Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11618

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
3093168 - CV EXPL 14-1578
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opdracht tot leveren en monteren van een transportband in een puinbreekinstallatie.

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven wat het schadeveroorzakende feit is. Wanneer De Wit wordt gevolgd in haar standpunt dat het schadeveroorzakende feit is gelegen in het monteren van een te korte transportband, dan is sprake van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van REPA in de nakoming van de verbintenis tot het leveren en het monteren van een transportband. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat REPA aansprakelijk is voor de uit deze tekortkoming voortvloeiende schade en dienen de reparatiekosten voor rekening van REPA te blijven.

De kantonrechter komt tot dezelfde conclusie wanneer REPA wordt gevolgd in haar standpunt ten aanzien van het schadeveroorzakende feit en overweegt als volgt. Vast staat dat REPA vóór de montage van de transportband heeft waargenomen dat de stortbak, die moest aansluiten op de transportband, niet was voorzien van een kunststof profiel. Vast staat verder dat REPA van mening is dat de aanwezigheid van een kunststof profiel noodzakelijk is. Ook staat vast dat REPA de transportband desondanks op de puinbreekinstallatie van De Wit heeft gemonteerd. Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van REPA gelegen om De Wit uitdrukkelijk en bij voorkeur schriftelijk erop te wijzen dat het ontbreken van het kunststof profiel tot schade aan de transportband leidt en had REPA desnoods van montage moeten afzien, dan wel had REPA moeten bedingen de transportband op risico van De Wit te monteren. Door dit na te laten heeft REPA de mogelijkheid van het door haar gestelde schadeveroorzakende feit zelf laten ontstaan en in zoverre is REPA tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis. Deze tekortkoming is REPA toe te rekenen, nu zij, zoals zij zelf naar voren brengt, deskundige is op het gebied van het leveren en de montage van transportbanden en juist om die reden door De Wit is ingeschakeld. De stelling van REPA ter zitting dat zij een ter plaatste aanwezige medewerker van De Wit heeft gewezen op de afwezigheid van het kunststof profiel, acht de kantonrechter niet voldoende voor een andersluidend oordeel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 3093168 / CV EXPL 14-1578 (SJ)

Uitspraakdatum: 26 november 2014

Vonnis in de zaak van:

de besloten vennootschap REPA Transportbanden B.V., gevestigd te Uitgeest

eisende partij in conventie,

gedaagde partij in reconventie,

verder ook te noemen: REPA

gemachtigde: mr. R.A.M. Schram,

tegen

de besloten vennootschap [X], gevestigd te Berkhout

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

verder ook te noemen: De Wit

gemachtigde: mr. drs. S.M. van Meer.

Het procesverloop

REPA heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding van 13 mei 2014.

De Wit heeft in conventie bij conclusie van antwoord verweer gevoerd en in reconventie een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 29 oktober 2014.

REPA heeft een conclusie van antwoord in reconventie genomen.

Namens REPA zijn verschenen [A] en [B] en de gemachtigde van REPA. Namens De Wit zijn verschenen [C] en [D] en de gemachtigde van De Wit.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

De vaststaande feiten

1.1

De kantonrechter neemt de volgende feiten en omstandigheden aan, omdat deze door de ene partij zijn gesteld en door de andere partij zijn erkend of niet zijn betwist.

1.2

De Wit is een loonbedrijf. Voor de uitvoering van de werkzaamheden beschikt De Wit over een puinbrekerinstallatie.

1.3

REPA levert transportbanden en monteert deze op reeds in gebruik zijnde machines.

1.4

Medio 2013 heeft De Wit telefonisch contact opgenomen met REPA om te vragen of REPA kan zorgdragen voor het vervangen van een bestaande transportband in de puinbrekerinstallatie van De Wit.

1.5

REPA heeft een monteur naar De Wit gestuurd om de bestaande transportband te bekijken en de nog te leveren transportband in te meten. Op 29 augustus 2013 heeft REPA aan de hand van de bevindingen van de monteur aan De Wit een offerte gefaxt. REPA heeft de levering van een transportband met profielmaat ‘H46’ voor € 3.595,00 geoffreerd. De levering van een transportband met profielmaat ‘H58’ voor € 1.590,00 is als alternatief voor de ‘H46’ geoffreerd.

