heeft de griffier telefonisch contact opgenomen met mr. A.J.M. Koopman, de opsteller van het verweerschrift. Hoewel de uitnodiging om ter zitting te verschijnen hem niet heeft bereikt, heeft hij de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarop besloten het onderzoek niet te heropenen en uitspraak te doen.

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft een onderneming die via postorder en internet fietsen en aanverwante artikelen verkoopt.

2. In de periode van 13 oktober 2012 tot en met 7 april 2013 heeft UTi NL in naam en voor rekening van eiseres elf aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van - kort gezegd - rijwielen met land van oorsprong Sri Lanka. Er is telkens een preferentieel oorsprongsbescheid Formulier A overgelegd ter bevestiging van de aangegeven oorsprong. De rijwielen zijn aangegeven onder GN-code 8712 00 30 10. Blijkens de overgelegde bescheiden werden de fietsen geëxporteerd door [A] te [B], Sri Lanka.

3. In Publicatieblad L 261/2 van 6 oktober 2011 is opgenomen Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 waarin de Raad een definitief antidumpingrecht heeft ingesteld op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

4. In Publicatieblad L 258/21 van 26 september 2012 is Verordening (EU) nr. 875/2012 opgenomen, waarin de Commissie de opening van een onderzoek heeft aangekondigd naar de mogelijke ontwijking van antidumpingrechten op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China, door de invoer van rijwielen, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië (hierna: het bericht van opening).

5. In Publicatieblad L 153/1 van 5 juni 2013 is Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 van de Raad opgenomen tot uitbreiding van de definitieve antidumpingrechten die bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 990/2011 zijn ingesteld op de invoer van rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot de invoer van rijwielen verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië.

Geschil

6. In geschil is of de utb terecht is uitgereikt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of antidumpingrechten kunnen worden nagevorderd indien niet vaststaat dat de oorsprong van de rijwielen de Volksrepubliek China is.

Beoordeling van het geschil

7. Artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (hierna: de Basisverordening) luidt, voor zover van belang, als volgt:

“1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde antidumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van al dan niet enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit derde landen of van enigszins gewijzigde soortgelijke producten uit landen waarop maatregelen van toepassing zijn, of delen daarvan, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Antidumpingrechten die het op grond van artikel 9, lid 5, ingestelde residuele antidumpingrecht niet overschrijden, kunnen worden uitgebreid tot de invoer via ondernemingen waarvoor individuele rechten gelden in landen waarop maatregelen van toepassing zijn, wanneer er ontduiking van de geldende maatregelen plaatsvindt. Ontduiking wordt omschreven als een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen derde landen en de Gemeenschap of tussen individuele ondernemingen in een land waarop maatregelen van toepassing zijn en de Gemeenschap als gevolg van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en waarbij wordt bewezen dat er sprake is van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, wordt ondermijnd, en dat dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor de soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2.

De in de eerste alinea bedoelde praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het enigszins wijzigen van het betreffende product om het te laten vallen onder douanecodes waarop geen maatregelen van toepassing zijn, mits de wijziging de wezenlijke kenmerken van het product niet aantast; het verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn via derde landen; het reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Gemeenschap te laten exporteren via producenten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten; en, in de in lid 2, beschreven situatie, de assemblage van delen in de Gemeenschap of een derde land.

2. Assemblage in de Gemeenschap of een derde land wordt geacht ontwijking van de maatregelen

in te houden wanneer:

a. a) de assemblagewerkzaamheden sinds of kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen en de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn, en

b) de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product; ontwijking wordt echter niet geacht plaats te vinden indien de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt, en

c) de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden.

3. Onderzoeken op grond van dit artikel worden geopend op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende, op basis van voldoende bewijsmateriaal met betrekking tot de in lid 1 omschreven factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie kan geven de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden voltooid. Wanneer de definitief vastgestelde feiten de uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het raadgevend comité het daartoe strekkende besluit. Het voorstel wordt goedgekeurd tenzij de Raad met een gewone meerderheid van stemmen besluit het voorstel te verwerpen, wat binnen één maand na indiening door de Commissie moet gebeuren. De uitbreiding geldt vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie of zekerheidstelling werd geëist. De procedurele bepalingen van deze verordening betreffende de opening en de uitvoering van een onderzoek zijn op dit artikel van toepassing.

