Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11319

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
18-11-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
C/15/217954/HA RK 14-69
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek is gedaan tijdens de mondelinge behandeling, nog voordat de kantonrechter een beslissing had gegeven op de door de betrokkenen aangedragen argumenten. Het verzoek is tijdig gedaan en verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek. Wrakingsverzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: 217954/HA RK 14-69

datum beslissing: 18 november 2014

Op verzoek van:

[verzoeker],

verzoeker,

raadsman mr. R. van den Berg, advocaat te Haarlem.

1 Procesverloop

1.1

Op de openbare zitting van 7 oktober 2014 heeft verzoeker de wraking verzocht van mr. A.M. Koolen-Zwijnenburg, hierna te noemen: de kantonrechter, in de bij deze rechtbank, sectie kanton, aanhangige zaak met parketnummer 96-130107-14, hierna te noemen: de hoofdzaak.

1.2

De rechter heeft schriftelijk op het verzoek gereageerd.

1.3

Verzoeker, de officier van justitie en de kantonrechter zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 10 november 2014. Verzoeker is verschenen bij zijn raadsman. Ook de kantonrechter is verschenen. De officier van justitie heeft van de geboden gelegenheid, met bericht, geen gebruik gemaakt.

2 Het standpunt van verzoeker.

2.1

Verzoeker heeft in zijn verzoek gesteld dat de kantonrechter vooringenomen is omdat zij uitgebreid is ingegaan op een feit dat niet ten laste was gelegd en omdat zij zijn raadsman geen tweede termijn heeft gegeven om te reageren op een betoog van de officier van justitie. Verzoeker heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd.

2.2

Ter terechtzitting van 7 oktober 2014 is onderzoek gedaan naar het feit waaraan verzoeker zich volgens de tenlastelegging op 23 juni 2013 schuldig had gemaakt, welk feit volgens de officier van justitie te kwalificeren was als het plegen van baldadigheid tegen personen of goederen op de openbare weg dan wel op voor publiek toegankelijke plaatsen. De kantonrechter is daarbij ingegaan op een niet ten laste gelegd feit. Het betrof een feit dat verzoeker op 21 juni 2014 had gepleegd. derhalve nadat het onderhavige feit had plaatsgevonden en waarvoor op 27 augustus 2014 bij onherroepelijke strafbeschikking een boete is opgelegd, genoemd in de documentatie die in het dossier aanwezig was. De raadsman heeft verklaard dat hij niet over die documentatie beschikte. Nadat de officier van justitie had gerekwireerd en de raadsman namens verzoeker pleidooi had gehouden, stellende dat in juridische zin geen sprake was van baldadigheid, heeft de officier van justitie gerepliceerd en daarbij jurisprudentie aangehaald. Verzoeker heeft gezegd dat hij dacht dat straffen voor minderjarigen altijd door de helft gingen. De kantonrechter heeft vervolgens het onderzoek ter terechtzitting gesloten en een aanvang gemaakt met het uitspreken van haar beslissing, waarbij zij heeft gezegd dat dit geval de guitenstreek voorbij was. Hierna heeft mr. Van den Berg de kantonrechter erop gewezen dat zij hem geen gelegenheid had gegeven tot een tweede termijn en dat hij graag nog had willen reageren op de officier van justitie. De kantonrechter heeft daarop aangegeven dat zij dat inderdaad vergeten was en dat zij hem daartoe alsnog de gelegenheid bood waarop mr. Van den Berg heeft laten weten daarvan geen gebruik te maken, omdat de kantonrechter al een aanvang met de uitspraak had gemaakt. Hij heeft daarop het wrakingsverzoek ingediend.

3 Beoordeling

3.1

Allereerst dient beoordeeld te worden of verzoeker in zijn verzoek ontvangen kan worden.