1.6

De Wit heeft REPA telefonisch opdracht gegeven de transportband met profielmaat ‘H58’ te leveren en te monteren.

1.7

REPA heeft deze transportband niet gemonteerd omdat haar voor het monteren bleek dat deze transportband zodanig breed is dat dit tot problemen zou kunnen leiden. De Wit heeft vervolgens REPA opdracht gegeven de transportband met profielmaat ‘H46’ te leveren en te monteren. Deze transportband is geleverd en op 18 september 2013 door REPA in de puinbrekerinstallatie van De Wit gemonteerd.

1.8

De levering en de montage van de transportband met profielmaat ‘H46’ ten bedrage van € 5.389,34 heeft REPA bij De Wit in rekening gebracht bij factuur van
23 september 2013.

1.9

Na montage heeft REPA op verzoek van De Wit op 23 september 2013, 25 september 2013 en 27 september 2013 ter plaatse reparatiewerkzaamheden verricht. De reparaties hadden alle betrekking op het herstellen van schade aan de transportband. Bij de reparatie van 27 september 2013 bleek dat de transportband voor een deel onherstelbaar beschadigd was. Dit deel is door REPA vervangen op 2 oktober 2013. Verder is de transportband bij die gelegenheid op verzoek van De Wit verlengd met 26 cm, waarmee de totale lengte van de transportband 15 m bedroeg.

1.10

Op 14 oktober 2013 heeft REPA nog eenmaal een reparatie uitgevoerd aan de transportband. Een van de twee ‘lasnaden’ in de transportband had losgelaten.

1.11

De reparaties heeft REPA bij De Wit in rekening gebracht bij facturen van 25 september 2013 respectievelijk 27 september 2013, 30 september 2013, 4 oktober 2013 en 16 oktober 2013. Voorts heeft REPA bij De Wit de niet gemonteerde transportband ‘H58’ ten bedrage van € 1.923,90 inclusief btw in rekening gebracht bij factuur van 25 oktober 2013.

1.12

De Wit heeft de facturen onbetaald gelaten.

Het geschil

In conventie

2.1

REPA vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van De Wit tot betaling binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis van een bedrag van
€ 5.389,34, wegens levering en montage van een transportband ‘H46’, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 22 oktober 2013 tot de dag van betaling. Verder vordert REPA veroordeling van De Wit tot betaling binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis van een bedrag van € 9.825,53 wegens geleverde diensten – hiervan maakt deel uit een bedrag van € 1.923,90 inclusief btw voor de levering van transportband ‘H58’ – te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 24 november 2013 tot de dag van betaling en tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 927,15 en de proceskosten met nakosten.

2.2

REPA stelt hiertoe, samengevat, dat zij heeft voldaan aan haar contractuele verplichtingen, te weten het leveren en het monteren van de transportband ‘H46’ in de puinbreekinstallatie van De Wit. Verder stelt REPA dat de nadien uitgevoerde reparaties niet zijn te herleiden tot een gebrek aan de door haar geleverde en gemonteerde transportband. REPA stelt dat de schade uitsluitend zijn oorzaak had in gebreken aan de puinbrekerinstallatie zelf en is ontstaan doordat de stortbak van puinbrekerinstallatie niet was voorzien van een kunststof profiel. Hierdoor kwamen de kale en scherpe metalen randen van de stortbak in rechtstreeks contact met de transportband en kon er puin en afval naast de transportband vallen en aan de onderzijde van de band blijven liggen. Dat het door De Wit ingeschakelde expertisebureau Arntz/Van Helden (hierna: Arntz/Van Helden) dit niet heeft onderkend, zal mogelijk zijn oorzaak hebben in het feit dat de bewuste profielen ten tijde van de inspectie door Arntz/Van Helden wel waren aangebracht. In dit verband stelt REPA nog dat zij ruim twintig jaar ervaring heeft met betrekking tot de levering en de montage van transportbanden en, anders dan Arntz/Van Helden, beschikt over zeer gespecialiseerde kennis op het gebied van transportbanden. Verder stelt REPA dat een te korte transportband niet kan worden gemonteerd en dat een puinbrekerinstallatie juist vanwege het feit dat de lengte van transportbanden kan fluctueren – de band is gemaakt van rubber – is voorzien van een stelschroef. Hiermee kan de transportband op maat worden gemaakt voor de betreffende installatie. REPA stelt dat de kosten van de reparaties daarom voor rekening van De Wit komen.