4. De invoer door ondernemingen waarop een vrijstelling van toepassing is, hoeft niet overeenkomstig artikel 14, lid 5, te worden geregistreerd en hierop zijn geen rechten van toepassing. Een voldoende door bewijsmateriaal gestaafd verzoek tot vrijstelling moet worden ingediend binnen de in de verordening van de Commissie tot opening van het onderzoek gestelde termijn. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking buiten de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan producenten van het betreffende product die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontduiking zoals beschreven in de leden 1 en 2 van dit artikel. Wanneer de praktijken, processen of werkzaamheden ter ontduiking binnen de Gemeenschap geschieden, kunnen vrijstellingen worden verleend aan importeurs die kunnen aantonen dat er geen enkele relatie bestaat tussen hen en de producent waarop maatregelen van toepassing zijn.

Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het raadgevend comité dan wel bij besluit van de Raad tot vaststelling van maatregelen, en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.

Mits voldaan is aan de in artikel 11, lid 4, vastgestelde voorwaarden, kunnen vrijstellingen ook worden verleend na afloop van het onderzoek dat leidt tot uitbreiding van de maatregelen.

Als een groot aantal partijen een verzoek tot vrijstelling indient of kan indienen en er minimaal een jaar verstreken is sinds de uitbreiding van de maatregelen, kan de Commissie besluiten een herzieningsprocedure in te leiden voor de uitbreiding van de maatregelen. Een dergelijke herzieningsprocedure moet worden uitgevoerd overeenkomstig artikel 11, lid 5, dat van toepassing is op herzieningsprocedures op grond van artikel 11, lid 3.

5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de normale toepassing van de geldende bepalingen inzake douanerechten.”

Artikel 14, vijfde lid, van de Basisverordening luidt:

“De Commissie kan, na overleg in het raadgevend comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat met ingang van de datum van registratie maatregelen met betrekking tot deze invoer kunnen worden genomen. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Gemeenschap ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De registratieverplichting wordt opgelegd door middel van een verordening waarin het doel van de maatregel en, zo nodig, een schatting van de bedragen die eventueel later verschuldigd zullen zijn, worden vermeld. De invoer wordt voor een periode van ten hoogste negen maanden aan registratieplicht onderworpen.”

8. Eiseres stelt zich primair op het standpunt dat ten onrechte antidumpingrechten zijn nagevorderd omdat de oorsprong van de ingevoerde rijwielen Sri Lanka is en niet de Volksrepubliek China. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 zijn de op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China ingestelde antidumpingrechten verruimd ten aanzien van rijwielen met de oorsprong de Volksrepubliek China die zijn verzonden uit onder andere Sri Lanka. Er zijn na afronding van het onderzoek geen antidumpingrechten op rijwielen met de oorsprong Sri Lanka ingesteld. Nu de onderhavige rijwielen blijkens de Forms A de preferentiële en derhalve ook de niet-preferentiële oorsprong Sri Lanka hebben, kan de utb niet in stand blijven.

Subsidiair stelt eiseres zich op het standpunt dat Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 ongeldig is en buiten toepassing dient te blijven omdat de regelgeving in strijd met de Basisverordening op een te vergaande manier is uitgebreid door bij wijze van fictie en zonder mogelijkheid tot het leveren van bewijs van het tegendeel buiten de vrijgestelde producenten aan te nemen dat alle rijwielen die onder andere uit Sri Lanka zijn verzonden van oorsprong uit de Volksrepubliek China zijn. Dat is in strijd met artikel 18 van de Basisverordening. Bovendien is de procedure van artikel 2 van de Basisverordening niet gevolgd.

