Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11682

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-12-2014
Datum publicatie
12-12-2014
Zaaknummer
ALK 13/189
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wob. Bij besluit van 23 mei 2012 (het primaire besluit) heeft de minister voor Wonen en Rijksdienst het verzoek van Woningbouwvereniging Beter Wonen (eiseres) om informatie in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels afgewezen. Het verzoek ziet op informatie en toezending van bescheiden ter zake de contacten tussen de groep zogenaamde "kritische leden", de voormalige Raad van Toezicht van eiseres en het ministerie voor Wonen en Rijksdienst.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur, geldigheid: 2014-12-11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/189

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 december 2014 in de zaak tussen

Woningbouwvereniging Beter Wonen, te Hippolytushoef, eiseres

(gemachtigde: mr. P.D. van de Reep),

en

de minister voor Wonen en Rijksdienst, verweerder.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

  1. [derde partij 1],

  2. [derde partij 2],

  3. [derde partij 3],

  4. [derde partij 4],

  5. [derde partij 5],

  6. [derde partij 6],

  7. [derde partij 7],

  8. [derde partij 8],

allen te Hippolytushoef.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiseres om informatie in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) deels afgewezen. Het verzoek ziet op informatie en toezending van bescheiden ter zake de contacten tussen de groep zogenaamde “kritische leden”, de voormalige Raad van Toezicht van eiseres en het ministerie voor Wonen en Rijksdienst.

Bij besluit van 19 december 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2014. Namens eiseres zijn verschenen [naam 1] en [naam 2], bijgestaan door voornoemde gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Amerongen en drs. M.J.S. Nieuwenhuizen. Van derde-partij zijn verschenen [derde partij 1], [derde partij 2], [derde partij 3], [derde partij 4], [derde partij 5] en [derde partij 6] en [derde partij 8]. Namens de Huurdersbelangenvereniging Wieringen is voorts [naam 3] verschenen.

Het onderzoek is ter zitting geschorst teneinde partijen in de gelegenheid te stellen tot een vergelijk te komen. Omdat dit niet is gelukt, heeft de rechtbank, na toestemming te hebben verkregen om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt, bij brief van 28 juli 2014 het onderzoek gesloten en bepaald dat binnen zes weken uitspraak zal worden gedaan. De rechtbank heeft de termijn voor het doen van uitspraak nadien verlengd.

Overwegingen

1.1

De vereniging Huurdersbelangenvereniging Wieringen, namens wie ter zitting
[naam 3] is verschenen, heeft de rechtbank verzocht haar in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen. De rechtbank heeft de Huurdersbelangenvereniging Wieringen (hierna: HVB) voorafgaand aan de zitting voorlopig toegelaten en de vraag of zij als derde-belanghebbende partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan worden aangemerkt tijdens de zitting aan de orde gesteld. Ter zitting is ook aangegeven dat in de uitspraak zal worden gemotiveerd of HVB al dan niet als partij aan het geding kan deelnemen.

1.2

De rechtbank is van oordeel dat HVB niet als partij in het geding kan worden toegelaten, omdat zij geen belanghebbende is bij het besluit van verweerder waarbij het verzoek van eiseres om (volledige) openbaarmaking van stukken op grond van de Wob is afgewezen. De omstandigheid dat HVB opkomt voor de belangen van alle huurders van eiseres en aldus toeziet op een doelmatige besteding van opgehaalde huren, maakt immers niet dat zij bij de beslissing op grond van de Wob, een eigen, van anderen te onderscheiden, belang heeft. Derhalve stelt de rechtbank HVB niet (verder) in de gelegenheid aan het geding deel te nemen. Hetgeen namens HVB is aangevoerd, zal dan ook niet in de beoordeling worden betrokken.

2. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Op grond van het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Op grond van artikel 10, tweede lid van de Wob blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van:

d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Op grond van artikel 11, eerste lid, van de Wob wordt, in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie verstrekt over daarin opgenomen persoonlijke beleidsopvattingen.

