Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10971

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
24-11-2014
Zaaknummer
C/14/14/156999 KG ZA 14-308
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Opheffing loonbeslag. Misbruik van executiebevoegdheid. In een geval als het onderhavige, waarin de formeel vastgestelde betalingsverplichtingen van de man duidelijk niet langer corresponderen met zijn betalingscapaciteit, gaat het niet aan dat de vrouw een werkelijke inschatting van de draagkracht van de man blijft frustreren. Niet verwonderlijk dat de man een achterstand in zijn betalingsverplichtingen heeft opgelopen. De vrouw heeft in de wetenschap dat haar vordering op de man materieel op onjuiste gronden is gebaseerd er niettemin voor gekozen om het LBIO in te schakelen om de maandelijks bijdrage alsmede de achterstand te incasseren. De opslagkosten van het LBIO zijn hoog en zouden – gelet op het schaarste aan middelen – beter voor de voldoening van de kosten van de kinderen kunnen worden aangewend. Het loonbeslag heeft grote consequenties voor de man. De voorzieningenrechter treft een voorziening die ertoe leidt dat de man in afwachting van een vaststelling van zijn alimentatieplicht een bedrag aan de vrouw voldoet dat in ieder geval niet hoger ligt dan zijn werkelijke betalingscapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie handel en insolventie

Locatie Alkmaar

NMB/AS

zaaknummer / rolnummer: C/14/156999 / KG ZA 14-308

datum: 11 november 2014

Vonnis van de voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding

in de zaak van

toev.nr.: [-]

[de man],

wonend te Alkmaar,

eiser bij dagvaarding van 23 september 2014,

advocaat: mr. P.P.J.L. Appelman te Alkmaar,

tegen

toev.nr.: [-]

[de vrouw],

wonend te Alkmaar,

gedaagde,

advocaat: mr. E.S. Dirks te Alkmaar.

Partijen worden hierna de man en de vrouw genoemd.

1 Het verloop van het geding

Ter terechtzitting van 6 oktober 2014 is de man verschenen, bijgestaan door mr. Appelman voornoemd, en de vrouw, bijgestaan door mr. Dirks voornoemd.

De man heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding die in kopie aan dit vonnis is gehecht, alsmede de akte wijziging van eis.

De vrouw heeft de vordering bestreden.

De raadslieden hebben de standpunten van partijen nader uiteengezet, mede aan de hand van pleitaantekeningen die zij hebben overgelegd.

Partijen hebben de stukken overgelegd, te weten van de zijde van de man de dagvaarding en in totaal 10 producties (waaronder het bij deze rechtbank ingediende verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie met 30 producties).

De voorzieningenrechter heeft de man verzocht een verklaring van zijn werkgever te overleggen met betrekking tot de uitkering van een winstuitkering (bonus) over 2013. De behandeling van de zaak is met het oog daarop aangehouden.

Bij brief van 10 oktober 2014 heeft mr. Appelman voormelde verklaring alsmede een e-mail van de man van 8 oktober 2014 en nieuwe berekening van de draagkracht van de man overgelegd.

De griffier heeft mr. Dirks telefonisch benaderd omdat zij niet op het schrijven van mr. Appelman had gereageerd. Volgens mr. Dirks heeft zij de brief van 10 oktober 2014 niet van mr. Appelman ontvangen. Mr. Dirks heeft hierop alsnog gereageerd bij brief van 3 november 2013.

Mr. Appelman heeft vervolgens bij brief van 4 november 2014 (met 2 producties) heeft mr. Appelman een reactie op de brief van mr. Dirks van 3 november 2014 aan de voorzieningenrechter toegezonden.

Mr. Dirks heeft bij brief van 5 november 2014 bezwaar gemaakt tegen de nadere reactie van de zijde van de man.

De griffier heeft hierop aan partijen medegedeeld dat een nadere reactie van de zijde van de man niet wordt toegestaan zodat de brief van 4 november 2014 buiten beschouwing wordt gelaten.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 Uitgangspunten

2.1.

Partijen zijn voormalig echtelieden. Het huwelijk is op 9 september 2011 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 24 augustus 2011 in de registers van de burgerlijke stand. Partijen hebben drie kinderen. Het jongste en oudste kind zijn op het adres van de vrouw ingeschreven, het middelste kind bij de man. De kinderen verblijven drie dagen per week bij de man.

