Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:11095

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
30-12-2014
Zaaknummer
C-15-210774 - HA ZA 14-51
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsconvenant. Dwaling. Beperkende werking redelijkheid en billijkheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/210774 / HA ZA 14-51

Vonnis van 26 november 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te Heemstede,

eiser,

advocaat mr. E.P.D. van Grondelle te Heemstede,

tegen

[gedaagde],

wonende te Heemstede,

gedaagde,

advocaat mr. A. Mudde-Zeevaart te Tilburg.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 april 2014

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 2 september 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 8 juni 1990 op huwelijkse voorwaarden gehuwd. Uit het huwelijk zijn twee, thans meerderjarige, kinderen geboren ([A] en [B]).

2.2.

De huwelijkse voorwaarden luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

Artikel 1.

(…)Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen of van inkomsten bestaan.(…)

Artikel 3.

Na afloop van elk kalenderjaar zijn de echtgenoten gehouden hetgeen van hun gewone jaarlijkse inkomsten (…) onverteerd is, bij helfte te verdelen. (…)”

2.3.

Na beëindiging van hun relatie heeft de man in verband met de financiële afwikkeling van de echtscheiding advies gevraagd aan Teurlings en Ellens Advocaten en aan een alimentatieadvieskantoor.

2.4.

Naar aanleiding van de ingewonnen adviezen heeft de man de volgende toelichting, gedateerd 19 december 2002, aan de vrouw doen toekomen:

(…)Ad 4. Pensioen

De door ons beide afzonderlijk opgebouwde pensioenrechten bij onze vorige en huidige werkgevers vanaf de datum van ons samenlevingscontract tot het moment van de beëindiging van ons huwelijk (1 juli 2002) zal wederzijds gelijkelijk verdeeld worden. Ergo: jij hebt recht op de helft van het door mij opgebouwde pensioenrechten en ik heb recht op de helft van de door jouw opgebouwde pensioenrechten.

Ad 5. Woning

De toekomstige overwaarde van de woning aan het [adres1] zullen we in gelijke delen (ITD) verdelen en contant maken na 12 jaar hetgeen overeenkomt met de wettelijke termijn onder de voorwaarde dat een verrekening zal plaatsvinden met de zaken als vermeld in ad 6, ad 7 en ad 8. Deze verrekening noem ik hierbij de finale eindafrekening.(…)

“Conclusie

Uitgangspunt bij dit voorstel is en blijft dat jij, [A] en [B] goed kunnen leven in de vertrouwde omgeving en dat jij je leven met toevoeging van je eigen inkomen redelijk gelijkwaardig kunt voortzetten. Ik heb begrepen dat onze huwelijkse voorwaarden nogal wat verplichtingen over en weer uitsluiten maar ik wil graag dat wij de zaken zo eerlijk mogelijk verdelen. Ik hoop dan ook dat we het eens kunnen worden met dit voorstel.”

2.5.

Bij e-mail van 20 juni 2003, te 14.13 uur heeft de man, voor zover hier van belang, het volgende aan de vrouw meegedeeld:

“We hebben alles op een rijtje gezet en dat ziet er in de samenvatting als volgt uit:

1. je blijft wonen, zonder huurkosten, in HD. tot bijvoorbeeld 2012

2. je krijgt, op de einddatum, een bedrag overgemaakt, komen we overeen.

3. standaard regeling alimentatie kids

4. pensioenen verdeling

5. extra bijdrage gezin voor sport, hobby’s, vakanties etc zodra ik weer voldoende

inkomsten heb

6. afspraken bezoekregeling kids

Bovenstaande gaan we samen uitschrijven en nemen dan de volgende stap via Teurlings &

Ellens, Advocaten.”

2.6.

Een door Teurlings en Ellens Advocaten in opdracht van de man opgesteld eerste concept echtscheidingsconvenant gedateerd “ Juni 2003” luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)DE BOEDELVERDELING

Artikel 7 Verdeling

7.1

Partijen zijn overeengekomen

. de totale waarde van de inboedel, na afschrijving, en de gelijke verdeling hiervan.