3. Eiseres heeft verweerder bij brief van 5 januari 2012 verzocht om informatie en toezending van de bescheiden ter zake de contacten tussen de groep zogenaamde “kritische leden”, de voormalige Raad van Toezicht van eiseres en het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Eiseres wenst, blijkens deze brief, van het Ministerie door de groep “kritische leden” dan wel individuele leden daarvan gezonden brieven, e-mails en faxen alsmede verslagen van besprekingen, waaronder doch niet uitsluitend telefonische. Eiseres wenst verder van het Ministerie door de voormalige Raad van Toezicht dan wel individuele leden daarvan gezonden brieven, e-mails en faxen alsmede verlagen van besprekingen, waaronder doch niet uitsluitend telefonische, alsmede de eventuele agenda’s daarvan.

4. Verweerder heeft van de naar aanleiding van het verzoek gevonden documenten een inventarislijst opgesteld, genummerd 1 tot en met 73. Nummer 21 staat niet op de lijst, omdat was gebleken dat dit document al onder een ander nummer op de lijst was opgenomen.

5.1

Eiseres stelt dat de inventarislijst incompleet is, omdat verweerder haar verzoek te beperkt heeft opgevat. Verder ontbreekt een verslag van het in de brief van 22 januari 2010 (in de inventarislijst opgenomen onder nummer 4) genoemde overleg dat op 8 januari 2010 heeft plaatsgehad, alsmede de in de brief van 17 mei 2010 van de minister voor Wonen, Wijken en Integratie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer genoemde brief van een voormalig lid van de Raad van Toezicht aan de leden van de algemene commissie voor Wonen, Wijken en Integratie van 15 april 2010.

5.2

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de inventarislijst incompleet is, omdat verweerder haar verzoek te beperkt heeft opgevat. Verweerder is bij zijn besluitvorming terecht uitgegaan van het door eiseres geformuleerde verzoek, zoals weergegeven in de hierboven onder 3 vermelde brief van 5 januari 2012. Dit verzoek ziet uitsluitend op door de (afzonderlijke leden van de) groep “kritische leden” dan wel de (afzonderlijke leden van de) Raad van Toezicht aan het ministerie gezonden brieven, e-mails en faxen. Het verzoek ziet derhalve niet (ook) op door het ministerie of de minister opgestelde documenten. Verweerder heeft verder aangegeven dat van het overleg van 8 januari 2010 geen verslag is opgemaakt, aan welke verklaring de rechtbank niet twijfelt, zodat dit verslag om die reden terecht geen onderdeel heeft uitgemaakt van de inventarislijst. De brief van 15 april 2010 is voorts weliswaar afkomstig van een voormalig lid van de Raad van Toezicht, maar is niet gericht aan de minister maar aan de Tweede Kamer, althans aan die leden daarvan die deel uitmaken van de vaste Kamercommissie voor Wonen, Wijken en Integratie. Het verzoek omvatte niet deze brief en deze maakt dus terecht geen onderdeel uit van de inventarislijst. Het betoog van eiseres faalt derhalve.

6.1

Eiseres stelt verder dat de inventarislijst incompleet is, omdat documenten met persoonlijke beleidsopvattingen van de lijst onderdeel zouden moeten uitmaken.

6.2

De rechtbank overweegt dat in het primaire besluit (ook) artikel 11 van de Wob aan de weigering ten grondslag is gelegd. Gelet evenwel op het door eiseres geformuleerde verzoek, zoals is verwoord in overweging 3, heeft zij niet verzocht om stukken van intern beraad. Bij het bestreden besluit heeft verweerder artikel 11 van de Wob derhalve terecht niet langer als weigeringsgrond gehandhaafd. Het betoog van eiseres faalt dan ook.

7.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de (volledige) openbaarmaking geweigerd van de documenten op de inventarislijst. Het belang van inspectie, controle en toezicht door de Minister als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob, het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, zijn aan de weigering ten grondslag gelegd.

