Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11716

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
11-12-2014
Zaaknummer
15/810552-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2015:4551, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; witwassen (invoer liquide middelen te luchthaven Schiphol).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/810552-11 (P)

Uitspraakdatum: 1 december 2014

Tegenspraak (ex artikel 279 Wetboek van Strafvordering)

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 17 november 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Turkije),

wonende op het adres [aanslagnummer].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. W.J. Veldhuis en van wat de raadsman van verdachte, mr. P.J. Silvis, advocaat te Schiedam, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 11 september 2011, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) 154.690,=, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde feit.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden1

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van het volgende.

Op 11 september 2011 is verdachte aan een veiligheidscontrole onderworpen op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer. Tijdens deze controle werd in de handbagage van verdachte een rol geld aangetroffen, verstopt in een schoen. Het bleek te gaan om een bedrag van 50.000 euro, bestaande uit biljetten van 200 en 500 euro. Gezien werd dat de coupures van 200 euro opvolgende nummers hadden.2 Tijdens de insluiting van verdachte werd in de schoudertas van verdachte een stapel met biljetten van 100 euro gevonden. In de binnenzak van de jas van verdachte werd nog een stapel met 50 euro biljetten aangetroffen. Na telling bleek het in totaal om een bedrag van 77.885 euro te gaan.3 Tijdens zijn verhoor gaf verdachte desgevraagd aan met een geldbedrag van ongeveer 75.000 euro te reizen. Hij zou naar Turkije vliegen. Nadat verdachte gevraagd werd of er ook geld in zijn ruimbagage zat, begon verdachte te trillen en keek hij weg. Hij gaf vervolgens aan dat er ook geld in zijn ruimbagage zat, maar verklaarde niet precies te weten hoeveel geld dit betrof. Het zou gaan om een bedrag groter dan 20.000 euro.4

Op 12 september 2011 is vervolgens de ruimbagage van verdachte onderzocht. In een spijkerbroek, welke bovenop in de koffer lag, bleek een stapel met biljetten van 100 euro te zitten. In de twee spijkerbroeken die daaronder lagen zaten ook biljetten van 100 euro. Voorts bleek er in een sportschoen een rol van biljetten verstopt te zitten met daarin biljetten van 500, 200, 100 en 5 euro. In totaal zijn 330 biljetten van 100 euro, 49 biljetten van 200 euro, 68 biljetten van 500 euro en één biljet van 5 euro aangetroffen in de ruimbagage. Het betrof in totaal een bedrag van 76.805 euro.5

In totaal werd een bedrag van 154.690 euro onder verdachte in beslag genomen.6 Verdachte had geen aangifte van dat geldbedrag gedaan bij de Douane, terwijl hij wel op de hoogte was van de geldende aangifteplicht voor bedragen van meer dan 10.000 euro.7

Verdachte is aldus met een grote hoeveelheid contant geld aangehouden op luchthaven Schiphol. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld in diverse valuta en dat de luchthaven Schiphol een doorvoerhaven is voor dat criminele geld. De rechtbank stelt voorop dat in de onderhavige zaak geen direct bewijs is verkregen voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van de bij verdachte in beslag genomen geldbedragen. Wel kan worden vastgesteld dat verdachte heeft getracht grote geldbedragen op een ongebruikelijke en risicovolle wijze via Schiphol het land uit te voeren, zonder daarvan melding te maken. Aldus is een kenmerk van witwassen op de onderhavige zaak van toepassing (Kamerstukken II 1999-2000, 27159, nr. 3). Voorts heeft de verdachte bij zijn verhoor gelogen over de grootte van het geldbedrag dat hij bij zich had en heeft hij een deel van het geld in spijkerbroeken en schoenen in zijn bagage verstopt. Het betrof bovendien onder meer 168 biljetten van 500 euro, biljetten die veelal in het criminele circuit worden gebruikt. Bij die stand van zaken mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld die niet zo onwaarschijnlijk is dat zij bij de vorming van het bewijsoordeel zonder meer terzijde behoort te worden gesteld (Hoge Raad 13 juli 2010 LJN: BM0787).

Over de herkomst van het geld heeft verdachte verklaard dat het geld voor een deel (50.000 à 60.000 euro) afkomstig is uit de inkomsten die hij de afgelopen jaren heeft gegenereerd als mede-eigenaar van café-restaurant [cafénaam 1]. Daarnaast zou 60.000 euro afkomstig zijn van zijn zwager en zakenpartner [mede-eigenaar], welk bedrag verdachte van deze [mede-eigenaar] had geleend. Een bedrag van 40.000 euro zou hij al sinds 2007 in zijn bezit hebben en hij zou ook nog 17.000 euro winst hebben gemaakt bij de overdracht van zijn bedrijf [cafénaam 2] eind 2008/ begin 2009 en hiervan een bedrag van 7.000 euro hebben gespaard. Een deel van het geld zou hij verdiend hebben toen hij illegaal aan het werk was in Nederland.8

