Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1178

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-02-2014
Datum publicatie
10-03-2014
Zaaknummer
15/703440-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag door insteken met mes in buikstreek. Verdachte enigzins verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Alkmaar

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/703440-13 (P)

Uitspraakdatum: 18 februari 2014

tegenspraak

strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 februari 2014 in de zaak tegen:

[…] […],

geboren op[geboortedatum] te Heiloo,

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. Visser en van wat verdachte en zijn raadsman mr. G. Kaaij, advocaat te Alkmaar, naar voren hebben gebracht.

1 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 november 2013 te Schoorl, gemeente Bergen (NH), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) met een groot mes (een bajonet) in de maag(streek) van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2 Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3 Bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, met dien verstande dat verdachte heeft gepoogd opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven.

3.2.

Standpunt van de verdediging.

Met betrekking tot een eventuele bewezenverklaring heeft de raadsman van verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het (impliciet) primair ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 2 november 2013 doet[slachtoffer]2 aangifte van poging tot moord/doodslag c.q. zware mishandeling. In zijn aangifte verklaart hij dat hij op 1 november 2013 naar de verjaardag van [getuige 1] is gegaan. [getuige 1] is woonachtig aan de Teugelaan 6 in Schoorl. […] […], de vader van[getuige 1], is daar ook aanwezig.

Tijdens een stoeipartijtje tussen aangever en[getuige 2] valt een vaas stuk.[getuige 1] en […] komen gelijk hun richting op. […] is gelijk agressief. […] wil dat aangever direct het huis verlaat. Op een gegeven moment staat aangever tegenover […] in de woonkamer. […] is heel agressief en maakt een stekende beweging naar de maag van aangever. Vervolgens trekt aangever zijn shirt omhoog en ziet geen bloed, maar wel een diepe wond in zijn maagstreek. Daarna voelt hij gelijk heel veel pijn. Hij ziet dat […] een mes in zijn hand heeft.

Op 2 november 2013 verklaart de getuige [getuige 3] dat hij op 1 november 2013 aanwezig is geweest op het verjaardagsfeestje van [getuige 1]. Hij ziet [getuige 1] en zijn vader […] geïrriteerd reageren op een vaas die stuk valt tijdens een stoeipartij. De twee vechtenden wordt vervolgens verzocht om weg te gaan. De getuige ziet dat […] een steekwapen uit de buffetkast pakt en een fractie van een seconde het mes in de schede aan [slachtoffer] laat zien. Vervolgens haalt […] met zijn linkerhand de schede van het mes af, haalt het mes duidelijk naar achteren en steekt[slachtoffer] in een rechte lijn vol in het middenrif. Volgens de getuige steekt […] één keer. Als het een vuiststoot zou zijn geweest, dan zou het genoeg zijn om iemand tijdelijk de adem te ontnemen. [slachtoffer] tilt zijn shirt op en de getuige ziet een ernstige steekwond3.

Op 3 november 2013 verklaart de getuige [getuige 8]4 tegenover de politie dat zij op 1 november 2013 op het feest is van[…]. Zij ziet dat[slachtoffer] met zijn stoel tegen een vaas aankomt, waardoor die stuk gaat. De vader van [getuige 1], die […] wordt genoemd, begint te schreeuwen en te schelden. [slachtoffer] wil zijn jas pakken en […] begint[slachtoffer] te duwen, waarop [slachtoffer] een duw terug geeft. Vervolgens ziet de getuige dat […] naar de kast loopt en een mes pakt. […] haalt dat mes een paar keer horizontaal heen en weer ter dreiging. Vervolgens ziet zij dat […] met dat mes een stekende beweging maakt. Hij houdt dat mes voor zich en steekt vervolgens richting [slachtoffer]. [slachtoffer] doet zijn shirt omhoog en de getuige ziet dat hij een steekwond bij zijn buik heeft.

Ook de getuige [getuige 4] de Jong verklaart dat hij op 1 november 2013 op het feestje van […] is. Hij ziet twee jongens opstaan en hoort glas vallen. Eén van die jongens is [slachtoffer] [slachtoffer]. Vervolgens ziet de getuige […] binnenkomen en hoort […] schreeuwen dat ze eruit moeten. [slachtoffer] loopt naar de bank en pakt zijn jas. De getuige ziet […] naar een kast lopen en daarvan een deurtje open trekken. Vervolgens ziet de getuige dat […] een mes pakt, een zilvergrijs mes met kartels eraan. Het is een soort survivalmes met een handvat. […] loopt naar [slachtoffer] en dreigt met dat mes in zijn hand in de richting van [slachtoffer]. Hij ziet dat […] dat mes een paar keer horizontaal heen en weer haalt ter hoogte van de buik van [slachtoffer] tegen of vlak voor zijn t-shirt. Vervolgens ziet hij dat […] energie verzamelt en het mes recht naar voren steekt in de buik van [slachtoffer]. Met dezelfde beweging trekt […] het mes weer uit de buik van [slachtoffer]. Hij ziet het mes erin en eruit gaan, aldus de getuige5.

