Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11933

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
15-09-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
14/1626
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Klaagschrift ex artikel 552a Sv.

Bevoegdheid: De dagbepaling in deze beklagzaak heeft plaatsgevonden op 23 juni 2014. Uit het dossier is niet gebleken dat op deze datum reeds een vervolging zou zijn ingesteld. Gelet hierop acht de rechtbank het vierde lid van artikel 552a Sv van toepassing en acht de rechtbank zichzelf bevoegd om over deze beklagzaak te oordelen.

Inhoudelijk: De rechtbank heeft vastgesteld dat klager een natuurlijke persoon is die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde. Tevens kan worden vastgesteld dat ProVeiling een vervreemder (verkoper) is die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken (als de motor) anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt. ProVeiling is naar het oordeel van de rechtbank geen veilinghouder in de zin van de wet. Echter, de motor is ‘online’ gekocht en dus niet van de vervreemder in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan. Dat betekent dat de in lid 3 onder a. bedoelde uitzondering zich niet voordoet. Dat heeft als gevolg dat klager niet als rechthebbende van de in beslag genomen motor kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Enkelvoudige raadkamer

Registratienummer: 14/1626

Uitspraakdatum: 15 september 2014

Beschikking (art. 552a Sv.)

1 Ontstaan en loop van de procedure

Op 10 april 2014 is op de griffie van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, ingekomen een klaagschrift van mr. M. Oudriss (Arag Rechtsbijstand), gemachtigde van

[klager], klager,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te[adres]

Het klaagschrift strekt tot opheffing van het beslag, met last tot teruggave aan klager van een motor van het merk Kawasaki, type Zz-R250, met kenteken [kenteken].

Op 1 september 2014 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. van Hulsel.

2 Beoordeling

Vast is komen te staan, dat bedoelde motor op 27 maart 2014 op rechtmatige wijze onder klager in beslag is genomen en dat het beslag nog voortduurt.

Namens klager is erop gewezen, dat hij de desbetreffende motor op 12 februari 2014 via de website www.proveiling.nl heeft gekocht voor een marktconforme prijs van € 1.432,32. Voorafgaand aan deze aankoop heeft klager de RDW-gegevens van de motor gecontroleerd en daarbij bevonden dat de motor niet als gestolen geregistreerd stond. Klager stelt te goeder trouw te hebben gehandeld bij de aanschaf van de motor en derhalve als rechthebbende op de motor dienen te worden aangemerkt.

De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat deze rechtbank niet bevoegd is om over het klaagschrift te oordelen, nu de zaak omtrent de diefstal van de motor wordt of is afgedaan in arrondissement Noord-Nederland.

Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat klager wel degelijk redenen had om te twijfelen aan de juistheid van de koop, nu proveiling.nl te vergelijken is met een internetsite als Marktplaats.nl. De motor is gekocht zonder kenteken, en gelet hierop bestaat er geen bescherming voor klager op grond van de consumentenkoop. Het klaagschrift dient daarom ongegrond te worden verklaard.

Klager heeft in reactie op het standpunt van de officier van justitie gesteld dat Proveiling niet te vergelijken is met Marktplaats, nu het een eigen bedrijf is dat zelf goederen inkoopt en vervolgens doorverkoopt. De motor is door klager niet gekocht in uitoefening van het beroep of bedrijf van klager, aangezien de motor was bedoeld als verjaardagscadeau voor de echtgenote van klager.

De rechtbank overweegt het volgende.

Bevoegdheid

In artikel 552a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering is opgenomen welk gerecht bevoegd is om te beslissen op een klaagschrift, namelijk “het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak wordt vervolgd of het laatst werd vervolgd”. In artikel 552a, lid 4, van het Wetboek van Strafvordering is voorts bepaald dat indien een vervolging niet of nog niet is ingesteld bevoegd is “het arrondissement, binnen hetwelk de inbeslagneming, kennisneming of ontoegankelijkmaking is geschied. De rechtbank is bevoegd tot afdoening tenzij de vervolging mocht zijn aangevangen voordat met de behandeling van het klaagschrift of het verzoek een aanvang kon worden gemaakt.”

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de behandeling van het bezwaarschrift aanvangt als de beschikking tot dagbepaling is gegeven (HR 25 februari 1964, NJ 1964/312 en HR 10 mei 1994, NJ 1994/583) of de rechtbank het nodige heeft verricht om de datum van behandeling te bepalen (HR 28 mei 1996, DD 96.336).