. de waarde van andere roerende goederen en de gelijke verdeling hiervan

Tevens zijn partijen overeengekomen dat

. de man de woning ten behoeve van de vrouw zal aanhouden tot tenminste 1 juli 2012

. de vrouw bewoning met recht verkrijgt (zie artikel 2) tot in ieder geval 1 juli 2012

en dat

. de vrouw een bedrag toegedeeld krijgt van € 50.000,00 bij het verlaten van de woning op 1 juli 2012 of zoveel eerder als de vrouw wenselijk acht.(…)

Artikel 10 Regeling pensioenverevening

Het door de man en de vrouw opgebouwde pensioen tijdens huwelijk zal tussen partijen worden verdeeld; partijen werken mee aan melding aan de pensioenuitvoerder(s) en zullen het daartoe bestemde formulier ondertekenen.(…)

Een door Teurlings en Ellens Advocaten danwel de man zelf opgesteld tweede concept echtscheidingsconvenant gedateerd “ December 2003 (versie 2)” luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

(…)DE BOEDELVERDELING

Artikel 11 Verdeling

7.2

Partijen zijn overeengekomen

. de totale waarde van de inboedel, na afschrijving, en de gelijke verdeling hiervan.

. de waarde van andere roerende goederen en de gelijke verdeling hiervan

Tevens zijn partijen overeengekomen dat

. de vrouw bewoning met recht verkrijgt (zie artikel 2) tot in ieder geval 1 juli 2014

. de man de woning ten behoeve van de vrouw zal aanhouden tot tenminste 1 juli 2014

en dat

. de vrouw een bedrag toegedeeld krijgt van € 50.000,00 bij het verlaten van de woning op 1 juli 2014 of zoveel eerder als de vrouw wenselijk acht.(…)

Artikel 13 Regeling pensioenverevening

Het door de man en de vrouw opgebouwde pensioen tijdens huwelijk zal tussen partijen worden verdeeld; partijen werken mee aan melding aan de pensioenuitvoerder(s) en zullen het daartoe bestemde formulier ondertekenen.(…)

2.7.

Op 1 november 2004 is het huwelijk ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 19 oktober 2004 van de rechtbank Haarlem in de registers van de gemeente Heemstede.

2.8.

De financiële en andere gevolgen van de echtscheiding hebben partijen, onder begeleiding van mr. A.C. Mens, toenmalig advocaat van de vrouw, vastgelegd in een definitief echtscheidingsconvenant dat door partijen op 21 september 2004 en 28 september 2004 is ondertekend. Het convenant luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

(…)

IN AANMERKING NEMENDE:

-partijen zijn op 8 juni 1990 te Heemstede met uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd;(….)

VERKLAREN HET VOLGENDE MET ELKAAR TE ZIJN OVEREENGEKOMEN EN BINDEND VAST TE STELLEN:

“(…) Artikel 3 De woning te [adres1] en daarmee verband houdende rechten en lasten

3.1.

De woning te [adres1] behoort uitsluitend de man in eigendom toe.

3.2.

Op de in 3.1 genoemde woning rust een schuld uit hoofde van een hypothecaire geldlening ad € 225,000,00, voor welke schuld de man en de vrouw hoofdelijk aansprakelijk zijn. De man neemt op zich om bij uitsluiting van de vrouw alle uit deze hypothecaire geldlening voortvloeiende verplichtingen als eigen schuld te voldoen. De man vrijwaart de vrouw daarvoor. De man zal er zorg voor dragen dat de vrouw te zijner tijd ontslagen wordt uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid ter zake van deze schuld.

3.3.

De oorspronkelijk op voormelde woning rustende hypothecaire geldlening bedroeg

€ 105.000,00. Met het restant van de hypothecaire geldlening ad € 120.000,00 heeft de man de woning te [adres2] aangekocht. Ook deze woning behoort uitsluitend de man in eigendom toe.

3.4.

Partijen stellen de waarde van de woning te [adres1] op een bedrag van € 362.500,00 en gaan uit van een hypothecaire geldlening ad € 105.000.00. Voor wat betreft de verdeling van de overwaarde en het tijdstip van uitbetaling van het aandeel van de vrouw in de overwaarde, wordt verwezen naar artikel 3.10.

3.5.

De vrouw heeft het recht om gedurende een periode van maximaal 12 jaren na de ontbinding van het huwelijk met de kinderen in de woning te [adres1] te blijven wonen. De man zal gedurende deze periode de woning niet verkopen.