3. De Wit concludeert tot afwijzing van de vordering van REPA en voert hiertoe, samengevat, aan dat de offerte van 29 augustus 2013 nooit is aanvaard. De Wit stelt dat REPA mondeling heeft aangegeven een goedkopere transportband te kunnen aanbieden en te monteren dan zij aanvankelijk had geoffreerd en dat De Wit dit nieuwe aanbod heeft aanvaard. Verder voert De Wit aan dat niet is gesproken over een door haar te betalen meerprijs voor de uiteindelijk gemonteerde transportband ‘H46’. De Wit voert aan geen verstand te hebben van transportbanden en ervan te zijn uitgegaan dat de aangeboden band, door REPA aangeduid als ‘H58’ zou passen, temeer omdat REPA de machine vooraf had opgemeten. De meerkosten dienen daarom voor rekening en risico van REPA te komen. De Wit is van mening dat zij slechts de bedongen prijs ten bedrage van € 2.963,29 inclusief montagekosten en btw hoeft te voldoen. De Wit verzoekt de kantonrechter de vordering van REPA dienaangaande tot dit bedrag te matigen.

Wat betreft de door REPA gevorderde reparatiekosten voert De Wit aan dat de oorzaak van de schade aan de transportband is gelegen in het feit dat de door REPA geleverde band te kort was. De Wit wijst in dit verband op het expertiserapport van Arntz/Van Helden. Voor zover de schade zou zijn gelegen in het ontbreken van een kunststof profiel van de stortbak, dan had REPA De Wit hierop dienen te wijzen en de transportband niet moeten monteren. Te meer nu De Wit REPA heeft ingeschakeld om haar deskundigheid en REPA ook beweert deskundig te zijn. De Wit voert aan dat de reparatiewerkzaamheden zijn uitgevoerd in verband met het alsnog deugdelijk nakomen van de verbintenis, zodat de kosten hiervan voor rekening van REPA dienen te blijven.

4. Bij de beoordeling zal zo nodig nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

In reconventie

5.1

De Wit vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van REPA tot betaling van € 19.549,30 inclusief btw als schadevergoeding, alsmede voor recht te verklaren dat een eventueel toegewezen vordering in conventie zal worden verrekend met de eventueel toegewezen vordering in reconventie, met veroordeling van REPA in de proceskosten.

5.2

De Wit stelt hiertoe, samengevat, dat zij bij e-mail van 19 november 2013 REPA heeft aangemaand de overeenkomst alsnog deugdelijk na te komen en dat zij de betaling heeft opgeschort. Voorts stelt De Wit dat REPA heeft aangegeven niet te zullen nakomen, waardoor REPA in verzuim is gekomen. Door de tekortkoming van REPA heeft De Wit schade geleden – onder meer gederfde omzet als gevolg van stilstand van de puinbrekerinstallatie – en door het verzuim van REPA heeft De Wit recht op schadevergoeding. Verder heeft De Wit de transportband door een ander moeten laten vervangen omdat de door REPA geleverde en gemonteerde transportband niet deugdelijk was en REPA niet wilde nakomen. Ook deze kosten vordert De Wit.

6. REPA concludeert tot afwijzing van de vordering van De Wit en voert, samengevat, aan dat zij niet tekort is geschoten in de nakoming van de overeenkomst tot levering van de transportband. REPA wijst naar hetgeen zij in de dagvaarding heeft uiteengezet over de oorzaak van de schade. Voor zover de kantonrechter meent dat er sprake is van een tekortkoming dan betwist REPA de door De Wit gevorderde schade.