2.2.

Van de echtscheidingsbeschikking maakt deel uit het door partijen overeengekomen ouderschapsplan, gedateerd 25 juli 2011. Hierin is onder meer bepaald dat de man met ingang van 1 augustus 2011 een bedrag van € 400,- per kind per maand aan de vrouw zal voldoen, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Op grond van de tussen partijen overeengekomen wettelijke indexatie bedroeg de bijdrage op 1 januari 2012 € 405,20 per kind per maand en op 1 januari 2013 € 412,09 per kind per maand.

2.3.

Op 4 juli 2012 heeft de man een verzoekschrift tot wijziging van de bijdrage bij deze rechtbank ingediend, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht deze te bepalen op € 180,66 per kind per maand.

2.4.

De vrouw heeft een kort geding tegen de man aanhangig gemaakt en gevorderd de man te veroordelen om zijn medewerking aan de verkoop van de echtelijke woning te verlenen. Daartoe heeft de vrouw onder meer gesteld dat de man de vraagprijs van de woning alleen wilde verlagen als zij zou instemmen met een halvering van de kinderalimentatie.

2.5.

Ter zitting van de rechtbank van 12 november 2012 - waar de man zonder advocaat is verschenen - zijn partijen onder meer overeengekomen dat de bijdrage met terugwerkende kracht van 1 januari 2012 tot en met augustus 2012 zal worden gesteld op € 800,- per maand, en vanaf september 2012 op € 780,- per maand tot mei 2013 of zoveel langer als nodig is om te komen tot een hernieuwde beoordeling van de alimentatieverplichting van de man. Deze beoordeling zou plaatsvinden zodra de man zou beschikken over gegevens over de winstuitkering over 2012. Voorts zijn partijen overeengekomen dat de aanhangige bodemprocedure tot wijziging van de bijdrage aangehouden zou worden voor het geval partijen geen overeenstemming zouden bereiken.

2.6.

De man heeft vervolgens het verzoekschrift tot wijziging van de bijdrage ingetrokken.

2.7.

De man is in 2013 op enig moment opgehouden om de bijdrage aan de vrouw te voldoen.

2.8.

Op 13 augustus 2013 heeft de vrouw een verzoekschrift bij deze rechtbank ingediend waarin zij heeft verzocht - samengevat - de door de man te betalen bijdrage per januari 2012 vast te stellen op € 400,- per kind per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering over 2012 en 2013. De vrouw heeft daartoe gesteld dat de man zich niet heeft gehouden aan de afspraken die in kort geding waren gemaakt. Volgens de vrouw heeft geen herbeoordeling van de alimentatieverplichting van de man plaatsgevonden en heeft de man geen stukken verstrekt met betrekking tot de winstuitkering over 2012. Volgens de vrouw heeft zij door de afspraken die in kort geding zijn gemaakt geen mogelijkheid om de bijdrage zoals overeengekomen in het ouderschapsplan (dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking) te innen. De man heeft zonder tussenkomst van een advocaat een verweerschrift ingediend, dat door de rechtbank aan de man is teruggezonden. De man heeft niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn alsnog een verweerschrift door tussenkomst van een advocaat ingediend en heeft ook niet verzocht om uitstel voor het indienen van een verweerschrift.

2.9.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 16 oktober 2013 heeft de rechtbank bepaald dat de man met ingang van januari 2012 een bijdrage van € 405,20 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzoek niet onrechtmatige of ongegrond voorkomt.

2.10.

De man is op 10 januari 2014 van deze beschikking bij het gerechtshof te Amsterdam in hoger beroep gekomen en heeft gevorderd de beschikking te vernietigen en de bijdrage te bepalen op € 220,- per kind per maand. Daartoe heeft de man gesteld dat partijen tijdens het kort geding hebben afgesproken dat zij een nieuwe draagkrachtberekening zouden maken nadat de winstuitkering over 2012 bekend was, dat de vrouw daarop had behoren te wachten alvorens een verzoek bij de rechtbank in te dienen en dat zij om die reden niet in dat verzoek had mogen worden ontvangen. De vrouw heeft tot haar verweer aangevoerd dat de tijdens de zitting in kort geding overeengekomen bedragen een voorlopig karakter hadden, dat de afspraken uitsluitend zijn gemaakt om rust tussen partijen te creëren in verband met het op dat moment tevens aanhangige wijzigingsverzoek van de man, en dat met het intrekken van dat verzoek door de man de grondslag voor die afspraken als die afspraken zelf zijn komen te vervallen, en dat de man daardoor gehouden is de onderhoudsbijdragen zoals overeengekomen in het ouderschapsplan te blijven voldoen.