3.6.

De man verhuurt hierbij voormelde woning aan de vrouw, gelijk de vrouw van de man deze woning huurt, voor een huurprijs van € 275,00 per maand. Op deze huur is de gebruikelijke indexering van toepassing, voor het eerst op 1 juli 2005.(…)

3.10.

Na het verstrijken van de in 3.5 genoemde periode, dan wel zoveel eerder als partijen overeenkomen, zal de man aan de vrouw de somma van € 120.000,00 betalen. Over voormeld bedrag zal geen rente vergoed worden.

3.11.

In plaats van een rentevergoeding over voormeld bedrag zal de vrouw in 2016 een vergoeding ontvangen van de man gelijk aan het verschil van de toekomstige waarde van de woning in 2016 en de huidige waarde van de woning in 2004 ad € 362.500,00, te vermenigvuldigen met 0,33.

3.12.

Na ontvangst van de in 3.9 en 3.10 genoemde bedragen zal de vrouw de woning verlaten. (…)

Artikel 4 Pensioenrechten(…)

4.4.

De man heeft pensioen opgebouwd bij DBV, op welke de Wet verevening pensioenrechten niet van toepassing is. Het pensioenkapitaal is belegd en wordt beheerd door Dryden (www.dryden.com). De waarde per 6 augustus 2004 bedraagt USA dollars 165.938,46 en is een momentopname.(..)

4.6.

Het door de man opgebouwde recht op voormeld ouderdomspensioen zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Het pensioen blijft tot de 65-jarige leeftijd van de man in beheer bij DBV en zal tussentijds niet door de man worden afgekocht. De man geeft hierbij aan de pensioenmaatschappij een onherroepelijke volmacht om vanaf zijn 65-jarige leeftijd rechtstreeks de helft van zijn pensioenuitkering over te maken aan de vrouw. De man zal er zorg voor dragen dat de pensioenmaatschappij binnen 2 maanden na de ontbinding van het huwelijk een verklaring aan de vrouw afgeeft, waaruit blijkt dat zij te zijner tijd haar aandeel in het ouderdomspensioen rechtstreeks door de pensioenmaatschappij overgemaakt krijgt.(…)

Artikel 6 Kwijting en vrijwaring

Partijen verklaren hierbij de tussen hen bestaande huwelijksgemeenschap met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid te hebben verdeeld en zij verklaren tevens, behoudens met betrekking tot de rechten en verplichtingen genoemd in dit convenant, niets meer van elkaar te vorderen te hebben en elkaar algehele en finale kwijting en décharge te verlenen.

Artikel 7 Slotbepaling

Partijen verbinden zich deze overeenkomst noch geheel noch gedeeltelijk te zullen (laten) ontbinden op grond van enigerlei tekortkoming in de nakoming daarvan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden al dan niet met schadevergoeding.”

3 Het geschil

3.1.

De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair te verklaren voor recht dat partijen ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 3.4, 3.10, 3.11, 4.4 en 4.6 van het echtscheidingsconvenant, wederzijds hebben gedwaald en dientengevolge het echtscheidingsconvenant ten aanzien van genoemde artikelen partieel te vernietigen met instandhouding voor het overige van dit echtscheidingsconvenant;

II. subsidiair te verklaren voor recht dat de artikelen 3.4, 3.10, 3.11, 4.4 en 4.6 van het echtscheidingsconvenant tussen partijen niet van toepassing zijn nu zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is;

III. meer subsidiair een zodanige beslissing te nemen als Uw rechtbank geraden acht,

IV. met veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure.

3.2.