De zakenpartner van verdachte, [mede-eigenaar], heeft op 13 september 2011 op de politiepost van de Koninklijke Marechaussee een leenovereenkomst getoond, inhoudende een geldelijke lening van 30.000 euro, die hij was aangegaan met ene ‘heer [K.]’. Vervolgens heeft [mede-eigenaar] de politiepost verlaten, zonder dat van hem een verklaring kon worden opgenomen. De Koninklijke Marechaussee heeft meerdere keren geprobeerd om telefonisch contact te zoeken met [mede-eigenaar], hetgeen niet is gelukt.9 Dit biedt aldus geen mogelijkheid ter (verdere) verificatie. Als verdachte op 13 september 2011 in vrijheid wordt gesteld, belooft hij op 14 september 2011 zijn bedrijfsadministratie te komen tonen aan de opsporingsambtenaren.10

Verdachte is zijn toezegging, dat hij de bedrijfsadministratie van het café-restaurant zou komen tonen, niet nagekomen. Verdachte heeft een brief ontvangen van de Koninklijke Marechaussee met daarin nogmaals het verzoek zijn bedrijfsadministratie, documentatie over de overdracht van café [cafénaam 2] alsmede documentatie van zijn werk bij drankhandel [bedrijfsnaam 1] te overleggen, maar heeft niet aan dit verzoek voldaan.11

De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat verdachte niet aan de hand van verifieerbare stukken heeft onderbouwd dat het geld grotendeels afkomstig is uit de inkomsten van het hem in eigendom toebehorende café-restaurant [cafénaam 1]. Evenmin heeft hij stukken overgelegd die onderbouwen dat hij 60.000 euro heeft geleend van zijn zakenpartner [mede-eigenaar].

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat reeds uit de opgevraagde gegevens van de belastingdienst blijkt dat verdachte uit zijn onderneming inkomsten en een winstaandeel heeft gegenereerd waaruit de herkomst van het bij verdachte aangetroffen geldbedrag verklaard kan worden.

Uit gegevens van de Belastingdienst blijkt dat verdachte in 2010 27.900 euro aan brutoloon heeft ontvangen van [bedrijfsnaam 1] BV en in 2011 21.184 euro aan brutoloon heeft ontvangen van dit bedrijf. Over de jaren 2008 en 2009 zijn geen loongegevens bekend bij de Belastingdienst. Daarnaast blijkt uit belastingaangiften dat het winstaandeel van verdachte in zijn ondernemingen in 2009 27.135 euro betrof, waarvan 21.375 euro in [cafénaam 1] Café VOF en 5.760 euro in café [cafénaam 2]. In 2010 betrof het winstaandeel van verdachte 17.323 euro, 24.787 euro in [cafénaam 1] Café VOF en -7464 euro in Café [cafénaam 2].12 Uit de belastinggegevens blijkt dat verdachte in de periode 2008 tot en met 2011 een gemiddeld jaarinkomen van circa 30.000 euro heeft genoten. De rechtbank acht dit niet een dermate hoog inkomen voor een kostwinner van een gezin met twee kinderen dat daarvan een aanzienlijk bedrag - zoals hier aan de orde is - kan worden gespaard. Uit de basisbegroting van het Nibud blijkt dat verdachte en zijn gezin minimaal 2.543 euro en gemiddeld 2.819 euro per maand nodig hadden om de maandelijkse lasten/kosten te kunnen betalen.13 Zelfs indien verdachte spaarzaam en zuinig zou hebben geleefd de afgelopen jaren, zou hij geen bedrag van 50.000 à 60.000 euro hebben kunnen sparen. Daarnaast is het opmerkelijk dat uit de gevorderde boekhouding van café-restaurant [cafénaam 1] van het jaar 2011 – na reconstructie van het kassaldo – blijkt dat er bijna continu sprake is van een negatief kassaldo. Op 11 september 2011 was er zelfs sprake van een negatief kassaldo van 51.883,93 euro.14

Tenslotte heeft verdachte wisselende verklaringen afgelegd omtrent de 500 euro biljetten die onder hem in beslag zijn genomen. Zo heeft verdachte eerst verklaard dat hij het onder hem aangetroffen geldbedrag in coupures van 50 euro heeft opgenomen van de bank en deze biljetten vervolgens bij een vriend heeft gewisseld voor biljetten van 200 en 500 euro.15 Later verklaart hij echter dat hij de biljetten van 200 en 500 euro heeft verkregen door betaling van klanten.16 Het is derhalve niet na te gaan op welke wijze verdachte het grote aantal bankbiljetten van (ook) 500 euro heeft verkregen.

