Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11307

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
03-07-2014
Datum publicatie
01-12-2014
Zaaknummer
C/14/155120/HA RK 14/95
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek in een bestuursrechtzaak. Wrakingsverzoek afgewezen. Uitbreiding van wrakingsgronden niet toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Wrakingskamer

zaaknummer / rekestnummer: C/14/155120/HA RK 14/95

Beslissing van 3 juli 2014

Op het verzoek tot wraking ingediend door:

[verzoeker]

gevestigd te [vestigingsplaats],

verzoeker,

in persoon verschenen.

Het verzoek is gericht tegen:

mr. S.M. Auwerda

hierna te noemen: de rechter.

1 Procesverloop

Verzoeker heeft op 16 juni 2014 ter zitting de wraking verzocht als bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht van de rechter als behandelend rechter van de bij deze rechtbank, afdeling publiekrecht, sectie bestuursrecht, locatie Alkmaar aanhangige zaken met als zaaknummers ALK 13/221 en 13/1498 (woz-zaken), hierna gezamenlijk te noemen: de hoofdzaak.

De rechter heeft schriftelijk en gemotiveerd laten weten niet te berusten in de wraking.

Het verzoek is behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 3 juli 2014. Verzoeker is hier in persoon verschenen. De rechter is eveneens ter zitting verschenen. De wederpartij in de hoofdzaak is van de zitting in kennis gesteld, maar is niet ter zitting verschenen.

Verzoeker en de rechter hebben hun standpunt ter zitting toegelicht.

Vervolgens heeft de voorzitter de behandeling ter zitting gesloten en de zitting korte tijd geschorst teneinde de wrakingskamer in de gelegenheid te stellen in raadkamer te overleggen en te beoordelen of vandaag reeds uitspraak kan worden gedaan.

Na het hervatten van de zitting heeft de voorzitter mondeling uitspraak gedaan.

2 Het standpunt van verzoeker

Verzoeker heeft ter onderbouwing van het wrakingsverzoek aangevoerd dat er in artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht een duidelijke termijn is gesteld waarbinnen door partijen stukken voor de zitting kunnen worden ingediend. Hij heeft verklaard dat de zitting was bepaald op 16 juni 2014 en dat hij pas op 10 juni 2014 twee verweerschriften heeft ontvangen die de rechtbank op 6 juni 2014 van verweerder had ontvangen. Hij is van mening dat verweerder in de hoofdzaak de stukken te laat heeft ingediend. In een eerdere procedure zijn stukken van eiser om dezelfde reden door een andere rechter buiten beschouwing gelaten. De stukken van verweerder worden thans door de rechter wel toegelaten tot het geding, waardoor sprake is van bevooroordeling. Een en ander aldus verzoeker.

Ter zitting heeft hij zijn verzoek aangevuld met de mededeling dat hij het gevoel heeft dat de bestuursrechters binnen de rechtbank Alkmaar vaak een blik van verstandhouding wisselen met medewerkers van de gemeente om aan te geven dat men elkaar kent. Hij heeft verklaard dat dat op hem als burger vreemd overkomt en dat het te denken geeft. Verder heeft hij opgemerkt dat hij zich afvraagt of uit onderzoek niet zou blijken dat de gemeente Hoorn bij de rechtbank Alkmaar een streepje voor heeft. Hij heeft verklaard dat door dit soort situaties zijn twijfel is toegenomen en dat hij zich heeft voorgenomen om, als hij die twijfel ervaart, daar uiting aan te geven.

Op een vraag van de voorzitter heeft hij verklaard dat een dergelijke situatie zich tijdens de zitting op 16 juni 2014 niet heeft voorgedaan, maar dat hij van mening is dat, gelet op de grote hoeveelheid nieuwe informatie in de verweerschriften van de gemeente, de rechter de stukken buiten beschouwing had moeten laten. Hij heeft aangevoerd dat een schriftelijke reactie achteraf niet hetzelfde is als een behandeling van standpunten ter zitting.

De rechter heeft het standpunt dat zij heeft weergegeven in haar brief van 24 juni 2014 gehandhaafd. Verder heeft zij opgemerkt dat, gelet op hetgeen verzoeker nu ter zitting heeft aangevoerd, het er op lijkt dat het verwijt van verzoeker een algemeen verwijt is dat berust op ervaringen uit het verleden en niet ziet op iets wat zij als behandelend rechter feitelijk heeft gedaan.