2.11.

Het gerechtshof heeft op 2 september 2014 arrest gewezen. Het hof heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in verzoek om de bijdrage te bepalen op € 220,- per kind per maand en heeft de beschikking bekrachtigd. Daartoe heeft het hof onder meer het volgende overwogen:

“Verder acht het hof aannemelijk dat de afspraken uitsluitend zijn gemaakt in verband met de (alimentatie)procedure die op dat moment aanhangig was vanwege het door de man ingediende wijzigingsverzoek. Uit de bewoordingen in eerder genoemd proces-verbaal blijkt dat partijen zouden trachten in die procedure in onderling overleg tot overeenstemming te komen en dat, bij het uitblijven van overeenstemming, een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank zou volgen. Doordat de

man zijn verzoek vervolgens heeft ingetrokken, heeft een inhoudelijke behandeling nooit

plaatsgevonden. Vaststaat dat partijen evenmin overeenstemming hebben bereikt. Naar het

oordeel van het hof kan onder die omstandigheden aan de gemaakte afspraken geen

zelfstandige betekenis worden toegekend en kan de vrouw niet aan die afspraken worden

gehouden. Door het wegvallen van die afspraken herleeft de overeenkomst van partijen als

weergegeven in het ouderschapsplan dat deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking. De rechtbank heeft de bijdrage ten behoeve van de kinderen met ingang van 1 januari 2012, op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw, dan ook terecht overeenkomstig de in het ouderschapsplan opgenomen bijdrage vastgesteld. Dit leidt ertoe dat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.”.

2.12.

De vrouw heeft het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) ingeschakeld teneinde de achterstallige alimentatie te innen. Het LBIO heeft loonbeslag onder de werkgever van de man doen leggen. Op grond van dit beslag wordt sedert februari 2014 maandelijks een bedrag van € 947,04 op het salaris van de man ingehouden en daarnaast zijn vakantiegeld. Het LBIO heeft opslagkosten van € 1.713,67 berekend voor de inning van de achterstand en berekent voorts maandelijks € 182,34 voor de inning van de lopende betalingsverplichtingen.

2.13.

Volgens een berekening van het LBIO bedraagt de vordering tot en met augustus 2014 in totaal € 25.719,57 (inclusief € 3.354,73 gevorderde opslagkosten), waarvan op grond van het loonbeslag € 10.389,64 aan het LBIO is voldaan.

2.14.

De man heeft op 15 september 2014 bij deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot wijziging van de bijdrage, waarbij hij heeft verzocht de bijdrage met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2012 vast te stellen op € 212,- per kind per maand met de bepaling dat de vrouw de vanaf 1 januari 2012 teveel ontvangen bedragen aan de man dient te restitueren.

2.15.