9. Verweerder bestrijdt deze standpunten. De Raad heeft de antidumpingrechten uitgebreid tot rijwielen afkomstig uit onder andere Sri Lanka. Of de goederen van Sri Lankaanse oorsprong zijn, maakt volgens verweerder niet uit. Het gaat volgens Verordening (EU) nr. 501/2013 immers om goederen verzonden uit (onder andere) Sri Lanka, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit (onder andere) Sri Lanka. De rechten zijn terecht achteraf geboekt en de utb is terecht aan eiseres verzonden. Door publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie heeft de Europese Commissie voldoende duidelijk gemaakt dat er een onderzoek zou worden ingesteld naar ontwijking van antidumpingrechten voor rijwielen uit de Volksrepubliek China en dat de invoer van rijwielen uit onder meer Sri Lanka zou worden geregistreerd. Omdat de producent van wie eiseres haar fietsen inkoopt niet als uitzondering is genoemd in artikel 1, eerste lid, van Verordening (EU) nr. 501/2013 moeten de antidumpingrechten alsnog achteraf worden geboekt. De door eiseres aangegeven preferentiële oorsprong is in dit geval niet van invloed op het verschuldigd zijn van antidumpingrechten. Ter adstructie van zijn stelling verwijst verweerder naar de uitspraken van deze rechtbank van 1 augustus 2013, nr. AWB 12/5482 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNHO:2013:8013) en 13 december 2013, nrs. AWB 13/2383 en 13/2387 (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:RBNHO:2013:11766 en 11765). Voorts zijn de overgelegde Forms A ingezonden voor controle achteraf.

10. Naar aanleiding van een verzoek van 14 augustus 2012 van de European Bicycle Manufacturer’s Association (EBMA) namens drie producenten van rijwielen in de Europese Unie heeft de Commissie op de voet van artikel 13, derde lid, van de Basisverordening een onderzoek ingesteld dat betrekking heeft op de periode 25 september 2012 tot en met 24 mei 2013. In het bericht van opening heeft de Commissie overwogen dat er voldoende bewijsmateriaal is om een onderzoek te openen overeenkomstig artikel 13, derde lid, van de Basisverordening en de invoer van het onderzochte product, al dan niet aangegeven als van oorsprong Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, aan registratie te onderwerpen overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van de Basisverordening.

11. In het bericht van opening heeft de Commissie overwogen dat in het verzoek wordt aangetoond dat na de verhoging van de antidumpingrechten op het betrokken product bij Verordening (EG) nr. 1095/2005 van de Raad een grote verandering in de structuur van de uitvoer uit de Volksrepubliek China, Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië naar de Unie heeft plaatsgevonden en dat hiervoor, afgezien van de instelling van de antidumpingrechten, onvoldoende reden of rechtvaardiging bestaat. Deze verandering is volgens de Commissie kennelijk het gevolg van overlading. Volgens de Commissie bevat het verzoek voldoende voorlopig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de corrigerende werking van de antidumpingrechten, zowel gezien de hoeveelheid als de prijs, wordt ondermijnd. De toegenomen invoer uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië vindt plaats tegen lagere prijzen dan de geen schade veroorzakende prijs die in het oorspronkelijke onderzoek is vastgesteld. Voorts beschikt de Commissie over voldoende bewijsmateriaal dat de prijzen van de onderzochte producten dumpingprijzen zijn ten opzichte van de normale waarde die eerder voor de betrokken producten is vastgesteld.

12. In het bericht van opening heeft de Commissie aangegeven dat overeenkomstig artikel 13, vierde lid, van de Basisverordening vrijstelling kan worden verleend aan producenten van rijwielen in Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië die kunnen aantonen dat zij niet verbonden zijn met de producenten waarop de oorspronkelijke maatregelen van toepassing zijn en dat zij niet betrokken zijn bij enige ontwijking als omschreven in artikel 13, eerste en tweede lid, van de Basisverordening. Producenten die een vrijstelling willen krijgen, moeten binnen een termijn van 37 dagen een voldoende met bewijsmateriaal gestaafd verzoek indienen.

13. In het bericht van opening heeft de Commissie gewezen op de gevolgen van niet-medewerking.

14. De Commissie heeft in het bericht van opening termijnen gesteld waarbinnen belanghebbenden zich bij de Commissie kenbaar kunnen maken en hun standpunt kunnen indienen, producenten om een vrijstelling kunnen verzoeken en belanghebbenden schriftelijk kunnen verzoeken door de Commissie te worden gehoord.

15. Uit de overwegingen in de considerans van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013 kan worden afgeleid dat het na het bericht van opening uitgevoerde onderzoek de vermoedens van de Commissie op grond van het voorlopige bewijsmateriaal heeft bevestigd. De Commissie heeft daarom de definitieve antidumpingrechten uitgebreid tot rijwielen, verzonden uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië. De goederen die door een aantal met naam genoemde producenten worden geproduceerd, zijn van de uitbreiding uitgezonderd (artikel 1, eerste lid, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 501/2013).