3 De beoordeling

Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid.

Het subjectieve oordeel van verzoeker is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk maar niet doorslaggevend.

De wrakingskamer gaat uit van de volgende feiten.

Uit het proces-verbaal van de zitting op 16 juni 2014 blijkt dat het verweerschrift van verweerder, gedateerd 22 mei 2014, op 6 juni 2014 door de rechtbank is ontvangen. Een afschrift van dit verweerschrift is op 6 juni 2014 doorgezonden aan eiser, die deze stukken op 10 juni 2014 heeft ontvangen. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat het verweerschrift meerdere nieuwe referentiewoningen vermeldt en dat het gaat om een grote hoeveelheid nieuwe feiten, zoals berekeningen en inzichten. Eiser heeft aangevoerd dat het voor hem in de korte tijd die restte tussen ontvangst van de stukken en de zitting niet mogelijk was deze nieuwe gegevens zorgvuldig te onderzoeken.

Vervolgens is door de rechter beslist dat de stukken zullen worden toegelaten maar dat, gezien de datum van ontvangst van de stukken door de rechtbank, eiser in de gelegenheid gesteld zal worden om aan te geven of hij na de zitting nog wenst te reageren op eventuele nieuwe zaken in de verweerschriften en om daarbij aan te geven welke termijn hij daarvoor nodig heeft.

De termijn in artikel 8:58 Awb waarop een beroep is gedaan, is geen fatale termijn maar een termijn van orde. Partijen worden er in de brieven van de rechtbank voor gewaarschuwd dat, indien zij die termijn niet in acht nemen, zij het risico lopen dat hun stukken buiten beschouwing gelaten kunnen worden. De beslissing of stukken buiten beschouwing gelaten worden dan wel worden toegelaten, al dan niet met een mogelijkheid van de wederpartij alsnog nader op de stukken te reageren, is een procedurele beslissing die aan de rechter is voorbehouden. In het kader van de behandeling van dit wrakingsverzoek wordt een dergelijke procedurele beslissing niet inhoudelijk getoetst. De beslissing wordt slechts marginaal getoetst op de vraag of de genomen beslissing onbegrijpelijk voorkomt.

De enkele omstandigheid dat een andere rechter in een eerdere procedure van eiser stukken van eiser buiten beschouwing gelaten heeft omdat deze te laat waren ingediend, maakt nog niet dat de beslissing van de gewraakte rechter om in deze zaak het verweerschrift van verweerder toe te laten vrees voor partijdigheid doet ontstaan. De rechter heeft eiser voorgehouden dat hij zonodig aan het eind van de inhoudelijke behandeling kon aangeven of hij nog behoefte had nader te reageren op de stukken van verweerder en welke termijn hij daarvoor nodig had. Door deze procedurele beslissing zijn de belangen van verzoeker niet geschaad.

De mededeling van verzoeker ter zitting dat hij het gevoel heeft dat de bestuursrechters in deze rechtbank de gemeente Hoorn bevoordelen, moet worden aangemerkt als een uitbreiding van de wrakingsgronden. Reeds omdat verzoeker deze grond niet eerder heeft aangevoerd en dit verwijt van andere orde is dan het verwijt gemaakt ten opzichte van de rechter, kan deze aanvulling verzoeker niet baten.

Door verzoeker is overigens ter zitting erkend dat de rechter feitelijk niets heeft gedaan dat de schijn van vooringenomenheid zou kunnen wekken. De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van zijn verzoek naar voren heeft gebracht, leveren dan ook geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking. De rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

4 Beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking van de rechter af,

beveelt de griffier onverwijld aan verzoeker, de rechter en de wederpartij in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,

beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek en beveelt dat die hoofdzaak daartoe in handen wordt gesteld van de voorzitter van de afdeling publiekrecht, sectie bestuursrecht, locatie Alkmaar.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.H.B. Littooy, voorzitter, mr. J.H.A.C. Everaerts en mr. W.C. Oosterbroek, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van

C. Vis-van Zanden, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2014.

griffier voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.