Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11949

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
C/14/158238/HA RK 14/152
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoeker wraakt de meervoudige kamer in een bestuurszaak “omdat men niet direct ter zitting op zijn verzoeken heeft willen beslissen”. Wrakingsverzoek wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/14/158238/HA RK 14/152

Beslissing van 2 december 2014

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker.

Het verzoek is gericht tegen:

Mr. E.G. van Roest (voorzitter), mr. S. Slijkhuis en mr. I.J.B. Corbey, (leden)

hierna te noemen: de rechters.

1 Het procesverloop

1.1

Verzoeker heeft op 7 november 2014 ter zitting de wraking ingevolge artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht verzocht van de behandelend rechters in de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie bestuur, locatie Alkmaar aanhangige zaak met als zaaknummer ALK 14/1035, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechters hebben niet in de wraking berust en hebben schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Het verzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 2 december 2014. Verzoeker, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. Verzoeker is verschenen. Voorts zijn verschenen de rechters mr. Slijkhuis en mr. Corbey voornoemd. Mr. Van Roest voornoemd is door ziekte afwezig. Namens de wederpartij in de hoofdzaak is de gemachtigde mr. L.M. Burger verschenen.

2 De standpunten

2.1

Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerd dat de rechtbank niet onpartijdig is omdat men niet direct ter zitting op zijn verzoeken heeft willen beslissen.

2.2

De schriftelijke reactie van de rechters

De rechters hebben in hun reactie onder meer aangegeven dat zij aan verzoeker hebben meegedeeld dat zij, alvorens te beslissen op zijn verzoeken, een zorgvuldige afweging wensen te maken in raadkamer na afloop van de zitting.
Zij hebben verklaard dat hun handelwijze op geen enkele wijze het vermoeden kan rechtvaardigen dat sprake is van enige partijdigheid ten opzichte van verzoeker, maar dat de weigering om direct een beslissing te nemen op verzoekers verzoeken juist blijk geeft van de zorgvuldigheid die de rechtbank in acht wil en moet nemen bij de beoordeling van een beroep.
Daarnaast hebben de rechters opgemerkt dat een zodanige processuele beslissing door haar aard in het algemeen geen grond vormt om partijdigheid aan te nemen.

3 De beoordeling

3.1

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

3.2

De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten. In het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2014 staat het volgende:

“(…)

Eiser: (…) De rechtbank heeft niet alle stukken. Ik blijf bij mijn vraag om een onafhankelijk onderzoek en verder vraag ik de voorzitter uitdrukkelijk of de rechtbank het dossier in deze vorm accepteert. (Eiser leest de vraag voor vanaf aangehecht document:

Accepteert u als rechtbank het door verweerder aangevoerde, tevens in strijd met zijn wettelijke verplichting overeenkomstig artikel 8:42 AWB, volstrekt onvolledig dossier, waarin met nadruk genoemd tevens niet verifieerbare, niet gewaarmerkte, niet gedateerde, niet getekende, niet deugdelijk vastgestelde feiten en omstandigheden, aantoonbare vervalste, gelogen en misleidende documenten van feiten zitten? Ja of nee?

Accepteert u mijn standpunt dat het door verweerder aangevoerde, tevens in strijd met zijn wettelijke verplichting overeenkomstig artikel 8:42 AWB, dossier onvolledig is en met nadruk genoemd tevens niet verifieerbare, niet gewaarmerkte, niet gedateerde, niet getekende, niet deugdelijk vastgestelde feiten en omstandigheden, aantoonbare vervalste, gelogen en misleidende documenten bevat van feiten, als argument ter overweging van uw rechtbank? Ja of nee?)

De voorzitter deelt eiser mee dat daarop niet nu direct een antwoord zal worden gegeven.

Eiser: Dan wil ik u de vraag nog een keer stellen. Als ik nu niet direct antwoord van u krijg zal ik u gaan wraken. Het enkele feit dat u hierover na moet denken betekent al dat u niet onpartijdig bent. Dit is voor mij een gevoelig dossier. Ik maak mij zorgen over de onpartijdigheid van de rechtbank. Ik neem daarin ook mee dat ik in twee eerdere zaken door de rechtbank in het ongelijk ben gesteld. Ook heb ik op internet gezien dat mr. van Roest bij de gemeente Hoorn heeft gewerkt. Daar werkte ook mevrouw [A], die nu bij de gemeente Den Helder werkt.

De voorzitter deelt mee dat de rechtbank over de verzoeken van eiser bij de beoordeling van de zaak na afloop van de zitting in raadkamer wil overleggen. De rechtbank wil hierover een zorgvuldige beslissing nemen.

Eiser: Dan wraak ik u. Op vragen van de griffier bevestig ik dat ik de voltallige kamer wraak. Mijn wrakingsgrond is dat de rechtbank niet onpartijdig is omdat zij niet direct op mijn verzoeken wil beslissen. (…)”

3.3

Gesteld noch gebleken is dat de rechters jegens verzoeker een vooringenomenheid koesteren, zodat de subjectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.4

Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Zij neemt het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2014 als uitgangspunt, omdat dit is opgesteld aan de hand van de aantekeningen die de griffier ter zitting heeft bijgehouden. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de rechters de vragen van verzoeker niet ter zitting hebben willen beantwoorden. Daarbij is het niet van belang of de voorzitter heeft gezegd die vragen niet nu direct te beantwoorden, zoals in het proces-verbaal staat, dan wel dat de voorzitter heeft gezegd de vragen niet te beantwoorden, zoals zij volgens verzoeker heeft gedaan.
De vraag is allereerst of de rechters gehouden waren de vragen ter zitting te beantwoorden. Dit was naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. De procesorde is immers aan de rechters, in het bijzonder aan de voorzitter van de meervoudige kamer. Er was ook op grond van het procesrecht geen verplichting voor de rechters om deze vragen ter zitting te beantwoorden. De rechters moesten dus een procedurele beslissing nemen over de wijze en het moment waarop de gestelde vragen zouden worden beantwoord. Daarbij is in dit concrete geval duidelijk dat de vragen zich niet lenen voor directe beantwoording. De beantwoording van de vragen is tegelijk een beoordeling van een deel van eisers beroep. Over een antwoord op de vragen, indien al aan de orde, moesten de rechters na afloop van de zitting dus eerst beraadslagen.
Ter zitting van 2 december 2014 heeft verzoeker nog opgemerkt dat zijn vraag ‘algemeen’ moet worden gelezen, uitgaande van de situatie dat het dossier van de gemeente stukken bevat zoals door hem omschreven in zijn vraagstelling. De rechtbank ziet in de formulering van de vraag echter geen enkele grond om deze zo op te vatten, laat staan dat een dergelijke abstracte vraag beantwoording behoeft.
De toelichting die verzoeker bij brief van 13 november jongstleden heeft gegeven werpt geen ander licht op de aangevoerde wrakingsgrond en doet aan het bovenstaande niet af.

Ter zitting van 2 december 2014 heeft verzoeker nog verklaard dat de omstandigheid dat de kamer wilde nadenken over de beantwoording van de vragen, hem het gevoel gaf dat er een deal gesloten werd en dat de gemeente Den Helder met haar gedrag weg zou komen. Dit is echter een eigen interpretatie van verzoeker, die niet maakt dat objectief aan de onpartijdigheid van de rechters getwijfeld kan worden.

3.5

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1

wijst het verzoek tot wraking van de rechters af,

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechters en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die zaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van het team bestuursrecht.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. M.A.J. Berkers en

mr. M. Kraefft, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van C. Vis-van Zanden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2014.[concipiënt_initialen]

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.