7.2

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat openbaarmaking van de stukken niet een zodanige bijdrage aan de publieke controle levert dat het belang van inspectie, controle en toezicht door verweerder, het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling daarvoor moeten wijken. Daarbij geldt dat een bestuursorgaan beoordelingsvrijheid toekomt bij de afweging van door de weigeringsgronden van de Wob beschermde belangen en het algemene publieke belang bij openbaarheid.

8.1

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de openbaarmaking van de onder 1 en 2 op de inventarislijst opgenomen documenten niet kon worden geweigerd met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob. De omstandigheid dat verweerder het toezicht niet naar behoren kan uitvoeren, kan niet redengevend zijn voor het weigeren van de openbaarmaking van de verkregen informatie. Het moet controleerbaar zijn wat verweerder bij het toezicht als noodzakelijke informatie aanmerkt en ook hoe naar deze informatie wordt gezocht, dan wel hoe deze wordt verkregen.

8.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de genoemde documenten in vertrouwelijkheid aan het ministerie zijn verstrekt in het kader van haar toezichthoudende taak. Indien deze documenten (deels) openbaar zouden worden gemaakt, kan dit er in de toekomst toe leiden dat er door betrokkenen bij andere onderzoeken minder vrijelijk informatie zal worden verstrekt en dat de informatieverstrekking beperkt zou zijn tot informatie die men volgens de letter van de wet verplicht is te verstrekken. Dit zou de toezichthoudende taak van het ministerie kunnen belemmeren.

8.3

Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 maart 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV6265) en 27 april 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BQ2643) kan, indien als gevolg van de verzochte openbaarmaking het ministerie haar toezichthoudende taak niet meer naar behoren zal kunnen uitoefenen, niet worden geoordeeld dat de minister niet in redelijkheid met een beroep op het in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wob genoemde belang van inspectie, controle en toezicht de verzochte openbaarmaking heeft kunnen weigeren. Zoals volgt uit genoemde uitspraken, kan op grond van die bepaling ook de openbaarmaking van vrijwillig verstrekte informatie worden geweigerd.

8.4

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de documenten op de inventarislijst aangeduid als 1 en 2, overweegt de rechtbank dat verweerder op deugdelijke wijze heeft onderbouwd dat hij als gevolg van openbaarmaking zijn toezichthoudende taak niet meer naar behoren zou kunnen uitoefenen. Aannemelijk is dat verweerder voor een adequaat toezicht afhankelijk is van vrijwillige meldingen en dat zijn taak ernstig wordt bemoeilijkt, wanneer het uitgangspunt van de Wob

- openbaarheid is regel - in acht wordt genomen. Dat verweerder, gelet op de omstandigheid dat er ook meldplichten gelden, niet louter afhankelijk is van vrijwillige meldingen over knelpunten in de sector, doet daaraan niet af. Verweerder heeft het belang van inspectie, controle en toezicht in dit geval zwaarder mogen laten wegen dan het belang van openbaarmaking.

9.1

Eiseres stelt voorts dat verweerder de openbaarmaking van de documenten, op de inventarisatielijst aangeduid met nummers 1, 3, 5 tot en met 8, 16, 31 en 53, niet met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob heeft mogen weigeren. Zij stelt in dat verband - kort gezegd - dat de betrokkenen door veelvuldig in de publiciteit te treden, afstand hebben gedaan van het recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer.

9.2

Verweerder stelt dat de documenten informatie bevatten van en over natuurlijke personen op directe of indirecte wijze gerelateerd aan eiseres die bij openbaarmaking direct in hun persoonlijke levenssfeer geraakt zouden worden en voor wie openbaarmaking een ernstige inbreuk op hun privacy zou betekenen. Ook bij anonimiseren zou uit de inhoud en context kunnen worden afgeleid wie het betreft.