De dagbepaling in deze beklagzaak heeft plaatsgevonden op 23 juni 2014. Uit het dossier is niet gebleken dat op deze datum reeds een vervolging zou zijn ingesteld. Er kan slechts worden vastgesteld dat op 26 mei 2014 een verdachte is gehoord in de strafzaak. Gelet hierop acht de rechtbank het vierde lid van artikel 552a Sv van toepassing en acht de rechtbank zichzelf bevoegd om over deze beklagzaak te oordelen.

Inhoudelijk

Beoordeeld dient te worden of klager wordt beschermd door de regels van goede trouw.

Uit de stukken van het dossier en de verklaring van verdachte in openbare raadkamer is voldoende duidelijk geworden dat de motor door klager niet in uitoefening van zijn beroep of bedrijf is aangeschaft, maar als consument.

Voorts stelt de rechtbank vast dat er sprake is van een consumentenkoop ex artikel 7:5 lid 1 BW, nu het hier een roerende zaak betreft en de verkoper (ProVeiling) handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

Klager heeft ter zitting beschreven hoe de werkwijze van ProVeiling is. Dat bedrijf koopt goederen en biedt die op internet aan voor een bepaalde minimumprijs. Op die prijs kan door een ieder geboden worden. Als een bod is gedaan, kunnen andere bieders meer bieden en het goed wordt uiteindelijk aan de hoogste bieder verkocht. Klager verklaarde dat deze werkwijze ook in dit geval zo is toegepast en dat zijn tweede bod van € 1.432,32 werd geaccepteerd.

Hieruit leidt de rechtbank af dat sprake is van een koop op afstand, zoals omschreven in de artikelen 6: 230g lid 1 BW en 6: 230m BW en verder. Geen sprake is van een openbare veiling, als bedoeld in de wet (artikel 6:230g lid 1 onder j BW en de bijbehorende memorie van toelichting TK 2012-2013, 33250, nr.3, blz. 20).

In afdeling 2B van boek 6 BW is echter niets bepaald over de goede trouw van de koper. Daarvoor moet derhalve aansluiting worden gezocht bij de algemene bepalingen over de wijze van verkrijging en verlies van goederen.

Ingevolge artikel 3: 86 lid 3 BW kan de eigenaar van een roerende zaak, die het bezit daarvan door diefstal heeft verloren, deze gedurende drie jaren, te rekenen van de dag van diefstal af, als zijn eigendom opeisen. In dit geval is door de eigenaar op 11 maart 2014 (geconfronteerd met een verzoek tot overschrijving van zijn motor) aangifte gedaan van diefstal van de motor in de periode 11 september 2013 en 11 maart 2014, dus binnen bedoelde termijn van drie jaar.

Artikel 3: 86 lid 3 onder a BW bepaalt verder dat de eigenaar zijn gestolen goed niet kan opeisen, indien:

de zaak door een natuurlijke persoon die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde, is verkregen van een vervreemder die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan met de bij het een en ander behorende grond, en in de normale uitoefening van dat bedrijf handelde.

De rechtbank heeft hiervoor vastgesteld dat klager een natuurlijke persoon is die niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf handelde.

Tevens kan worden vastgesteld dat ProVeiling een vervreemder (verkoper) is die van het verhandelen aan het publiek van soortgelijke zaken (als de motor) anders dan als veilinghouder zijn bedrijf maakt. (ProVeiling is naar het oordeel van de rechtbank geen veilinghouder in de zin van de wet.)

Echter, de motor is ‘online’ gekocht en dus niet van de vervreemder in een daartoe bestemde bedrijfsruimte, zijnde een gebouwde onroerende zaak of een gedeelte daarvan.

Dat betekent dat de in lid 3 onder a. bedoelde uitzondering zich niet voordoet. Dat heeft als gevolg dat klager niet als rechthebbende van de in beslag genomen motor kan worden beschouwd. Daarom moet het klaagschrift ongegrond worden verklaard.

Klager zal zich voor de door hem geleden schade tot ProVeiling moeten wenden.

Op grond van het vorenstaande dient derhalve met inachtneming van de betrekkelijke wetsartikelen te worden beslist als volgt.

3 Beslissing

De rechtbank:

verklaart het klaagschrift ongegrond.

4 Samenstelling raadkamer en uitspraakdatum

Deze beschikking is gegeven door

mr. L.J. Saarloos, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. de Jong, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2014.