Op 7 november 2013 verklaart de getuige [getuige 5]6 dat hij op 1 november 2013 getuige is geweest van een steekpartij. Hij ziet […] en [slachtoffer] tegenover elkaar staan. Ze duwen en trekken aan elkaar. Op een gegeven moment ziet de getuige dat […] zich omdraait naar een kastje, het deurtje daarvan opent en een bajonet pakt. Vervolgens draait […] zich naar [slachtoffer] toe, haalt de bescherming van het mes af en steekt hem. [slachtoffer] probeert dit steken te voorkomen door naar achteren te bewegen, maar krijgt dat mes in zijn borst.

Wanneer [slachtoffer] zijn t-shirt omhoog trekt, ziet de getuige een wond onder het middenrif van [slachtoffer].

Op 11 november 2013 verklaart de getuige [getuige 6]7 dat hij getuige is geweest van een steekpartij op 1 november 2013 in Schoorl. Op een gegeven moment ziet hij ruzie ontstaan tussen [slachtoffer] en […]. Het is over en weer duwen en trekken. […] laat [slachtoffer] los, loopt naar de kast en pakt een mes uit die kast. Het is een grote bajonet die je op een wapen kan klikken. Vervolgens ziet hij dat […] met dat mes in zijn hand een voorwaartse beweging maakt in de richting van de buik van [slachtoffer]. […] gaat eerst met het mes naar achteren en vervolgens voorwaarts. [slachtoffer] doet zijn shirt omhoog en de getuige ziet een gapend gat in de buik van [slachtoffer].

Op 1 november 2013 heeft de verbalisant [getuige 6] onderzoek ingesteld in de woning Teugelaan 6 te Schoorl. Achter de dekenkist in de woonkamer ziet hij een “bajonet” in een draagschede liggen. In de groeven van de “bajonet” ziet hij bloedsporen8.

Uit de geneeskundige verklaring van [getuige 6], forensisch arts van GGD Hollands Noorden, van 2 november 20139 blijkt dat [slachtoffer] [slachtoffer] een penetrerend trauma met perforatie van de maag, zonder lekkage in de buikholte, heeft opgelopen. De perforatie is na laparotomie gesloten. Het slachtoffer zal volledig genezen, maar een groot litteken aan de buik overhouden. De duur van de genezing wordt geschat op 6 weken.

Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag op [slachtoffer] [slachtoffer].

3.4.

Bewijsoverweging

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de onder 3.3 genoemde redengevende feiten en omstandigheden komen vast te staan dat verdachte een gekarteld mes (bajonet), ter hand heeft genomen en dat hij dit mes doelbewust en met kracht in de buikstreek van [slachtoffer] [slachtoffer] heeft gestoken, waarbij het mes het lichaam van die [slachtoffer] heeft gepenetreerd en de maag van die [slachtoffer] heeft geraakt. Dat verdachte [slachtoffer] [slachtoffer] met kracht heeft gestoken, leidt de rechtbank niet slechts af uit de diepe penetratie van het mes in het lichaam van [slachtoffer] [slachtoffer], maar ook uit de verklaring van de getuige De Boer. Die ziet verdachte één keer steken en omschrijft de steek als een vuiststoot die iemand tijdelijk de adem kan ontnemen. In de aard van deze handelingen van verdachte ligt het opzet op de dood van het slachtoffer besloten.

3.5.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het (impliciet) primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 november 2013 te Schoorl, gemeente Bergen (NH), ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met kracht met een groot mes (een bajonet) in de maag(streek) van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4 Kwalificatie en strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5 Strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van de door [getuige 7] gezondheidspsycholoog, opgemaakte pro justitia-rapportage omtrent de persoon van verdachte, gedateerd 22 januari 2014.