Verweerder stelt verder dat de betrokkenen door zelf de publiciteit op te zoeken geen afstand hebben gedaan van het recht op bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Betrokkenen hebben hun verhaal in de publiciteit kenbaar gemaakt, maar aan de minister vertrouwelijk aanvullende en andere informatie verstrekt, aldus verweerder.

9.3

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de niet aan eiseres verstrekte documenten 1, 3, 5 tot en met 8, 16, 31 en 53, is de rechtbank van oordeel dat verstrekking van deze een directe inbreuk zou betekenen op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen als bedoeld in artikel 10, tweede lid, onder e, van de Wob. De genoemde documenten bevatten persoonsgegevens die herleidbaar zijn tot personen (namen, e-mailadressen, adressen). Verder valt uit de context van de documenten de identiteit af te leiden van de personen wier privacy in het geding is. Verweerder heeft om die reden in redelijkheid kunnen besluiten de informatie niet, ook niet gedeeltelijk, te verstrekken. De omstandigheid dat leden van de groep kritische huurders dan wel de Raad van Toezicht de publiciteit hebben gezocht, maakt - waarbij de rechtbank in het midden laat of zich tussen genoemde documenten al dan niet stukken van hun hand bevinden of dat zij daarin worden genoemd - niet dat zij daarmee volledig afstand hebben gedaan van de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Daarbij geldt temeer dat openbaarmaking van de documenten niet zou zijn beperkt tot eiseres, maar dat het gaat om een openbaarmaking van de documenten aan een ieder.

10.1

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de documenten met de nummers 4, 9, 10, 15, 17, 20, 38, 45 en 61 gedeeltelijk verstrekt met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e, van de Wob.

10.2

Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat haar beroep, hoewel in het beroepschrift niet expliciet verwoord, ook tegen deze beperkte openbaarmaking is gericht.

10.3

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de beperkt aan eiseres verstrekte documenten 4, 9, 10, 15, 17, 20, 38, 45 en 61, overweegt de rechtbank dat de weggelakte passages namen, adressen en telefoonnummers betreffen alsmede andere direct tot personen herleidbare gegevens. Nu eiseres ter zitting nadrukkelijk heeft aangegeven dat het haar om deze gegevens niet is te doen, begrijpt de rechtbank dat eiseres zich aldus met de beperkte openbaarmaking van deze documenten kan verenigen. Haar beroep is derhalve in zoverre ongegrond.

11.1

Eiseres stelt verder dat verweerder de openbaarmaking van de documenten, op de inventarisatielijst aangeduid met nummers 1 tot en met 3, 5 tot en met 8, 11 tot en met 14, 16, 18, 19, 21 tot en met 37, 39 tot en met 44, 46 tot en met 60 en 62 tot en met 73 niet met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob heeft mogen weigeren. In dat verband stelt eiseres dat zij door de weigering deze stukken openbaar te maken onevenredig wordt benadeeld.

11.2

Na met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis te hebben genomen van de documenten 1 tot en met 3, 5 tot en met 8, 11 tot en met 14, 16, 18, 19, 21 tot en met 37, 39 tot en met 44, 46 tot en met 60 en 62 tot en met 73, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat openbaarmaking van deze documenten betrokkenen, de corporatie en het belang van volkshuisvesting onevenredig zou benadelen. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen de procedures die door eiseres en overigens ook door de derde-belanghebbenden zijn of worden gevoerd. De omstandigheid dat eiseres heeft aangegeven dat het haar niet is te doen om het verkrijgen van namen, omdat zij weet wie de betrokken personen zijn, biedt geen grond voor een ander oordeel, temeer nu openbaarmaking op grond van de Wob zich niet enkel beperkt tot eiseres, maar dat het gaat om een openbaarmaking van de documenten aan een ieder. Het betoog van eiseres faalt.

12. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de (volledige) openbaarmaking van de gevraagde informatie kunnen weigeren. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs B. Veenman, , voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. S. Slijkhuis, leden, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.