Bij brief van 7 oktober 2014 heeft de werkgever van de man aan hem bericht dat vanwege de zorgelijke financiële situatie van de onderneming in 2014 geen winstuitkering aan hem zal worden uitgekeerd en dat de werkgever over 2014 ook een negatief resultaat verwacht, zodat de man in 2015 wederom geen winstuitkering zal ontvangen.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert (na akte vermeerdering) van eis samengevat - dat de voorzieningenrechter het loonbeslag zal opheffen dan wel zal beperken tot € 636,- per maand, althans de vrouw zal bevelen het loonbeslag op te heffen dan wel dit te beperken tot een bedrag van € 636,- per maand op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe heeft de man - zakelijk weergegeven - het volgende gesteld. De bijdrage is te hoog. In de jaren voorafgaand aan de totstandkoming van het ouderschapsplan ontving de man hoge bonussen, deze bedroegen gemiddeld € 21.000,- bruto per jaar. Op grond van het gemiddelde loon van de man over drie jaar hebben partijen het geïndexeerde netto gezinsinkomen bepaald, daar kwam een behoefte uit van € 1.261,-. Dit hebben partijen afgerond op € 1.200,-. Op basis hiervan is de bijdrage bepaald op € 400,- per kind per maand. Het inkomen van de man is vervolgens fors lager geworden. Over het jaar 2011 heeft de man slechts een bonus ontvangen van € 9.654,- bruto, over het jaar 2012 was de bonus nihil. In de tussen partijen gevoerde procedures heeft geen inhoudelijke behandeling plaatsgevonden. De man heeft de vrouw gewezen op de wijziging van de regels voor de berekening van de bijdrage per 1 april 2013, de vrouw wilde echter geen nieuwe berekening maken. De vrouw heeft loonbeslag laten leggen door het LBIO. Hierdoor draagt de man nu maandelijks een bedrag van € 1.543,- af aan het LBIO. In dit bedrag zit een fors bedrag aan opslagkosten, te weten € 182,34 per maand. De man heeft ook zijn volledige vakantie-uitkering aan het LBIO moeten afdragen. De man raakt door het beslag in financiële problemen. De man dient zijn hypotheek te betalen. Hij heeft ook een intensieve zorgregeling die kosten met zich brengt. De vrouw heeft niet gereageerd op het verzoek van de man om het beslag op te heffen. De man heeft sedert januari 2012 ongeveer een bedrag van € 7.000,- teveel aan de vrouw betaald, dat vordert hij terug in de bodemprocedure. De vrouw biedt geen verhaal voor de teveel aan haar betaalde bedragen. Er is dus een restitutierisico. De man heeft daarom (spoedeisend) belang bij zijn vordering.

3.3.

De vrouw heeft - zakelijk weergegeven - het volgende tot haar verweer aangevoerd. Partijen hebben op 12 november 2012 tijdelijke afspraken gemaakt over de verdeling van de kosten van de kinderen. Onderdeel van deze afspraken was het aanhouden van de bodemprocedure teneinde een definitieve beslissing over de verdeling van de kosten te krijgen. In strijd met de afspraken heeft de man de bodemprocedure ingetrokken. Een eventuele wijziging van de overeengekomen bijdrage zal op zijn vroegst van kracht zijn per 12 september 2014, de datum van indiening van het verzoekschrift van de man. Dit brengt geen wijziging in de achterstand die tot deze datum is ontstaan in de betaling van de bijdrage. Tot 1 januari 2014 bedroeg deze vordering bijna € 12.000,-. Deze achterstand blijft bestaan. De vordering is inmiddels nog verder opgelopen. De vrouw vermoedt dat de directe aanleiding van de man om deze procedure op te starten is dat zijn jaarlijkse winstuitkering op korte termijn tot uitbetaling komt, welke winstuitkering onder het beslag zal vallen. De man heeft zich vanaf het begin verzet tegen de betaling van de bijdrage. De man heeft structureel de bijdrage niet betaald, niet volledig betaald, onregelmatig betaald etc. Hierdoor werd de vrouw beperkt in haar mogelijkheden om voor de kinderen te zorgen. De vrouw heeft getracht om nadere overeenstemming met de man te bereiken, maar de man wil gewoon niet betalen. Iedere cent die de man ten behoeve van de kinderen aan de vrouw dient te voldoen levert een stortvloed aan discussie op. De man blijft procederen, dat kost de vrouw veel geld, geld wat de vrouw niet heeft. Het leggen van loonbeslag door het LBIO is een laatste redmiddel. Dit heeft de vrouw moeten inzetten als gevolg van het betalingsgedrag van de man. Als het loonbeslag wordt opgeheven vervalt voor de vrouw een mogelijkheid om haar vordering op de man te incasseren. Opheffing of matiging van het beslag kan alleen aan de orde zijn in het geval de executant geen redelijk te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar executiebevoegdheid. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken waaruit volgt dat aan de zijde van de man een noodtoestand is ontstaan. De man houdt maandelijks ten minste € 325,- over om boodschappen te doen, hetgeen voldoende is. Gezien de houding van de man en het gegeven dat de vrouw hoofdverzorgende is, heeft de vrouw belang bij voortzetting van de executie en handhaving van het beslag.

3.4.