De vrouw voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De man legt primair aan zijn vorderingen ten grondslag dat in het echtscheidingsconvenant afspraken zijn vastgelegd met betrekking tot de echtelijke woning en de pensioenrechten die door de handelwijze van mr. Mens onder invloed van wederzijdse dwaling als bedoeld in artikel 6:228 lid 1 onder c BW tot stand zijn gekomen. Door het verkeerde juridische advies van mr. Mens hebben zowel hij als de vrouw gedwaald. Beiden zijn door mr. Mens in de onjuiste veronderstelling gebracht dat de overwaarde van de woning bij helfte moest worden verdeeld. De vrouw had dienen te begrijpen dat de man, bij een juiste voorstelling van zaken, de afspraak tot verdeling van de overwaarde en voldoening aan de vrouw van een overbedelingsvergoeding van EUR 120.000,00 niet met haar zou hebben gemaakt. Daar bestond immers geen rechtsgrond voor: partijen waren buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd, de woning en de hypothecaire geldlening stonden (en staan nog altijd) uitsluitend op naam van de man en er was in de huwelijkse voorwaarden geen finaal verrekenbeding opgenomen op basis waarvan de overwaarde van de woning gelijkelijk moest worden verrekend. De man heeft toendertijd uitsluitend ingestemd met deze afspraak tot verdeling bij helfte van de overwaarde omdat dit het advies van mr. Mens was en de man er op vertrouwde dat dit advies correct was. Voor zover de vrouw betoogt dat zij niet gedwaald heeft en op de hoogte was van informatie bij het opstellen van het convenant, had zij deze informatie met de man moeten delen. Bij een juiste voorstelling van zaken zou de man het convenant niet onder dezelfde voorwaarden hebben gesloten. Gelet op het vorenstaande dient het convenant ex artikel 6:228 lid 1 onder b en c BW jo. artikel 3:41 BW ten aanzien van de artikelen 3.4, 3.10 en 3.11 partieel te worden vernietigd met instandhouding van het overige van dit convenant, aldus de man.

4.2.

Daarnaast is door het verkeerde advies van mr Mens ook het kapitaal dat de man in het jaar 2000 bij levensverzekeringsmaatschappij DBV had ondergebracht, ten onrechte tussen partijen bij helfte verdeeld. Partijen waren immers buiten elke gemeenschap van goederen gehuwd. Daarbij is verder ten onrechte door mr. Mens geconcludeerd dat deze DBV-polis niet onder de Wet Verevening Pensioenrechten (WVP) viel. Voor een gedeelte van de polis was dat namelijk wel het geval. De polis bestond namelijk uit drie onderdelen, namelijk een pensioencomponent (A), een stamrechtcomponent (B), en een lijfrentecomponent (C).

Uitsluitend de pensioencomponent (A) viel onder de werking van de WVP en had verevend behoren te worden, uiteraard voor zover de betreffende ouderdomspensioenrechten tijdens het huwelijk waren opgebouwd. Ook op dit onderdeel zijn partijen door het verkeerde advies van mr. Mens in wederzijdse dwaling geraakt. Immers, omdat volgens mr Mens het kapitaal van de DBV-polis bij helfte gedeeld moest worden en volgens hem op die polis de WVP niet van toepassing was, is overeengekomen dat het volledige kapitaal van deze polis zou worden verdeeld door uitbetaling van de helft aan de vrouw bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd door de man. Hiervoor bestond echter geen rechtsgrond. Ten gevolge van deze wederzijdse dwaling, dient het echtscheidingsconvenant ex artikel 6:228 lid 1 c BW jo. artikel 3:41 BW ook partieel te worden vernietigd ten aanzien van de artikelen 4.4 en 4.6 met instandhouding van het overige van het convenant, aldus de man.

4.3.

Subsidiair legt de man aan zijn vordering ten grondslag dat vanwege de handelwijze van mr. Mens de artikelen 3.4, 3.10, 3.11, 4.4 en 4.6 van het echtscheidingsconvenant tussen partijen niet van toepassing zijn aangezien zulks naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. De gewraakte afspraken zijn enkel en alleen tot stand gekomen ten gevolge van het verkeerde advies en de verkeerde begeleiding van mr. Mens wiens handelwijze juridisch niet anders kan worden gekwalificeerd dan als wanprestatie. Er bestond immers geen rechtsgrond op basis waarvan de man gehouden was tot verdeling bij helfte van de overwaarde van de woning en evenmin van het kapitaal van de DBV-polis, aldus de man.

4.4.