7. Bij de beoordeling zal zo nodig nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

In conventie

8. Met betrekking tot de door REPA gevorderde kosten voor de levering en de montage van transportband ‘H46’ overweegt de kantonrechter als volgt. Vast staat dat De Wit heeft ingestemd met de levering en de montage van de transportband ‘H46’ toen bleek dat de transportband ‘H58’ niet paste, dat De Wit middels de offerte van 29 augustus 2013 op de hoogte was van de prijs van deze duurdere transportband, en dat partijen niet nader hebben onderhandeld over de prijs van deze transportband. Gelet hierop had De Wit naar het oordeel van de kantonrechter niet ervan kunnen uitgaan dat de transportband ‘H46’ voor dezelfde prijs zou worden geleverd en gemonteerd als de prijs van de transportband ‘H58’. Hetgeen De Wit in dit verband heeft gesteld faalt derhalve. De kantonrechter zal dit deel van de vordering dan ook toewijzen.

9. Ten aanzien van de door REPA gevorderde kosten voor de levering van de transportband met profielmaat ‘H58’ overweegt de kantonrechter het volgende. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de kantonrechter vast dat REPA als kerntaak heeft het leveren en monteren van transportbanden in bestaande machines en dat REPA zich daarbij presenteert als deskundige met ruim twintig jaar ervaring. In dat licht bezien had REPA, die De Wit de keuze gegeven tussen twee transportbanden, zich ervan moeten vergewissen dat beide geoffreerde transportbanden op de puinbreekinstallatie van De Wit zouden passen, hetgeen zij niet heeft gedaan. De kantonrechter is daarom van oordeel dat de kosten voor de levering van de transportband ‘H58’ voor rekening en risico van REPA dienen te blijven. De stelling van REPA ter zitting dat zij slechts de oude transportband van de puinbreekinstallatie heeft opgemeten en niet de constructie, kan haar niet baten. Naar het oordeel van de kantonrechter had juist van REPA, als deskundige, mogen worden verwacht dat zij de constructie had opgemeten. De stelling van REPA ter zitting dat een monteur van De Wit haar heeft meegedeeld dat de transportband ‘H58’ in de puinbreekinstallatie past, wat hier ook van zij, ontslaat REPA, die vanwege haar deskundigheid is ingeschakeld, niet van haar plicht dit zelf te verifiëren. Dit onderdeel van de vordering van REPA wijst de kantonrechter dan ook af.

10.1

Wat betreft de door REPA gevorderde reparatiekosten in verband met de aan de transportband ontstane schade stelt de kantonrechter vast dat partijen ieder een andere oorzaak aanwijzen voor het ontstaan van de schade.

De Wit stelt dat de schade is veroorzaakt doordat REPA een te korte transportband heeft gemonteerd als gevolg waarvan de keerrol helemaal naar voren moest worden gesteld. Hierdoor kwam de rol te dicht op het frame van de stortbak zodat steentjes, wanneer deze achter de schraper kwamen, tussen de keerrol en de transportband werden meegenomen. Door dit effect kwam de transportband omhoog met als gevolg dat deze tegen het trechterframe aankwam en schade veroorzaakte, aldus De Wit. De Wit wijst ter ondersteuning van haar standpunt naar het rapport van de door haar ingeschakelde deskundige Arntz/van Helden.

REPA stelt daar tegenover dat de schade niet is te wijten aan de lengte van de gemonteerde transportband, omdat een te korte transportband niet kan worden gemonteerd. REPA wijst het ontbreken van de kunststof profielen van de stortbak als oorzaak van de schade aan. REPA heeft ter staving van de juistheid van haar stelling geen contra-expertise overgelegd maar beroept zich hiervoor op haar eigen deskundigheid terzake.