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte wordt door de deskundige geconcludeerd dat

bij betrokkene sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een persoonlijkheidsstoornis Niet Anderszins Omschreven met narcistische en theatrale

persoonlijkheidskenmerken. Er is bij betrokkene sprake van grootheidsgevoelens, die hij vaak etaleert. Hij idealiseert zijn kunnen in zijn werk, maar ook in zijn relaties en onderkent in duidelijk onvoldoende mate eigen onvolkomenheden. Hij kan gemakkelijk het slachtoffer worden van zelfoverschatting en verdraagt mogelijk falen slecht. Hij kan daarbij in onvoldoende mate naar eigen persoon en inbreng kijken en zal snel de neiging vertonen tot externaliseren, waardoor hij onvoldoende van gemaakte fouten leert. Betrokkene kan eigen zwakheden in onvoldoende mate onder ogen zien en zal snel met minder adequate copingmechanismen reageren wanneer daarvan sprake is. Hij verdraagt krenkingen slecht en deze zullen snel tot ofwel boosheid leiden of tot spanningen die zich vaak in lichamelijke klachten zullen vertalen. Hij onderkent deze mechanismen niet of nauwelijks. Betrokkene toont snel wisselende en theatrale uitingen van emoties. Vanuit zijn persoonlijkheid wil hij graag in de belangstelling staan, zich profileren en hij heeft daarbij de neiging

zich groter en sterker voor te doen dan hij is. De genoemde persoonlijkheidskenmerken zijn in zodanige mate van invloed op denken, voelen en gedrag van betrokkene en zijn in zodanige mate van invloed op het functioneren op de diverse levensgebieden, dat gesproken kan worden van een persoonlijkheidsstoornis.

Toen betrokkene tijdens het verjaardagsfeest van zijn zoon merkte dat er niet op zorgvuldige wijze met zijn spullen werd omgegaan, gaf dat veel ongenoegen bij hem en was dat een krenkende ervaring voor hem. Toen hij vervolgens belachelijk werd gemaakt op het moment dat hij er een kritische opmerking over maakte, zal dit voor hem, vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek, een ernstig krenkende ervaring zijn geweest, een krenking die hij mede onder invloed van overmatig alcoholgebruik niet kon hanteren. Betrokkene kon daarop de oplopende boosheid in onvoldoende mate beheersen en had vanuit de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens wat minder controle over zijn oplopende agressie en kwam daarbij, mede onder invloed van overmatig alcoholgebruik, tot het tenlastegelegde.

De rapporteur adviseert betrokkene op grond van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

De rechtbank kan zich verenigen met de conclusie van de deskundige.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar, zij het dat de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening zal houden met de enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte.

6 Motivering van de sanctie

6.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan 1 jaar voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, onder oplegging van de bijzondere voorwaarden, zoals opgenomen in het reclasseringsrapport d.d. 30 januari 2014 van mevrouw [getuige 7], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland.

6.2.

Standpunt van de verdachte

De raadsman van verdachte verzoekt ernstig rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden en de penibele financiële situatie van verdachte en geeft daarom de rechtbank in overweging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest en verdachte tevens een onvoorwaardelijke taakstraf voor de duur van 240 uren op te leggen. De raadsman kan zich vinden in de eis waar het gaat om de duur van de proeftijd.

6.3.

Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Tijdens een verjaardagsfeestje van zijn zoon is ruzie ontstaan tussen verdachte en het slachtoffer. In zijn blinde woede heeft verdachte een bajonet gepakt en heeft daarmee het slachtoffer in zijn buik gestoken, waarbij de maag van het slachtoffer werd geperforeerd. Gelukkig is er geen lekkage in de buikholte ontstaan, waardoor complicaties zijn uitgebleven.

Door deze handeling heeft verdachte het leven van [slachtoffer] [slachtoffer] ernstig in gevaar gebracht en een grove inbreuk gemaakt op zijn lichamelijke integriteit. Naast de lichamelijke en psychische gevolgen die het slachtoffer van dit feit ondervindt, worden door een dergelijk misdrijf ook de in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid bevestigd en versterkt door de schijnbare vanzelfsprekendheid waarmee steekwapens voorhanden zijn en de lichtzinnigheid waarmee daarvan gebruik wordt gemaakt. In zijn schriftelijke slachtofferverklaring heeft [slachtoffer] [slachtoffer] uiteengezet welke verstrekkende gevolgen dit feit voor hem heeft gehad en nog heeft.

Dat het letsel [slachtoffer] [slachtoffer] niet fataal is geworden, mag een gelukkige omstandigheid heten, die echter niet de verdienste van verdachte is.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 4 november 2013, waaruit blijkt dat verdachte reeds eerder ter zake van een geweldsdelict is veroordeeld. Dit heeft de verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden te recidiveren.

- het over de verdachte uitgebrachte voorlichtingsrapport gedateerd 30 januari 2014 van mevrouw [getuige 7] als reclasseringswerkster verbonden aan Reclassering Nederland.