De vrouw voert als verweer aan dat het echtscheidingsconvenant de rechtsgrond is voor de verplichting van de man tot uitbetaling van het bedrag van EUR 120.000,00 en uitkering van de helft van de DBV-polissen. Artikel 6:228 BW is ingevolge artikel 3:199 BW niet van toepassing op verdelingen. Op grond van artikel 1:135 lid 2 BW is artikel 6:228 BW eveneens niet van toepassing op verrekeningen. Voor zover de man zich (alsnog) zou beroepen op artikel 3:196 BW, dan is de vordering op grond van artikel 3:200 BW verjaard. Daarnaast komt de man geen beroep op dwaling toe omdat, zo er al sprake zou zijn van onderbedeling aan de zijde van de man, hij deze voor hem nadelige toedeling expliciet heeft aanvaard. De man was ruim anderhalf jaar voor de ondertekening van het echtscheidingsconvenant op de hoogte van zijn rechten en verplichtingen op basis van de huwelijkse voorwaarden en koos er toen al voor om daar van af te wijken. Teurlings & Ellens Advocaten heeft vervolgens in opdracht van de man twee concept echtscheidingsconvenanten opgesteld. Deze concepten hebben de basis gevormd voor het uiteindelijk door partijen ondertekende convenant.

Een beroep op de redelijkheid en billijkheid kan evenmin slagen. Partijen hebben samengeleefd als ware er sprake van gemeenschap van goederen. Partijen hebben er bewust voor gekozen dat de vrouw minder zou gaan werken in verband met de verzorging van de kinderen, zodat de man carrière kon maken. Dit resulteert erin dat de vrouw, anders dan de man, thans niet over enig vermogen beschikt en voor haar toekomst volledig afhankelijk is van het nog door de man uit te keren bedrag en voor haar oudedagsvoorziening van haar aanspraken op de DBV-polis.

Daarnaast heeft de vrouw in het licht van de gemaakte vermogensrechtelijke afspraken na de echtscheiding bovendien op andere vlakken concessies gedaan, zoals op het gebied van huurbetalingen en kinder- en partneralimentatie, aldus de vrouw.

Dwaling

4.5.

De man doet primair een beroep op dwaling als bedoeld in artikel 6:228 BW. Volgens hem is de dwalingsregeling in voormeld artikel wel van toepassing en gelden de uitsluitingsartikelen 3:199 BW en 1:135 lid 2 BW niet, omdat het hier gaat om dwaling in de fase van de totstandkoming van de overeenkomst (namelijk door de onjuiste mededelingen van mr. Mens) en niet om dwaling met betrekking tot de waarde of de omvang van de verrekenvergoeding.

4.6.

De rechtbank komt niet toe aan een fundamentele beantwoording van de vraag of genoemde uitsluitingsartikelen eveneens van toepassing zijn op de totstandkoming van een echtscheidingsconvenant. Ook al zou een beroep op dwaling wel mogelijk zijn, dan heeft de man in deze zaak naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om een beroep op (al dan niet wederzijdse) dwaling te kunnen doen slagen.

4.7.

Hieromtrent wordt overwogen dat uit de tussen partijen gevoerde correspondentie en uit de door de man of in zijn opdracht opgestelde concepten (zoals hierboven onder 2.4 tot en met 2.6 weergegeven), die vooraf gingen aan het definitieve echtscheidingsconvenant, blijkt dat het de intentie van de man was om de vrouw in de woning te laten wonen en een verrekenplicht voor de man te laten ontstaan, en aldus af te wijken van de huwelijkse voorwaarden.

Dat de man zich van dit afwijken bewust was blijkt voldoende uit de conclusie van de man, geciteerd onder 2.4.

De verrekenplicht is in de door de man gegeven toelichting gerelateerd aan de helft van de overwaarde van de woning en betiteld als “finale afrekening”. In zoverre is het door de man zelf gehanteerde principe c.q. rekenmodel door mr. Mens gehandhaafd in de uiteindelijke versie van het echtscheidingsconvenant en staat daarin niet “iets geheel anders”.

Hoewel het bedrag van € 120.000,- aanzienlijk afwijkt van het bedrag van € 50.000,- dat in de eerdere concepten wordt genoemd, is dit bedrag wel te herleiden tot de helft van de overwaarde van de echtelijke woning. Blijkens het convenant wordt gerekend met de door partijen kennelijk vastgestelde toenmalige waarde van de woning van € 362.500,- minus de oorspronkelijke, ten tijde van het huwelijk reeds gesloten hypotheeklening van € 150.000,-, en dit bedrag wordt bij helfte gedeeld. Een en ander, tesamen met de toelichting van de man, duidt er op dat de uit te keren som gezien moet worden als finale verrekening van tijdens het huwelijk opgebouwd vermogen, dit in het kader van de verrekening voortvloeiend uit de huwelijkse voorwaarden.