Op de stellingen en weren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vrouw heeft niet, althans onvoldoende betwist dat het inkomen van de man sedert 2011 aanzienlijk lager is geworden dan het bedrag waar partijen destijds bij het bepalen van de bijdrage vanuit zijn gegaan. Dat betekent dat de man minder draagkracht heeft voor de betaling van een bijdrage in de kosten van de kinderen. Op grond hiervan heeft de man in juli 2012 een bodemprocedure tot wijziging van de bijdrage aanhangig gemaakt. In het kort geding dat vervolgens door de vrouw tegen de man aanhangig was gemaakt hebben partijen ter zitting van 12 november 2012 voorlopige bedragen afgesproken waarbij rekening werd gehouden met de verminderde draagkracht van de man. Partijen hebben voorts afgesproken dat er een hernieuwde beoordeling van de verplichtingen van de man zou plaatsvinden op het moment dat de winstuitkering over 2012 bekend was. De man werd in die procedure niet bijgestaan door een advocaat.

4.2.

De hernieuwde beoordeling heeft vervolgens niet plaatsgevonden, kennelijk omdat de man de bodemprocedure had ingetrokken en de vrouw zich vervolgens op het standpunt heeft gesteld dat daarmee de grondslag voor de ter zitting in kort geding gemaakte afspraken was komen te vervallen. De bijdrage is ook niet inhoudelijk beoordeeld in de procedure bij de rechtbank die tot het vonnis van 16 oktober 2013 heeft geleid, omdat de man zich in die procedure (wederom) niet door een advocaat heeft laten bijstaan en geen verweer tegen de vordering van de vrouw heeft gevoerd. De vrouw heeft vervolgens haar standpunt gehandhaafd in de appelprocedure die de man heeft gevoerd en het hof heeft haar standpunt bij arrest van gehonoreerd.

4.3.

De voorzieningenrechter acht deze gang van zaken kwalijk. In een geval als het onderhavige, waarin de formeel vastgestelde betalingsverplichtingen van de man duidelijk niet langer corresponderen met zijn betalingscapaciteit, gaat het niet aan dat de vrouw een werkelijke inschatting van de draagkracht van de verplichtingen van de man blijft frustreren. Het had op de weg van de vrouw gelegen om mee te werken aan een vaststelling van een bijdrage die voor de man haalbaar is. Doordat zij daaraan haar medewerking weigert, is het niet verwonderlijk dat de man een achterstand in zijn betalingsverplichtingen heeft opgelopen. Deze achterstand zou niet, althans niet in deze omvang zijn ontstaan indien de vrouw het de man in staat had gesteld om een reële bijdrage te betalen. Aan dit alles doet niet af dat het hof het standpunt van de vrouw heeft onderschreven. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat partijen de bodemrechter al lang geleden hadden kunnen brengen tot een inhoudelijke beoordeling van de alimentatieplicht van de man indien zij beide hadden laten weten dat ze daarop uit waren. Het is uitsluitend aan de processtrategie van de vrouw te wijten dat het daartoe tot op heden nog niet is gekomen. De vrouw heeft ter zitting weliswaar nog aangevoerd dat zij herhaaldelijk pogingen heeft gedaan om met de man te onderhandelen over een lagere bijdrage maar dat daarover met de man niet te praten viel, maar dat blijkt niet uit de stukken zodat de voorzieningenrechter daaraan voorbij gaat.

4.4.

Van de zijde van de vrouw is ter zitting aangevoerd dat volgens de huidige berekeningsmethode de man maandelijks een bijdrage van € 1.075,- zou moeten voldoen. Volgens de vrouw dient de behoefte van de kinderen op een bedrag van € 1.365,- te worden gesteld, bedraagt het kindgebonden budget € 148,-, waardoor er een behoefte van € 1,217,- tussen partijen moet worden verdeeld. Er is geen berekening overgelegd. De vrouw wil dat de bijdrage in de bodemprocedure door de rechter wordt berekend. De vrouw zal niet afzien van incasso van de achterstand. De man heeft hiertegen ingebracht dat de vrouw met een te hoge behoefte van de kinderen blijft rekenen. De man stelt dat deze op een lager bedrag dient te worden bepaald omdat hij nu minder salaris ontvangt. Volgens de door de man overgelegde berekening, waarbij de behoefte van de kinderen op € 1.200,- is bepaald, het kindgebonden budget op € 148,- en de zorgkorting op € 335,- (35% van € 1.052,-, na correctie), komen de berekeningen uit op een bedrag van tussen de € 600,- en 660,- per maand.