16. De rechtbank stelt voorop dat de instellingen van de Europese Unie op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek, en met name ter zake van beschermende handelsmaatregelen, over een ruime beoordelingsvrijheid beschikken wegens de ingewikkeldheid van de economische, politieke en juridische situaties die zij moeten onderzoeken (vgl. Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2014, C-21/13, Simon, Evers & Co. GmbH). Uit deze rechtspraak in combinatie met artikel 13, derde lid, van de Basisverordening, vloeit voort dat de Commissie de bevoegdheid heeft om naar aanleiding van een verzoek daartoe een onderzoek te starten naar de mogelijke ontwijking van een ingesteld antidumpingrecht via andere derde landen. Indien de Commissie bij dit onderzoek op ontwijking stuit, is zij bevoegd om binnen de grenzen van het Unierecht (met name de Basisverordening) maatregelen te treffen om deze ontwijking aan te pakken. De rechtbank stelt op grond van de daarin opgenomen overwegingen vast dat Verordening (EU) nr. 501/2013 dergelijke maatregelen bevat. Nu de Raad Verordening (EU) nr. 501/2013 op de daartoe voorgeschreven wijze heeft vastgesteld is zij juridisch bindend.

17. De eerdergenoemde producent van de door eiseres ingevoerde rijwielen heeft op grond van artikel 13, vierde lid, van de Basisverordening om vrijstelling verzocht (punten 21 en 22 van Verordening (EU) nr. 501/2013). Uit Verordening (EU) nr. 501/2013 kan worden afgeleid dat deze producent geen vrijstelling heeft gekregen. De exacte reden van afwijzing van het verzoek is niet te herleiden, maar is hetzij intrekking van het verzoek (punt 36) dan wel onvoldoende medewerking (punten 37 en 39). Desgevraagd heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven de exacte reden van afwijzing niet te kennen.

18. Uit de overwegingen in het bericht van opening en Verordening (EU) nr. 501/2013 kan worden afgeleid dat de Commissie meer dan voldoende aanwijzingen van mogelijke ontwijking had en dat zij op de voorgeschreven wijze en voldoende onderzoek heeft gedaan naar de met name genoemde producenten, onder wie de producent van de door eiseres ingevoerde rijwielen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de conclusie van de Commissie dat sprake is van ontwijking van de ingestelde antidumpingrechten op rijwielen uit de Volksrepubliek China via Indonesië, Maleisië, Sri Lanka en Tunesië. Kennelijk is de producent van de door eiseres ingevoerde rijwielen er niet in geslaagd om de Commissie het bewijs te leveren (dan wel heeft hij ervan afgezien daartoe een poging te wagen) dat hij niet bij deze ontwijking was betrokken of minstens een daartoe strekkend vermoeden te ontzenuwen. De rechtbank wijst er op dat de aan eiseres voor de rijwielen uitgereikte facturen afkomstig zijn van [C] Ltd, een vennootschap gevestigd te Hong Kong, Volksrepubliek China. Een vermoeden van een connectie met de Volksrepubliek China is op basis van deze facturen al gerechtvaardigd. Eiseres heeft niets aangevoerd wat dit vermoeden kan ontzenuwen. De rechtbank ziet, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dan ook geen aanleiding om vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

19. Uit het voorgaande volgt dat zowel het primaire als het subsidiaire standpunt van eiseres moet worden verworpen.

20. Eiseres stelt nog dat zij niet op de hoogte was van de registratie van de invoeren en de mogelijke gevolgen daarvan. Zij was zich er slechts van bewust dat mogelijk vanaf het voorjaar 2013 iets in de regelgeving zou kunnen veranderen. Haar is nooit verteld dat dit met terugwerkende kracht zou kunnen zijn.

Verweerder stelt dat alle ter zake doende informatie in het Publicatieblad van de EU is gepubliceerd.

21. Een ervaren en professionele douane-expediteur heeft de aangiften via directe vertegenwoordiging voor eiseres verzorgd. De kennis en de ervaring van deze douane-expediteur worden aan eiseres toegerekend. Van een dergelijke professional mag worden verwacht dat hij de officiële publicaties leest en zich actief op de hoogte stelt van alle relevante ontwikkelingen. Dat eiseres het niet zou hebben geweten en dat niemand het haar heeft verteld, kan eiseres dan ook niet baten.

22. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

De rechtbank acht geen aanleiding aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. M.C.A. Onderwater en mr. A.E. Keulemans, leden, in aanwezigheid van E. Hoekman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.