4.8.

Hetzelfde geldt ook voor de pensioenvoorziening. Ook al zou de verevening van de door de man getroffen pensioenvoorziening niet (geheel) verplicht zijn op grond van de Wet verevening pensioenrechten, dan bestond die verplichting wel op grond van de huwelijksvoorwaarden, nu de polis is gefinancierd uit overgespaard inkomen. De man is er overigens, ook voordat mr. Mens in beeld kwam, steeds van uitgegaan dat de pensioenen verevend zouden worden.

In het licht van het voorgaande is de enkele stelling dat mr. Mens een verkeerd advies heeft gegeven in elk geval onvoldoende om aan te nemen dat de man destijds is uitgegaan van een onjuiste voorstelling van zaken. De man heeft in dit verband wel gesteld dat sprake is geweest van ernstige gebreken bij de totstandkoming van het convenant, maar hij heeft deze stelling onvoldoende toegelicht. Vast staat wel dat het echtscheidingsconvenant enkele onvolkomenheden kent, waarschijnlijk doordat gebruik is gemaakt van modellen, die slordig zijn aangepast. Hoewel in het echtscheidingsconvenant het woord “huwelijksgemeenschap” voorkomt, blijkt nergens uit dat mr. Mens er vanuit is gegaan dat tussen partijen sprake was van een gemeenschap van goederen. Ook is onvoldoende onderbouwd dat mr. Mens aan partijen het juridische advies zou hebben gegeven dat de overwaarde van de woning gelijkelijk moest worden verdeeld, en dat de man uitsluitend op grond van dit advies akkoord is gegaan met artikel van het echtscheidingsconvenant, nu het zoals hiervoor overwogen, de man zelf is geweest die dit uitgangspunt heeft gehanteerd reeds voordat mr. Mens als advocaat bij de zaak betrokken was. Daar komt bij dat, zoals door de man ter gelegenheid van de comparitie is verklaard, er discussie is geweest tussen de man en mr. Mens voordat het definitieve echtscheidingsconvenant is getekend. Nu vaststaat dat de man wist dat sprake was van huwelijkse voorwaarden en het te verdelen bedrag aan overwaarde sterk afweek van het bedrag in eerdere concepten had het op de weg van de man gelegen hierover opmerkingen te maken dan wel een nadere toelichting te vragen van mr. Mens, hetgeen is gesteld noch gebleken. Bij die stand van zaken moet ervan worden uitgegaan dat de man bewust heeft ingestemd met de definitieve tekst.

Dat de man, zoals door hem gesteld ter gelegenheid van de comparitie, het definitieve echtscheidingsconvenant niet goed heeft gelezen dient voor zijn rekening en risico te komen en kan niet leiden tot een geslaagd beroep op dwaling.

Redelijkheid en billijkheid

4.9.

De man beroept zich subsidiair op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Op grond van artikel 6:248 lid 2 BW is een tussen partijen als gevolg van een overeenkomst geldende regel niet van toepassing, als dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Of hiervan sprake is hangt af van de omstandigheden van het geval. De rechter moet bij de toepassing van dit artikel terughoudendheid betrachten.

4.10.

Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en in het licht van de aard van het echtscheidingsconvenant, de wijze waarop dit tot stand is gekomen en de mate waarin de man geacht moet worden zich bewust te zijn geweest van de strekking daarvan, heeft hij onvoldoende toegelicht op grond waarom de uitvoering van het convenant naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij speelt een rol de in de huwelijkse voorwaarden gemaakte afspraak dat periodiek verrekend zou worden (artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden) en de door de man niet weersproken stelling van de vrouw dat tussen partijen de afspraak gold dat de vrouw voor de kinderen zou zorgen, zodat de man carrière kon maken. Niet kan worden gezegd dat het resultaat, zoals opgenomen in het echtscheidingsconvenant, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zodat het beroep hierop zal worden verworpen.

4.11.

Gelet op het voorgaande zullen de vorderingen van de man worden afgewezen. Aangezien partijen ex-echtgenoten zijn zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.C. Hofman en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.1

1 type: 299coll: