Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11364

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
01-12-2014
Datum publicatie
02-12-2014
Zaaknummer
C/14/158348 KG ZA 14-374
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Op 1 december heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door X (eiser) in verband met de voorgenomen openbare verkoop van door zijn voormalig advocaat (gedaagde) in beslag genomen zaken in de woning van X. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld van een aantal zaken beslist dat deze zijn te beschouwen als ter voldoening in primaire levensbehoeften en het beslag daarvan opgeheven. Over de andere inbeslaggenomen zaken heeft de voorzieningenrechter beslist dat gedaagde geen misbruik maakt van het hem toekomende recht om deze openbaar te laten verkopen. Weliswaar is aannemelijk dat uit de netto-opbrengst van de verkoop slechts de vordering van de belastingdienst kan worden voldaan, maar een gerechtvaardigd belang bij executie is ook dat een schuldenaar, om executie te voorkomen, op een andere wijze tot betaling overgaat of een regeling met de schuldeiser overeen komt teneinde een voor hem nadelige executoriale verkoop te voorkomen. Wel heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de openbare verkoop niet mag plaatsvinden in de woning van eiser. Het belang van eiser dat er geen inbreuk wordt gemaakt op zijn huisrecht weegt zwaarder dan het belang van gedaagde bij de praktische voordelen van een verkoop in de woning en de mogelijk daardoor hogere opbrengst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2015/21
NJF 2015/48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel & insolventie

DJHB/JG

zaaknummer / rolnummer: C/14/158348 / KG ZA 14-374

Vonnis in kort geding van 1 december 2014

in de zaak van

inkomensverklaring aangevraagd

X.,

wonende te Amsterdam,

eiser,

advocaat mr. H. Loonstein te Amsterdam,

tegen

de maatschap naar burgerlijk recht

Y.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. N.A. Luijten te Bussum.

1 De procedure

1.1.

Ter terechtzitting van 25 november 2014 is eiser niet persoonlijk verschenen, maar vertegenwoordigd door mr. Loonstein voornoemd. Gedaagde is verschenen, vertegenwoordigd door de heer G. Meijers, bijgestaan door mr. Luijten voornoemd.

1.2.

Eiser heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de conceptdagvaarding die in kopie aan dit vonnis is gehecht en de op 24 november 2014 ingediende akte wijziging/vermeerdering van eis. De dagvaarding is niet betekend, omdat gedaagde ermee heeft ingestemd vrijwillig ter zitting te verschijnen.

1.3.

Gedaagde heeft de vordering bestreden.

1.4.

Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden een pleitnota, overgelegd.

1.5.

Vervolgens is vonnis bepaald. De inhoud van alle stukken wordt als hier ingelast beschouwd.

2 De feiten

2.1.

Eiser was werkzaam als advocaat. Gedaagde heeft eiser in twee instanties bijgestaan in tegen eiser aangespannen tuchtzaken.

2.2.

De declaraties die gedaagde voor voormelde werkzaamheden aan eiser in rekening heeft gebracht, heeft eiser ten dele onbetaald gelaten.

2.3.

Bij verstekvonnis van 21 februari 2014 van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam is eiser - voor zover hier van belang en samengevat – uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld aan gedaagde te betalen een bedrag van € 16.526,83, inclusief buitengerechtelijke kosten, meegevorderde rente en proceskosten. Voormeld vonnis is op 10 maart 2014 aan eiser betekend.

2.4.

Bij exploot van 30 juli 2014 is op verzoek van gedaagde executoriaal beslag gelegd op de volgende zaken van eiser:

  1. een eetkamertafel met vier stoelen;

  2. twee marmeren sokkels met marmeren vazen;

  3. een schilderij “Havenzicht” gesigneerd exemplaar;

  4. een SHARP flat screen;

  5. en olieschilderij van Donkersloot voorstellend Al Pacino;

  6. twee noten houten kasten;

  7. twee indirecte staande lampen;

  8. een driezitsbank;

  9. een tweezitsbank

  10. 2 portret schilderijen olieverf op paneel;

  11. een olieverf schilderij voorstellend “een volksgerecht”;

  12. twee buffetkasten, notenhout, met daarin kristalglaswerk met een gouden randje;

  13. een flat screen, merk Samsung;

  14. een door “de Witte” gesigneerd schilderij, voorstellend een stadsgezicht;

  15. een Mac Book Pro;

  16. een wandspiegel met klassieke omlijsting.

2.5.

Bij exploot van 13 november 2014 is aan eiser aangezegd dat voormelde zaken executoriaal zullen worden verkocht op 3 december 2014 vanaf een nader te bepalen tijdstip aan het adres Z. te Amsterdam, de woning van eiser.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert samengevat - het door gedaagde gelegde beslagen op te heffen, althans de aangezegde executieverkoop op 3 december 2014 te verbieden of te schorsen, dan wel te verbieden dat deze executieverkoop zal plaatsvinden in de woning van eiser, zulks op verbeurte van een dwangsom van € 25.000,-, kosten rechtens.

3.2.

Meijers voert verweer.

3.3.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.

De meest vergaande stelling van eiser tegen de door gedaagde gelegde beslagen is dat de inbeslaggenomen zaken niet aan hem toebehoren maar dat hij deze slechts in bruikleen heeft. Die stelling wordt verworpen omdat eiser zijn stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd en/of onderbouwd.

4.2.

Daarnaast voert eiser aan dat de beslagen zijn gelegd in strijd met het bepaalde in de artikelen 447 en 448 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en dat, indien de beslagen zaken worden verkocht, er voor hem een noodtoestand zal ontstaan. De door de voorzieningenrechter te beantwoorden vraag is of de zaken waarop namens gedaagde beslag is gelegd, nodig zijn om te voorzien, kort gezegd, in de primaire levensbehoeften van eiser en of eiser deze zaken nodig heeft voor zijn beroep of bedrijf, waardoor het gelegde beslag onrechtmatig zou zijn. Weliswaar wordt in de rechtspraak aan de bepalingen van de artikelen 447 en 448 een ruimere uitleg gegeven dan de letterlijke bewoordingen van die artikelen, maar die uitleg is niet zo ruim als door eiser bepleit. De voorzieningenrechter is slechts betreffende de eetkamertafel met vier stoelen, de twee- en de driezitsbank van oordeel dat die vallen binnen het bereik van de hier genoemde artikelen. Voor het overige zijn de in beslag genomen goederen niet nodig voor de voorziening in de primaire levensbehoeften van eiser. Dat hij ze nodig heeft voor zijn beroep of bedrijf, is evenmin gebleken. Hierbij weegt mee dat, zo is ter zitting gebleken, eiser zijn (betaalde) werkzaamheden steeds verricht namens aan hem gelieerde besloten vennootschappen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat die vennootschappen ook de middelen om die werkzaamheden te verrichten aan eiser ter beschikking stellen. De conclusie is dat het beslag dient te worden opgeheven voor zover dit betreft:

  • -

    een eetkamertafel met vier stoelen;

  • -

    een driezitsbank;

  • -

    een tweezitsbank.

4.3.

Voor de overige beslagen zaken geldt dat er geen reden is het gelegde beslag op te heffen. De vraag is echter of, voor zover het die zaken betreft, gedaagde misbruik van bevoegdheid maakt door deze zaken openbaar te willen verkopen. Hiertoe heeft eiser, verkort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat het te executeren vonnis nog niet onherroepelijk is en eiser daarvan in verzet wenst te gaan. Bovendien, zo voert eiser aan, ligt er ook een bodembeslag van de belastingdienst. De vordering van de belastingdienst is vele malen hoger dan die van gedaagde. De belastingdienst heeft een voorrecht op de opbrengst van eventueel te verkopen zaken. Gelet op de beperkte waarde van de inbeslaggenomen zaken en de daardoor beperkte opbrengst, zal gedaagde uit die opbrengst niets ontvangen. Gedaagde heeft daarom geen belang bij het beslag en de openbare verkoop. Ook niet om onder dreiging van een openbare verkoop eiser te dwingen alsnog tot betaling van de vordering over te gaan. Bij eiser is namelijk sprake van betalingsonmacht en niet van betalingsonwil, aldus nog steeds eiser.

4.4.

Met gedaagde is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat hij geen misbruik maakt van zijn recht tot executie van het tegen eiser gewezen vonnis over te gaan. Weliswaar kan worden aangenomen dat, voor zover de te verkopen zaken eveneens vallen onder het door de belastingdienst gelegde bodembeslag, de (netto-)opbrengst onvoldoende zal zijn om, naast de belastingdienst, ook gedaagde te voldoen. Echter, dat neemt niet weg dat ook een gerechtvaardigd belang van de schuldeiser bij executie is dat een schuldenaar, om executie te voorkomen, op een andere wijze aan de veroordeling voldoet of voor de voldoening daarvan een regeling met de schuldeiser overeenkomt teneinde een voor hem nadelige executoriale verkoop te voorkomen. Dat bij eiser sprake is van betalingsonmacht heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt. Eiser heeft, gelet op de gemotiveerde betwisting van betalingsonmacht van eiser door gedaagde, onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke geldstromen er tussen hem, de aan hem gelieerde vennootschappen en derden zijn. Voorts is gesteld noch gebleken dat het te executeren vonnis berust op een juridische of feitelijke misslag berust. Dat sprake is van na dit vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zullen doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard, heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat het beslag op een aantal van de roerende zaken - als zijnde nodig om te voorzien in de primaire levensbehoeften van eiser - zal worden opgeheven, zoals hiervoor onder 4.2. vermeld. Het verbod op de verdere executie zal daarom worden afgewezen. Evenmin is er grond de executie te schorsen.

4.5.

Wel zal de voorzieningenrechter bepalen dat de openbare verkoop niet mag plaatsvinden in de woning van eiser. Eiser voert tegen een openbare verkoop in zijn woning aan dat hij hier groot bezwaar tegen heeft omdat zijn privacy daardoor op onacceptabele wijze zal worden aangetast. Volgens eiser is het dan ook in strijd met zijn in de Grondwet en internationale verdragen verankerde huisrecht indien hij zou moeten dulden dat de openbare verkoop in zijn woning plaatsvindt en potentiële kopers tot zijn woning zouden worden toegelaten. Gedaagde heeft daartegenover gesteld dat de deurwaarder krachtens artikel 463 Rv bevoegd is de plaats aan te wijzen waar de openbare verkoop zal worden gehouden. Ook indien dit de woning van de schuldenaar is. Verkoop in de woning is bovendien praktischer en zal naar verwachting leiden tot een hogere opbrengst, aldus gedaagde. De voorzieningenrechter is zich ervan bewust dat die openbare verkoop veelal uit praktisch oogpunt plaatsvindt in de woning van de schuldenaar. Echter, in dit geval dient het belang van eiser dat er geen inbreuk wordt gemaakt op zijn huisrecht zwaarder te wegen dan het belang van gedaagde bij één van de voordelen van een verkoop in de woning. Het wordt gedaagde derhalve, op straffe van een dwangsom verboden de openbare verkoop vanuit de woning van eiser te laten plaatsvinden.

4.6.

Nu beide partijen op onderdelen in het ongelijk zijn gesteld, zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren in dier voege dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op het door gedaagde op 30 juli 2014 gelegde beslag op:

- een eetkamertafel met vier stoelen;

- een driezitsbank;

- een tweezitsbank;

5.2.

verbiedt gedaagde de met het exploot van 13 november 2013 aangezegde executoriale verkoop plaats te laten vinden in de woning van eiser te Amsterdam aan de Z., op straffe van verbeurt van een dwangsom van € 25.000,-;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

weigert de meer of anders gevraagde voorziening.

Gewezen door mr. J.H. Gisolf, voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord‑Holland en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 december 2014 in tegenwoordigheid van mr. D.J.H. Best, griffier.

Van dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.