Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11930

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-12-2014
Datum publicatie
17-12-2014
Zaaknummer
15/710074-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een politiefunctionaris tot een taakstraf van 80 uur, waarvan 40 uur voorwaardelijk. De rechtbank acht bewezen dat de politiefunctionaris op 3 november 2013 in Haarlem zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op twee inzittenden in een rijdende auto. Ten onrechte was de agent ervan uitgegaan dat deze twee inzittenden betrokken waren geweest op een overval op een zonnestudio in Haarlem eerder op de avond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710074-14 (P)

Uitspraakdatum: 16 december 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
2 december 2014 in de zaak tegen:

[verdachte][verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres
[adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. K.J.M. van Bijsterveldt en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.A.A. Kool, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:

hij op of omstreeks 03 november 2013 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met zijn dienstwapen heeft geschoten op, althans in de richting van, (de carrosserie van) de auto (Volkswagen Golf) waarin zich voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is votooid;

subsidiair:

hij op of omstreeks 03 november 2013 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met zijn dienstwapen heeft geschoten op, althans in de richting van, (de carrosserie van) de auto (Volkswagen Golf) waarin zich voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 03 november 2013 te Haarlem opzettelijk [slachtoffer 1] pijn en/of letsel heeft toegebracht door opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met zijn dienstwapen te schieten op, althans in de richting van, (de carrosserie van) de auto waarin zich [slachtoffer 1] bevond.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft bepleit dat het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, nu verdachte geen voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood - dan wel op zwaar lichamelijk letsel - van de slachtoffers.

3.3.

Vaststaande feiten

De rechtbank stelt de hieronder vermelde feiten en omstandigheden vast op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feitelijke gang van zaken heeft bekend en door of namens hem niet is bepleit dat het anders zou zijn verlopen – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 2 december 2014 afgelegd;

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van
    [slachtoffer 1] d.d. 13 november 2013 (dossierpagina’s 78 – 80);

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] d.d. 10 december 2014 (dossierpagina’s 85 – 87) en

  • -

    het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen, opgesteld door verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] d.d. 11 november 2013 (dossierpagina’s 151 – 154).

Op 3 november 2013 omstreeks 19.45 uur vindt op de Stresemannlaan in Haarlem een gewapende overval plaats op een zonnestudio. Er wordt door meerdere politie-eenheden gezocht naar de overvallers, waarvan het via de mobilofoon doorgegeven signalement luidt: drie mannen in donkere kleding, alle drie in het bezit van een vuurwapen, lopend gevlucht.

Omstreeks 20.26 uur maakt een politie-eenheid melding van een Volkswagen Golf (GTI) die opvallend rijgedrag vertoont door weg te rijden bij het zien van de opvallende politieauto waar de eenheid in rijdt. De verbalisanten raken deze Golf kwijt in de buurt van de Bernadottelaan in Haarlem. De meldkamer geeft vervolgens door “de aandacht te hebben voor een GOLF GTI, zwart van kleur”.

Omstreeks 20.34 uur zien de hoofdagenten [verbalisant 2] en [verbalisant 3], belast met onopvallende videosurveillance verkeershandhaving, op de Bernadottelaan een zwarte Golf (hierna: de Golf) voor hen de weg op draaien vanaf het tankstation Total. Zij zien dat het kenteken van het voertuig [kenteken] betreft en dat er twee personen in de auto zitten. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] geven hun bevindingen door via de mobilofoon en vragen om assistentie tot staande houding van deze Golf van een opvallende eenheid, nu zij “onopvallend rijden” en niet in het bezit zijn van kogelwerende vesten. Als [verbalisant 2] en [verbalisant 3] op de Prins Bernhardlaan achter de Golf aan blijven rijden, zien ze een collega-agent op de motor passeren en naast de Golf gaan rijden. De Golf mindert vaart en slaat linksaf de Zomervaart in. [verbalisant 2] en [verbalisant 3] geven aan de meldkamer door dat zij niet zelfstandig tot staande houding van de Golf willen overgaan en vragen hiervoor een opvallende eenheid.

Op dat moment rijdt verdachte, als bestuurder van een opvallend politievoertuig (een VW Touran) samen met zijn collega [verbalisant 1] als eenheid “25.18” in de omgeving van de Zomervaart. Verdachte stuurt zijn opvallende dienstvoertuig om de politiemotor en de auto van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] heen en haalt voorts eveneens de Golf in.

Vanuit het opvallende politievoertuig dat verdachte bestuurt, wordt aan de Golf een stopteken gegeven en verdachte parkeert het politievoertuig schuin op de weg, zodat de Golf is ingeklemd tussen het politievoertuig en het voertuig van het verkeershandhavingsteam. Verdachte en zijn collega [verbalisant 1] stappen uit het politievoertuig en lopen aan weerszijden naar de Golf. Op het moment dat verdachte bijna naast het voertuig staat, schakelt de bestuurder van de Golf naar zijn achteruit, en begint vervolgens achteruit te rijden. Op dat moment geeft verdachte met zijn hand een klap op het raam van het bestuurdersportier van de Golf, waardoor de ruit versplintert. De Golf rijdt door naar voren, manoeuvreert om de politieauto heen en rijdt vervolgens weg. Verdachte trekt dan zijn dienstwapen uit het holster, richt op de achterzijde van de Golf en schiet drie keer. Twee van de drie kogels hebben de Golf, waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich bevonden, daadwerkelijk geraakt. Eén van de kogels heeft zich door de achterklep en de achterbank en de bestuurdersstoel geboord en is beland tegen de rug van de bestuurder ([slachtoffer 1]), de andere kogel heeft de achterhoofdsteun geraakt en is tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door via de voorruit naar buiten gevlogen.

3.4.

Bewijsoverweging

De vraag waarvoor de rechtbank zich wat betreft het bewijs ziet gesteld, is of verdachte (voorwaardelijk) opzet op de dood, dan wel op zwaar lichamelijk letsel, van de inzittenden van de Golf heeft gehad door driemaal met zijn dienstwapen in de richting van de Golf te schieten.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verdachte niet de bedoeling – in de zin van vol opzet – heeft gehad om de inzittenden van het voertuig te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Verdachte heeft met zijn dienstwapen driemaal gericht op de achterzijde van de wegrijdende Golf geschoten, waarbij twee van de kogels daadwerkelijk de auto hebben geraakt. Eén van de kogels is (uiteindelijk) tegen de rug van de bestuurder gekomen, de andere kogel heeft de achterhoofdsteun geraakt en is vervolgens tussen de inzittenden door via de voorruit naar buiten gevlogen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij bewust meerdere keren gericht heeft geschoten op de achterzijde van de Golf, met het doel om de bestuurder tot stoppen te dwingen, terwijl hij wist dat zich twee personen in de auto bevonden.

Gelet op de hoogte waarop de kogels zijn afgevuurd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat één of beide inzittenden hierdoor zou worden gedood. Als geoefend schutter en ervaren politieambtenaar kan het niet anders zijn dat verdachte zich van die kans voor de inzittenden van de Golf waarop hij schoot bewust was. Wanneer een kogel terecht komt in het hoofd of het bovenlichaam, waar zich vitale organen bevinden, bestaat er een aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor dodelijk gewond raakt.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2].

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht, gelet op het hiervoor overwogene, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

primair

hij op 3 november 2013 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van het leven te beroven met dat opzet meermalen met zijn dienstwapen heeft geschoten op de auto (Volkswagen Golf) waarin zich voornoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bevonden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er sprake is van een rechtvaardigingsgrond voor het handelen van verdachte, nu verdachte handelde ter uitvoering van een wettelijk voorschrift (te weten artikel 7 van de ambtsinstructie voor de politie en artikel 7 van de Politiewet 2012).

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Artikel 7 van de Ambtsinstructie bepaalt onder welke voorwaarden politieambtenaren vuurwapengeweld mogen gebruiken. De bevoegdheid daartoe bestaat volgens het eerste lid van deze bepaling in geval van aanhouding van een persoon die zich aan zijn aanhouding, voorgeleiding of andere rechtmatige vrijheidsbeneming tracht te onttrekken of heeft onttrokken, en die wordt verdacht van of is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, en dat een ernstige aantasting vormt van de lichamelijke integriteit of de persoonlijke levenssfeer, en dat door zijn gevolg dreigend voor de samenleving is of kan zijn.

Artikel 10 van de Ambtsinstructie bepaalt dat een vuurwapen ter hand mag worden genomen in verband met de veiligheid van de ambtenaar of die van anderen, indien redelijkerwijs mag worden aangenomen dat een situatie ontstaat, waarin hij bevoegd is een vuurwapen te gebruiken.

Naar het oordeel van de rechtbank konden de inzittenden van de Golf niet als verdachten van de overval op de zonnestudio worden aangemerkt, noch op het moment dat verdachte hen wilde staande houden, noch op het moment dat de Golf na eerst te zijn gestopt om de politieauto is weggereden.

Bij dit oordeel heeft de rechtbank het volgende betrokken.

Allereerst wordt pas 41 minuten na de overval door verbalisanten een Volkswagen Golf gezien die ‘opvallend rijgedrag’ vertoont bij het zien van een opvallende politieauto. Deze auto wordt uit het oog verloren. Hoewel via de meldkamer vervolgens wordt gevraagd om uit te kijken naar een zwarte Volkswagen Golf, kan niet worden gezegd dat er een redelijk vermoeden van schuld bestaat dat de inzittenden van deze auto de overval op de zonnestudio hebben gepleegd, nu er geen link bestaat tussen de inzittenden van deze auto en de overvallers op de zonnestudio waarvan slechts bekend was dat het om drie mannen zou gaan, met vuurwapens, in donkere kleding die rennend waren gevlucht. Ongeveer 8 minuten later wordt dan door collega’s belast met verkeershandhaving opnieuw een zwarte Volkswagen Golf (hierna: de Golf) gesignaleerd die onverzekerd blijkt te zijn maar verder geen opvallend rijgedrag vertoont of op andere wijze de aandacht trekt. Wel wordt via de meldkamer besloten tot een “staande houding” van de inzittenden van dit voertuig. Deze Golf is dan betrokken bij het schietincident.

Nu van de inzittenden van de (zwarte) Volkswagen Golf die 41 minuten na de overval opvallend rijgedrag vertoont, niet kan worden gezegd dat zij als mogelijke verdachten van de overval op de zonnestudio konden worden aangemerkt, geldt dit nog sterker voor de twee inzittenden van de Golf die uiteindelijk worden staande gehouden. Of het daarbij mogelijk om dezelfde Volkswagen Golf zou gaan kan in het midden blijven en acht de rechtbank bij de beoordeling daarvan niet van belang. De rechtbank merkt hierbij op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de Volkswagen Golf een zeer gebruikelijk voertuig is, die – ook in de zwarte kleur – veel voorkomt.

Verdachte heeft verklaard dat op het moment dat de Golf een stopteken krijgt,

stopt en vervolgens wegrijdt, hij dacht dat de inzittenden van de Golf iets met de overval te maken moesten hebben en hij hen op dat moment als “verdachten” kon beschouwen. De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Hierboven is reeds overwogen dat op het moment van de staande houding geen sprake was van een redelijk vermoeden van schuld ten aanzien van de inzittenden van de Golf met betrekking tot de overval op de zonnestudio. Er kunnen meerdere redenen denkbaar zijn waarom de bestuurder van de Golf na een stopteken te hebben gekregen, wegrijdt en aan een controle tracht te ontkomen. Zo is in de opnames van de meldkamergesprekken te horen dat de Golf onverzekerd is en wordt opgemerkt “dat dit een mogelijke reden is om te vluchten”. Het negeren van een door verdachte gegeven bevel om te blijven staan kan naar het oordeel van de rechtbank mogelijk een verdenking opleveren voor overtreding van artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, maar niet van enige betrokkenheid bij de meergenoemde overval.

Nu de inzittenden van de Golf op het moment van het schieten door verdachte niet waren aan te merken als verdachten van een strafbaar feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, kan het verweer van de verdediging niet slagen. Naar het oordeel van de rechtbank hebben zich geen feiten of omstandigheden voorgedaan waaruit verdachte zou hebben kunnen en mogen afleiden dat hij zijn vuurwapen ter hand mocht nemen of mocht gebruiken. Het enkele feit dat de bestuurder van de Golf aan de politie wilde ontkomen en op de vlucht is geslagen, is onvoldoende voor de aanname dat sprake zou kunnen zijn van een geval waarin verdachte zijn vuurwapen ter hand mocht nemen of gebruiken. Niet is vast komen te staan dat zich een dusdanige gevaarlijke situatie heeft voorgedaan, dat verdachte hiertoe gerechtigd was.

Voorts heeft de raadsman van verdachte bepleit dat cliënt heeft gedwaald op het moment van het schieten, nu hij dacht te handelen in overeenstemming met de ambtsinstructie.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat er geen sprake is geweest van dwaling ten aanzien van de feiten, maar van een ten onrechte ontstane gedachte bij verdachte dat het de overvallers van de zonnestudio betrof.