Dit reclasseringsrapport houdt onder meer het volgende in:

Het recidiverisico wordt hoog/gemiddeld ingeschat. Vanwege zijn persoonlijkheidsproblematiek zal betrokkene eerder dan een ander last krijgen van spanningen, die voor hem moeilijk te hanteren zijn. Vanwege beperkt zelfinzicht is hij zich weinig bewust van risicofactoren, waardoor de kans op impulsieve (agressieve) doorbraken aanwezig blijft.

Op grond van het recidiverisico, de criminogene factoren en de eventuele interventies in het verleden, is een toezicht op bijzondere voorwaarden met gedragsinterventies en/of behandelingen geïndiceerd.

Indien verdachte schuldig wordt bevonden en de aard en ernst van de feiten dit toelaat, wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf op te leggen. Hierbij worden de volgende bijzondere voorwaarden geadviseerd:

  • -

    meldplicht;

  • -

    behandelverplichting – ambulante behandeling.

- het over de verdachte uitgebrachte psychologisch rapport gedateerd 22 januari 2014 van [getuige 7] gezondheidspsycholoog.

De sterke krenkbaarheid van betrokkene is een risicofactor. Voorts heeft betrokkene in

duidelijk te beperkte mate inzicht in eigen problematiek, vertoont hij een sterke neiging tot

externaliseren en overschat hij de eigen vaardigheden zijn problemen op te lossen. Er is een duidelijk risico dat hij niet tijdig hulp zoekt indien hij problemen niet zelfstandig kan oplossen.

Naast de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens vormt overmatig alcoholgebruik een risicofactor voor betrokkene, waarvan hij de ernst en mogelijke risico’s duidelijk onderschat. Deze factoren kunnen elkaar versterken en de kans op recidive doen toenemen.

De rapporteur acht behandeling van betrokkene noodzakelijk om het risico op recidive voldoende te verminderen. Hij zal meer inzicht dienen te krijgen in zijn persoonlijkheidsproblematiek en de daarmee samenhangende risicofactoren. Voorts onderschat hij de risico’s van alcohol op ontregeling van stemming en impulscontrole. Betrokkene overschat duidelijk de eigen mogelijkheden tot probleemoplossing. Daarvan is ook in verleden sprake gebleken. Betrokkene heeft meerdere malen van zijn huisarts het advies gekregen psychologische hulp te zoeken, doch dat steeds afgewezen. De

intrinsieke motivatie tot het zoeken van hulp is bij betrokkene dan ook gering. Voorts is de

verwachting dat hij de door hem als ondergeschikt ervaren positie in een behandelcontact vanuit zijn persoonlijkheidsproblematiek moeilijk zal verdragen, waardoor het risico op voortijdig afbreken van een behandeling reëel is.

Gezien het bovenstaande adviseert rapporteur betrokkene dan ook een ambulante behandeling op te leggen bij de Waag, de DFP (divisie forensische psychiatrie van GGZ-NH) of een vergelijkbare instelling als bijzondere voorwaarden bij een deels voorwaardelijke straf. Een verplicht reclasseringstoezicht wordt noodzakelijk geacht.

Met de conclusie van dit rapport kan de rechtbank zich verenigen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze straf vooralsnog gedeeltelijk niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proeftijd op drie jaren te stellen.

Aan het voorwaardelijke deel van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden koppelen, zoals opgenomen in het reclasseringsrapport d.d. 30 januari 2014 van mevrouw [getuige 7], reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Verdachte heeft zich bereid verklaard zich aan de gestelde voorwaarden te houden.

Bij de bepaling van de omvang van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de gevorderde leeftijd van verdachte, de intensieve behandeling van verdachte bij de Divisie Forensische Psychiatrie na detentie en de straffen welke de rechtbank in soortgelijke gevallen pleegt op te leggen.

Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest, met daaraan gekoppeld een forse onvoorwaardelijke taakstraf, zoals verzocht door de raadsman van verdachte, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de ernst en aard van het feit.

7 Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

7.1

[getuige 7] heeft namens de benadeelde partij [slachtoffer] een vordering tot schadevergoeding van € 11.352,57 ingediend tegen verdachte wegens materiële en immateriële schade die de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het ten laste gelegde feit heeft geleden. Ter terechtzitting heeft mr. Hersman de vordering van de benadeelde partij verminderd met de kosten voor rechtsbijstand. De gestelde schade bestaat uit de volgende posten:

- t-shirt € 74,95

- niet vergoede medische kosten € 24,14

- eigen risico zorgverzekering € 350,00

- derving inkomsten als zwarte piet 4 x € 40,00 € 160,00

- derving inkomsten dancing € 144,00

- derving inkomsten 6 x gemiste fooi € 60,00

- medische informatiekosten € 106,48

- reiskosten tbs gesprek advocaat/ovj 280 km x 0,45 € 126,00

- immateriële schade € 10.000,00

In totaal vordert de benadeelde partij [slachtoffer] thans € 11.045,57.