10.2

Naar het oordeel van de kantonrechter kan in het midden blijven wat het schadeveroorzakende feit is. Wanneer De Wit wordt gevolgd in haar standpunt dat het schadeveroorzakende feit is gelegen in het monteren van een te korte transportband, dan is sprake van een toerekenbare tekortkoming van de zijde van REPA in de nakoming van de verbintenis tot het leveren en het monteren van een transportband. In dat geval moet het ervoor worden gehouden dat REPA aansprakelijk is voor de uit deze tekortkoming voortvloeiende schade en dienen de reparatiekosten voor rekening van REPA te blijven.

De kantonrechter komt tot dezelfde conclusie wanneer REPA wordt gevolgd in haar standpunt ten aanzien van het schadeveroorzakende feit en overweegt als volgt. Vast staat dat REPA vóór de montage van de transportband heeft waargenomen dat de stortbak, die moest aansluiten op de transportband, niet was voorzien van een kunststof profiel. Vast staat verder dat REPA van mening is dat de aanwezigheid van een kunststof profiel noodzakelijk is. Ook staat vast dat REPA de transportband desondanks op de puinbreekinstallatie van De Wit heeft gemonteerd. Onder deze omstandigheden had het naar het oordeel van de kantonrechter op de weg van REPA gelegen om De Wit uitdrukkelijk en bij voorkeur schriftelijk erop te wijzen dat het ontbreken van het kunststof profiel tot schade aan de transportband leidt en had REPA desnoods van montage moeten afzien, dan wel had REPA moeten bedingen de transportband op risico van De Wit te monteren. Door dit na te laten heeft REPA de mogelijkheid van het door haar gestelde schadeveroorzakende feit zelf laten ontstaan en in zoverre is REPA tekortgeschoten in de nakoming van haar verbintenis. Deze tekortkoming is REPA toe te rekenen, nu zij, zoals zij zelf naar voren brengt, deskundige is op het gebied van het leveren en de montage van transportbanden en juist om die reden door De Wit is ingeschakeld. De stelling van REPA ter zitting dat zij een ter plaatste aanwezige medewerker van De Wit heeft gewezen op de afwezigheid van het kunststof profiel, acht de kantonrechter niet voldoende voor een andersluidend oordeel. Gelet op het voorgaande wijst de kantonrechter dit onderdeel van de vordering eveneens af.

11. Aangaande de door REPA gevorderde wettelijke handelsrente overweegt de kantonrechter als volgt. Uit het e-mailbericht van 19 november 2013 (productie 2, bijlage 10 bij de conclusie van antwoord) kan worden opgemaakt dat De Wit haar betalingsverplichting heeft opgeschort. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, was De Wit daartoe bevoegd. Dit betekent dat De Wit ten aanzien van haar betalingsverplichting niet in verzuim was. Voor toewijzing van de vordering van de wettelijke handelsrente over het toegewezen deel van de vordering is dan ook geen plaats.

12. De door REPA gevorderde buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van
€ 927,15 wijst de kantonrechter af. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan naar het oordeel van de kantonrechter niet worden vastgesteld dat REPA incasso-inspanningen heeft verricht dan wel laten verrichten ter verkrijging van haar vordering.

In reconventie

13. Zoals hiervoor reeds onder overweging 10.2 is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat REPA toerekenbaar tekort is gekomen in de nakoming van de verbintenis tot levering en montage van een transportband. Verder staat vast dat De Wit REPA bij
e-mailbericht van 18 november 2013 heeft verzocht alsnog deugdelijk na te komen en dat REPA bij e-mailbericht van 19 november 2013 heeft aangegeven aan dit verzoek geen gevolg te geven. Hiermee staat vast dat REPA in verzuim is gekomen en op grond van het bepaalde in artikel 6:74, tweede lid, van het BW in beginsel verplicht is de schade die De Wit heeft geleden te vergoeden.

14. Met inachtneming van het voorgaande zal de door REPA te vergoeden schade worden begroot. De Wit vordert vergoeding van verschillende schadeposten. Per afzonderlijke schadepost zal deze vordering worden beoordeeld.