Bovendien geldt het volgende. Van een politieambtenaar, die is aangesteld om in de openbare ruimte zijn taak uit te voeren met in zijn uitrusting een geladen dienstpistool, mag worden gevergd dat hij meer dan de gemiddelde burger, ook in onverwachte situaties waarin hij moet optreden, zijn zelfbeheersing en inzicht behoudt, in staat is om adequate beslissingen te nemen en niet te snel zal overgaan tot het gebruik van zijn dienstpistool. Wanneer te snel wordt overgegaan tot vuurwapengebruik, kan dat immers zeer grote risico’s in het leven roepen voor anderen, hetgeen een strenge norm rechtvaardigt. Het verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Het primair bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren (subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis), waarvan 120 uren (subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis) voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat strafoplegging achterwege dient te blijven, en dat volstaan zou dienen te worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van straf ex artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de uitoefening van zijn functie als politieambtenaar geschoten op een wegrijdend voertuig waarvan hij wist dat zich daarin twee personen bevonden. Eén van deze kogels heeft de bestuurder tegen zijn rug geraakt, de andere kogel is tussen de inzittenden in ter hoogte van hun hoofden door de voorruit naar buiten gegaan. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij letsel aan slachtoffer [slachtoffer 1] heeft toegebracht en het risico op dodelijk letsel in het leven heeft geroepen. Een dergelijk gewelddadig feit, gepleegd in een woonwijk, brengt onrust en gevoelens van onveiligheid in de samenleving teweeg.

Hoewel verdachte niet heeft gehandeld vanuit de gedachte de slachtoffers te willen doden of ernstig te verwonden, heeft hij een ernstige inschattingsfout gemaakt bij de uitoefening van zijn politietaak. Verdachte heeft daarbij – zo blijkt uit zijn verklaring ter terechtzitting – op het moment van staande houding van de inzittenden bewust niet gekozen voor de zogenaamde ‘uitpraatprocedure’ omdat hij niet overtuigd was dat zij de overvallers op de zonnestudio zouden zijn. In plaats van de uitpraatprocedure heeft verdachte gekozen voor een veel zwaarder middel om de staande houding van de inzittenden te ondersteunen, te weten het meermalen gericht schieten op de achterzijde van het voertuig met alle risico’s van dien. De rechtbank is zich ervan bewust dat politieagenten tot snel handelen zijn genoopt en in luttele secondes ingrijpende beslissingen moeten nemen. Hierop worden politieagenten evenwel getraind. Ook heeft de politie een dermate grote rol binnen onze rechtsorde, dat agenten zich aan de hieromtrent opgestelde regels moeten houden. De rechtbank weegt deze zogenoemde ‘Garantenstellung’ mee bij de op te leggen straf.

Anderzijds houdt de rechtbank rekening met het feit dat het gebeuren ook diepe indruk op verdachte heeft gemaakt en hij al een zware straf ondervindt doordat hij zich publiekelijk dient te verantwoorden in de rechtszaal. De rechtbank heeft ook zelf kunnen constateren dat verdachte dit zwaar is gevallen. Ook heeft verdachte ter terechtzitting te kennen gegeven nu bedachtzamer en terughoudender te handelen bij de uitoefening van zijn politietaak.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 29 oktober 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld;

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 26 november 2014 van J.H. Kooij, als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, Adviesunit 2 Noord-West te Haarlem en

- het psychologisch rapport gedateerd 24 november 2014, opgesteld door gezondheidszorgpsycholoog drs. P.C. Dalebout.

De verdediging heeft bepleit dat aan verdachte geen straf dient te worden opgelegd, maar dat dient te worden volstaan met een schuldigverklaring. De rechtbank is echter van oordeel dat een enkele schuldigverklaring zonder oplegging van straf onvoldoende recht zou doen aan de ernst van het feit. De rechtbank heeft hierbij mede gelet op het ontbreken van disciplinaire maatregelen van de zijde van de korpsleiding, hetgeen merkwaardig mag worden genoemd tegen de achtergrond, dat in een rechtsstaat ook de overheid zich aan de rechtsregels dient te houden. Dit niet ingrijpen door de korpsleiding zal vanzelfsprekend de verdachte niet worden aangerekend, en zal derhalve de hoogte van de strafoplegging niet uiteindelijk bepalen. Het maakt wel dat een strafrechtelijke reactie - die verder gaat dan een voorwaardelijke straf – uit oogpunt van generale preventie – wat mag de politie wel en niet in de toekomst - niet gemist kan worden.

De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Nu in dit geval geen sprake is geweest van een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van aangevers – immers het lichamelijke letsel is beperkt gebleven – zal de rechtbank volstaan met de na te noemen sanctie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van het na te noemen aantal uren in de onderhavige zaak de meest passende straf is.

De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de op te leggen taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 14a, 14b, 14c, 22c, 22b, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het primair bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 80 (tachtig) uren taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren daarvan verrichten te vervangen door 40 dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot 40 (veertig) uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 20 dagen hechtenis, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.F. van Hoorn, voorzitter,

mr. H.E.C. de Wit en mr. J.M. Sassenburg, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. L. de Jong,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 december 2014.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.