7.2

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] zal toewijzen tot een bedrag van € 10.601,57, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. Voor het overige dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

7.3

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van de materiële schade aangesloten bij de vordering van de officier van justitie, met dien verstande dat een deel van de reiskosten hiervan moet worden afgetrokken. De kilometervergoeding per gereden kilometer dient gesteld te worden op € 0,24. Bij de bepaling van de hoogte van de immateriële schade heeft de raadsman van verdachte aangehaakt bij het overzicht van het schadefonds misdrijven. Op grond hiervan heeft de raadsman van verdachte de rechtbank verzocht de immateriële schade vast te stellen op maximaal € 2.000,00.

7.4

De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, met dien verstande dat de inkomstenderving voor het werken als zwarte piet en in de dancing, alsmede de gemiste fooien niet voor vergoeding in aanmerking komen. Laatstgenoemde posten worden niet door enig schriftelijk bescheid onderbouwd.

De vergoeding voor gereden kilometers zal de rechtbank stellen op € 0,24 per gereden kilometer.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank de materiële schade zal toewijzen tot een bedrag van € 622,77, welk bedrag als volgt is samengesteld:

- t-shirt € 74,95

- niet vergoede medische kosten € 24,14

- eigen risico zorgverzekering € 350,00

- medische informatiekosten € 106,48

- reiskosten tbs gesprek advocaat/ovj 280 km x 0,24 € 67,20

De wettelijke rente zal niet worden toegewezen, nu deze door de benadeelde partij niet is gevorderd.

De rechtbank komt vergoeding van de immateriële schade tot een bedrag van € 3.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.

Voor het overige verklaart de rechtbank de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk in zijn vordering.

schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 14a, 14b, 14c, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht,

zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.5 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) MAANDEN.

Beveelt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 10 (tien) MAANDEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen twee dagen na detentie zal melden bij Reclassering Nederland, locatie Alkmaar, Rubenslaan 2-4, 1816 MC Alkmaar. Veroordeelde dient zich te houden aan de afspraken zo lang en zo vaak als de reclassering dat nodig acht;

  • -

    wordt verplicht om mee te werken aan een intakeprocedure en indien geïndiceerd behandeling bij de Divisie Forensische Psychiatrie of nader te noemen instelling. Hij houdt zich aan de afspraken en aanwijzingen van de behandelinstelling, zo vaak en zo lang als de instelling dat nodig acht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

 Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 3.622,77 (drie duizend en zes honderd en twee en twintig euro en zeven en zeventig cent), bestaande uit € 622,77 voor de materiële schade en
€ 3.000,00 voor de immateriële schade, en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan de benadeelde partij.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.622,77 (drie duizend en zes honderd en twee en twintig euro en zeven en zeventig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 46 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.M. van Weely, voorzitter,

mr. A.C. Haverkate en mr. H.A. Stalenhoef, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier D.H. Geuze,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 februari 2014.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 november 2013 met nummer PL10ZK2013115463-1 inhoudende de aangifte door [slachtoffer] [slachtoffer], (doorgenummerde) pagina’s 27 en 28.

3 Proces-verbaal van verhoor met nummer 2013115463_150461 inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 3] d.d. 2 november 2013, (doorgenummerde) pagina’s 54 tot en met 57.

4 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL10AL 2013115463-22 inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 8] d.d. 3 november 2013, (doorgenummerde) pagina’s 57 en 68.

5 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR 2013115463-27 inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 4] de Jong d.d. 6 november 2013, (doorgenummerde) pagina’s 70 en 71.

6 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR-2013115463-29 inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 5] d.d. 7 november 2013, (doorgenummerde) pagina’s 75 en 76.

7 Proces-verbaal van verhoor met nummer PL10RR 2013115463-30 inhoudende een getuigenverklaring van [getuige 6] d.d. 11 november 2013, (doorgenummerde) pagina’s 78 en 79.

8 Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant Hermanus Martinus [getuige 6] met nummer PL1AL 2013115463-5 d.d. 2 november 2013, (doorgenummerde) pagina 39, met bijlage pagina 40.

9 geneeskundige verklaring van [getuige 6], forensisch arts, verbonden aan GGD Hollands Noorden van 2 november 2013.