4.5.

De berekening van de man komt de voorzieningenrechter voorshands niet onjuist voor. De voorzieningenrechter kan niet nagaan hoe de vrouw op het bedrag van € 1.075,- komt, omdat zij geen berekening heeft overgelegd. De voorzieningenrechter stelt vast dat ook in de eigen visie van de vrouw de man op dit moment in ieder geval maandelijks een bedrag van € 125,- teveel aan haar betaalt.

4.6.

De vrouw heeft (aldus) in de wetenschap dat haar vordering op de man materieel op onjuiste gronden is gebaseerd er niettemin voor gekozen om het LBIO in te schakelen om de maandelijkse bijdrage van € 1.200,- incasseren alsmede de achterstand van € 12.000,-. Het gevolg van deze handelwijze van de vrouw is dat er thans maandelijks een bedrag van
€ 182,34 aan opslagkosten aan het LBIO dient te worden betaald (alsmede een bedrag van

€ 1.713,67 ineens aan opslagkosten ter inning van de litigieuze achterstand). De vrouw heeft zich daarbij blijkens haar stellingname ter zitting mede laten leiden door aannames omtrent de uitkering van bonussen die, afgaande op uitlatingen van de werkgever van de man niet steekhoudend, zijn.

Naar de voorzieningenrechter ambtshalve bekend is, blijft het LBIO maandelijks opslagkosten in rekening brengen zolang de vrouw haar verzoek tot incassering van de achterstand en lopende betalingsverplichtingen niet heeft ingetrokken. De opslagkosten zijn hoog en zouden -gelet op de schaarste aan middelen- beter voor de voldoening van de kosten van de kinderen kunnen worden aangewend. Het LBIO heeft voorts loonbeslag gelegd, hetgeen grote consequenties voor de man heeft. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende betwist dat als gevolg van het loonbeslag de inkomsten van de man maandelijks € 2.035 bedragen (€ 1.543,30 salaris en - naar de man ter zitting onweersproken heeft gesteld - een bedrag van € 492,- aan voorlopige teruggave IB) en dat zijn vaste lasten € 1.529,- per maand bedragen. Aldus houdt de man maandelijks € 509,- over voor onder andere zijn overige kosten van levensonderhoud (voedsel, kleding etc), vervoerskosten, gemeentelijke lasten, ziektekosten, ziektekostenverzekering, alsmede omgangskosten. Volgens de man heeft hij ingeteerd op zijn spaargeld (en is dat nu bijna op) en heeft hij geld van zijn ouders moeten lenen om maandelijks rond te kunnen komen.

4.7.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw onder voormelde omstandigheden misbruik van executiebevoegdheid maakt. De voorzieningenrechter ziet in de hiervoor geschetste loop van de gebeurtenissen aanleiding voor het treffen van een voorziening die ertoe leidt dat de man in afwachting van een vaststelling van de alimentatieplicht een bedrag aan de vrouw voldoet dat in ieder geval niet hoger ligt dan zijn werkelijke betalingscapaciteit. Verder zal de voorzieningenrechter het loonbeslag opheffen, nu het onder de geschetste omstandigheden niet aanvaardbaar is dat er maandelijks € 182,-- aan opslagkosten aan het LBIO moet worden afgedragen. De omstandigheid dat er, uitgaande van de formeel geldende alimentatieplicht van € 1.200,-- achterstanden zijn ontstaan, is onder de geschetste omstandigheden onvoldoende reden om dat beslag te laten liggen.

4.8.

Nu partijen voormalig echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

heft op het beslag onder de werkgever van de man (te weten [-]) en bepaalt dat niet opnieuw beslag mag worden gelegd zolang de man, ingaande 1 december 2014, maandelijks een bedrag van € 660,-- per maand aan de vrouw voldoet, totdat de bodemrechter de alimentatieplicht zal hebben vastgesteld;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen dit vonnis kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam binnen vier weken na de dag van de uitspraak. Het beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat.

Als het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, heeft het vonnis al wel geldende werking zolang op het (eventuele) beroep niet is beslist.