Volgens artikel 513 lid 1 Wetboek van Strafvordering moet het wrakingsverzoek worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die aan de wraking ten grondslag liggen aan verzoeker bekend zijn geworden. Dit voorschrift strekt er toe te verzekeren dat de procedure direct nadat zich de feiten of omstandigheden hebben voorgedaan waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, wordt geschorst door de indiening van het wrakingsverzoek en niet pas op een later tijdstip nadat er mogelijk al verdere proceshandelingen zijn verricht. Het verzoek kan worden gedaan in elke stand van de procedure (tot het moment waarop een beslissing is gegeven), dus ook nog na afloop van de mondelinge behandeling.
In dit geval is het wrakingsverzoek gedaan tijdens de mondelinge behandeling ter zitting van 7 oktober 2014, nog voordat de kantonrechter een beslissing had gegeven op de door de betrokkenen aangedragen argumenten. Het verzoek is daarom tijdig gedaan en verzoeker is ontvankelijk in zijn verzoek. Daaraan kan niet afdoen dat, zoals de kantonrechter heeft aangevoerd, op het moment van het wrakingsverzoek het onderzoek ter terechtzitting reeds was gesloten.

3.2

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich blijkens de overtuigingen en/of het gedrag van de rechter een uitzonderlijke omstandigheid voordoet, die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een partij bij een geding een vooringenomenheid koestert (het subjectieve criterium). Daarnaast kan er onder omstandigheden reden zijn voor wraking, indien geheel afgezien van de persoonlijke opstelling van de rechter in de hoofdzaak de bij een partij bestaande vrees voor partijdigheid van die rechter objectief gerechtvaardigd is, waarbij rekening moet worden gehouden met uiterlijke schijn (het objectieve criterium). Het subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

3.3

Dat de kantonrechter verzoeker de documentatie waarover zij beschikte ter zitting heeft voorgehouden, levert naar het oordeel van de rechtbank geen vooringenomenheid van haar kant op. Zoals de kantonrechter heeft verklaard maakt de bespreking van een strafblad van een verdachte vast onderdeel uit van het onderzoek ter terechtzitting naar de persoonlijke omstandigheden van een verdachte, gericht op het bepalen van de eventuele strafmaat.

3.4

De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat de kantonrechter al tot haar uitspraak over ging zonder mr. Van den Berg nog een tweede termijn toe te staan om een andere reden dan dat zij dat vergeten was. Zij heeft, zoals zij in deze procedure nogmaals heeft aangegeven, inderdaad die vergissing gemaakt en geprobeerd die te corrigeren. Zij had weliswaar opgemerkt dat het gebeuren de guitenstreek voorbij was, maar nog geen beslissing gegeven op de door de officier van justitie en de raadsman aangevoerde argumenten. Als gevolg van het vergeten om de raadsman een tweede termijn te geven, was feitelijk het onderzoek ter zitting afgesloten, en dat de kantonrechter op dat moment uitspraak wilde gaan doen was daarvan een logisch vervolg.
De conclusie van mr. Van den Berg dat zijn argumentatie geen effect meer zou sorteren en daarom niet meer zinvol was, was naar het oordeel van de rechtbank voorbarig, ook al omdat de kantonrechter niet meer dan een korte opmerking over het tenlastegelegde feit had gemaakt.
Nu niet is gebleken dat de kantonrechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, levert de subjectieve toets geen grond voor wraking op.

3.5

Gesteld noch gebleken zijn omstandigheden die grond geven voor het oordeel dat vrees voor onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd is, zodat de objectieve toets geen grond voor wraking oplevert.

3.6

De aangevoerde feiten en omstandigheden vormen derhalve geen, althans onvoldoende grond voor wraking.

3.7

De rechtbank zal het verzoek afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank:

4.1

wijst het verzoek om wraking af;

4.2

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de kantonrechter en de officier van justitie een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden;

4.3

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.

Deze beslissing is gegeven door mr. J.J. Dijk, voorzitter, en mrs. A. van Dongen en D. Gruijters, leden van de wrakingskamer, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2014 in tegenwoordigheid van mr. I.M. ter Sluis als griffier.

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.