Het voorgaande houdt in dat verdachte geen aannemelijke en redelijke verklaring kan geven voor de grote hoeveelheid contant geld die hij – deels verstopt – bij zich had. Verdachte is ook niet op de terechtzitting verschenen om uitleg te geven over de herkomst van het onder hem aangetroffen geldbedrag.

Op grond hiervan blijft het vermoeden van witwassen bestaan. Gelet op alle voornoemde feiten en omstandigheden, met name de hoogte van het bedrag, de coupures - groot en voor een deel met opvolgende nummers, de wijze waarop het geld werd vervoerd en het negeren van de aangifteplicht, kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat de bij verdachte aangetroffen gelden onmiddellijk dan wel middellijk van misdrijf afkomstig zijn en dat verdachte daarvan op de hoogte was.

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 11 september 2011, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal € 154.690,= voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Bij wijze van subsidiair verweer heeft de raadsman aangevoerd dat de gedragingen van verdachte niet als witwassen kunnen worden gekwalificeerd, nu het geld van verdachte zelf afkomstig is. De raadsman stelt zich op het standpunt dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat indien vaststaat dat het enkele voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. Met deze rechtspraak wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat.

De rechtbank is van oordeel dat het in deze zaak niet aannemelijk is dat het geld dat onder verdachte is aangetroffen afkomstig is uit een door hem zelf begaan misdrijf. Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden vloeit dat niet rechtstreeks voort. Reeds op die grond verwerpt de rechtbank het gevoerde verweer. En ook al zou het geld inderdaad (deels) afkomstig zijn van door verdachte zelf begane misdrijven, dan zou het verweer eveneens moeten worden verworpen. Gelet op de wijze waarop verdachte het geld bij zich had en daarmee via de luchthaven Schiphol naar elders wilde vliegen ging het immers om gedragingen van verdachte die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld.

Het bewezenverklaarde levert op:

Witwassen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sanctie

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft (meer subsidiair) de rechtbank verzocht om – mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met een geldboete van 10 % van het aangetroffen geldbedrag.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4. Hoofdstraf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van 154.690 euro. Door aldus te handelen wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, want zonder personen als verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk slechts laten leiden door financieel gewin en heeft geen oog gehad voor de schadelijke gevolgen hiervan voor de samenleving.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als straf in aanmerking. In de onderhavige zaak acht de rechtbank een gevangenisstraf van zeven maanden in beginsel passend en geboden.

Bij de bepaling van de na te melden duur van de gevangenisstraf zal de rechtbank evenwel – evenals de officier van justitie – rekening houden met het feit dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is overschreden. Hierin ziet de rechtbank aanleiding om de op te leggen gevangenisstraf met twee maanden te matigen. Een grotere matiging in de strafsoort en -hoogte zoals door de raadsman bepleit, vindt de rechtbank niet aangewezen. Daarbij heeft de rechtbank niet alleen gelet op de ernst van het feit, maar ook op de straffen die in soortgelijke (oudere) zaken worden opgelegd.

6.5. Bijkomende straf

verbeurdverklaring

De rechtbank is (voorts) van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van 154.690 euro dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit geldbedrag is begaan.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

8. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- 168 coupures van 500 euro;

- 106 coupures van 200 euro;

- 436 coupures van 100 euro;

- 117 coupures van 50 euro;

- 1 coupure van 20 euro;

- 1 coupure van 10 euro;

- 2 coupures van 5 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.W. Groenendijk, voorzitter,

mr. E.M.M. Gabel en mr. B.A.A. Postma, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. A. Keulers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 december 2014.

Mr. Postma is buten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van aanhouding d.d. 11 september 2011, dossierpagina 428-429.

3 Het proces-verbaal d.d. 14 september 2011, dossierpagina 23.

4 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 12 september 2011, dossierpagina 436 en 438.

5 Het proces-verbaal d.d. 12 september 2011, dossierpagina 26.

6 De kennisgevingen van inbeslagneming, dossierpagina 475 e.v.

7 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 12 september 2011, dossierpagina 437.

8 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 12 september 2011, dossierpagina’s 440, 442 en 443.

9 Het proces-verbaal d.d. 17 september 2011, dossierpagina’s 29 en 30.

10 Het proces-verbaal d.d. 17 september 2011, dossierpagina 29.

11 Een schriftelijk bescheid, te weten de brief van de Koninklijke Marechaussee aan verdachte d.d. 14 december 2011, dossierpagina 51.

12 Het proces-verbaal d.d. 8 mei 2010 (de rechtbank begrijpt: 2012) , dossierpagina’s 117 en 118.

13 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 december 2012, dossierpagina’s 313 en 314.

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 februari 2013, dossierpagina 404.

15 Het proces-verbaal d.d. 14 september 2011, dossierpagina 23, inhoudende de verklaring ter plaatse op Schiphol (dus niet hetgeen verdachte bij de insluiting heeft verklaard).

16 Het proces-verbaal d.d. 12 september 2011, dossierpagina 442.