15.1

Ten aanzien van de post van € 2666,05 inclusief btw stelt De Wit dat zij de door REPA gemonteerde transportband heeft moeten laten repareren door een ander bedrijf – te weten: LBS – omdat REPA dit niet wilde doen. REPA stelt daar onder meer tegenover dat de door De Wit overgelegde factuur van LBS (productie 6, bijlage 1 bij conclusie van antwoord) is gericht aan Verhuurbedrijf [x], zodat niet valt in te zien dat De Wit deze schade heeft geleden. Deze stelling heeft De Wit niet weersproken en ook overigens is niet gebleken dat Verhuurbedrijf [x] is te vereenzelvigen met De Wit. Reeds hierom wordt dit deel van de vordering afgewezen.

15.2

Verder stelt De Wit € 350,00 schade te hebben geleden als gevolg van het transport van de puinbreekinstallatie naar LBS. Ter staving van deze post heeft De Wit een factuur (productie 6, bijlage 2 bij conclusie van antwoord) overgelegd. Met REPA overweegt de kantonrechter dat deze factuur ziet op geheel andere kosten dan transportkosten. Weliswaar staat op de factuur een handgeschreven tekst dat de breker is getransporteerd voor € 350,00. Echter, dit bedrag maakt geen deel uit van de factuur. Verder kan uit deze factuur naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid of en zo ja, door wie dit bedrag bij De Wit in rekening is gebracht. Nu voorts niet duidelijk is gemaakt of dit bedrag door De Wit is betaald, kan niet worden vastgesteld dat dit bedrag ten laste van het vermogen van De Wit is gekomen. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering daarom af.

15.3

Voorts vordert De Wit een bedrag van € 10.725,25 (€ 7.500,00 + € 3225,25) wegens gederfde omzet en het maken van extra kosten vanwege het niet goed kunnen uitvoeren van opdrachten. De Wit heeft echter niet met bewijsstukken onderbouwd dat hiervan daadwerkelijk sprake is geweest. Uit de door De Wit overgelegde werkbonnen kan dat, anders dan De Wit meent, niet worden afgeleid. De kantonrechter wijst dit deel van de vordering eveneens af.

15.4

Ten aanzien van de post ‘vordering van opdrachtgever’ ten bedrage van € 5.808,00 stelt De Wit dat haar opdrachtgever [E] door de ondeugdelijke transportband zijn werk niet goed en/of tijdig heeft kunnen doen en als gevolg daarvan menggranulaat elders heeft moeten kopen. In dat kader vordert [E] zijn schade van De Wit, die deze vervolgens weer van REPA vordert.

REPA stelt dat uit de datum van de factuur, 12 februari 2014, volgt dat dit niets te maken kan hebben met onderhavige zaak. Verder stelt REPA dat de factuur afkomstig is van een bevriende partij en dat op geen enkele wijze blijkt dat [E] schade heeft geleden als gevolg van de tekortkoming van REPA. Voorts stelt REPA dat de hoogte van het gevorderde bedrag op geen enkele wijze is onderbouwd. Met REPA is de kantonrechter van oordeel dat op grond van de datum op de door De Wit overgelegde factuur (productie 6, bijlage 4 bij conclusie van antwoord) niet zonder nadere bewijsstukken, die ontbreken, kan worden aangenomen dat deze kosten betrekking hebben op de tekortkoming van REPA. Verder overweegt de kantonrechter dat REPA deze post gemotiveerd heeft betwist en dat De Wit dit verder onweersproken heeft gelaten. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd en om die reden wordt afgewezen.

In conventie en in reconventie

16. Nu partijen over en weer op enige punten in het ongelijk zijn gesteld, ziet de kantonrechter aanleiding de kosten van het geding te compenseren aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

Veroordeelt De Wit om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis aan REPA tegen kwijting te betalen een bedrag van € 5.389,34.

Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

in reconventie

Wijst de vordering af.

in conventie en in reconventie

Compenseert de kosten van het geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.W.S. Kiliç, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 26 november 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter