Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10847

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-11-2014
Datum publicatie
25-11-2014
Zaaknummer
14-3606
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank oordeelt dat uit artikel 25 van genoemd belastingverdrag volgt dat de tussen staten uitgewisselde informatie slechts bekend mag worden gemaakt bij een (openbare) terechtzitting indien het gaat om vaststelling of invordering van en de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van belastingen. In deze zaak gaat het niet om vaststelling, invordering, tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van belastingen, maar om een verzoek om informatie op grond van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen. De laatste zin van artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag is daarom niet van toepassing. Gelet op de betrokken belangen ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek om beperkte kennisname te honoreren. Daarmee wordt afgeweken van de uitspraak van de rechtbank van 6 oktober 2014 ECLI:NL:RBNHO:2014:9249. Deze lijn wordt nadrukkelijk verlaten.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/2423
V-N 2015/11.6 met annotatie van Redactie
FutD 2014-2777
Mr. L.E.C. Neve annotatie in NTFR 2015/517
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: HAA 14/3606

Beslissingsdatum: 19 november 2014

Beslissing in het geding tussen

de besloten vennootschap [X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres,

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder.

Overwegingen

1. Bij besluit van 5 februari 2014 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van zijn beslissing om op de voet van artikel 1, eerste lid, van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen (hierna: WIB) en artikel 26A van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting tussen Nederland en Japan inlichtingen aan de autoriteiten van Japan te verstrekken.

2. Bij besluit van 31 juli 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.

4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en bij brief van 20 oktober 2014 een beroep gedaan op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en meegedeeld dat alleen de rechtbank kennis mag nemen van de volgende bijlagen:

1. het verzoek van de Japanse autoriteiten om informatie van [..] november 2012 met memorandum (pagina 6 tot en met 9)

2. de aanvulling op het verzoek van de Japanse autoriteiten van [..] januari 2013 met memorandum (2 pagina’s)

3. de ontvangstbevestiging van verweerder van [..] januari 2013 (1 pagina)

5. het verzoek aan de Japanse autoriteiten omtrent het actueel belang van het informatieverzoek van [..] juni 2013 (pagina 1 en 3)

6. het bericht aan de consul van Japan van [..] juni 2013 over de actuele stand van zaken omtrent het informatieverzoek (1 pagina)

7. het bericht van de Japanse autoriteiten van [..] augustus 2013 over het actueel belang van het informatieverzoek met memorandum (2 pagina’s)

8. het aanvullend verzoek van verweerder van [..] september 2013 om toelichting op het actueel belang van het informatieverzoek (3 pagina’s)

9. het bericht van de Japanse autoriteiten van [..] november 2013 over het aanvullend verzoek om toelichting van het actueel belang van het informatieverzoek met memorandum (5 pagina’s)

17. het verzoek van de Japanse autoriteiten van [..] april 2014 om toelichting op het belang van de informatieverstrekking van [..] april 2014 (2 pagina’s)

Weliswaar wordt bijlage 1 niet door verweerder in het verweerschrift op pagina 10 genoemd, maar deze bijlage is wel bijgevoegd in de envelop met geheime stukken en was ook onderdeel van het 8:29 verzoek ten aanzien van de voorlopige voorziening die is gevraagd, zodat de rechtbank er van uit gaat dat het verzoek ook op bijlage 1 ziet.

5. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de hiervoor genoemde bijlagen beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, omdat het vertrouwelijke correspondentie tussen Staten betreft. Het is vast gebruik dat correspondentie tussen Staten als vertrouwelijk wordt beschouwd en zo wordt behandeld. Indien Nederland die vertrouwelijkheid niet in acht zou nemen, zou dit gevolgen kunnen hebben voor de bereidheid van buitenlandse fiscale autoriteiten om Nederland in voorkomende gevallen inlichtingen te verstrekken, hetgeen negatieve gevolgen zou hebben voor de Nederlandse belastingheffing. De gewichtige redenen zijn gelegen in de betrekkingen tussen Nederland en andere Staten en de economische en financiële belangen van de Nederlandse Staat (artikel 10, tweede lid, van de Wet openbaarheid van bestuur en artikel 14 van de WIB).

6. Eiseres heeft bij brief van 7 november 2014 gewezen op de beslissing van rechtbank Haarlem van 6 oktober 2014 (ECLI:NL:RBNHO:2014:9249) waarin in het kader van een verzoek om een voorlopige voorziening besloten is dat beperking van de kennisgeving niet gerechtvaardigd was. Hierbij werd gewezen op artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Japan tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting met betrekking tot belastingen naar het inkomen (hierna: het Belastingverdrag), waarin vermeld staat dat deze stukken in het kader van een gerechtelijke procedure ingebracht mogen worden, zodat problemen niet te voorzien zijn met de autoriteiten van Japan.

7. Het bepaalde in artikel 8:29, eerste lid, van de Awb biedt de mogelijkheid op de zaak betrekking hebbende stukken voor eiseres geheim te houden indien daartoe gewichtige redenen bestaan. Beslissend bij de beantwoording van de vraag of verweerder zich terecht op geheimhouding beroept, is of de door verweerder voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang dat eiseres heeft bij kennisneming. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de redenen voor geheimhouding zwaarder wegen dan het belang van eiseres bij kennisneming. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

8.1.

Ingevolge artikel 25, eerste lid (‘Uitwisseling van informatie’), van het Belastingverdrag wisselen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten de informatie uit die naar verwachting van belang zal zijn voor de uitvoering van de bepalingen van dit Verdrag of voor de toepassing of handhaving van de nationale wetgeving betreffende belastingen van elke soort en benaming die worden geheven ten behoeve van de verdragsluitende staten, of van de staatkundige onderdelen of plaatselijke publiekrechtelijke lichamen daarvan, voor zover de heffing ingevolge die wetgeving niet in strijd is met dit Verdrag. De uitwisseling van informatie wordt niet beperkt door de artikelen 1 en 2.

8.2.

Ingevolge artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag wordt alle uit hoofde van het eerste lid door een verdragsluitende staat ontvangen informatie op dezelfde wijze geheim gehouden als informatie die volgens de nationale wetgeving van die verdragsluitende staat is verkregen en wordt alleen ter kennis gebracht van personen of autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, of het toezicht daarop. Deze personen of autoriteiten mogen alleen voor deze doeleinden van de informatie gebruikmaken. Zij mogen de informatie bekendmaken in openbare rechtszittingen of in gerechtelijke beslissingen.

8.3.

De toelichting bij artikel 26 van het OESO-modelverdrag, waarop artikel 25 van het Belastingverdrag is gebaseerd, vermeldt - voor zover hier relevant - het volgende:

“Reciprocal assistance between tax administrations is feasible only if each administration is assured that the other administration will treat with proper confidence the information which it will receive in the course of their co-operation. The confidentiality rules of paragraph 2 apply to all types of information received under paragraph 1, including both information provided in a request and information transmitted in response to a request.”

De rechtbank leidt hieruit af dat op basis van het Belastingverdrag de informatie uitwisseling tussen Staten als uitgangspunt een vertrouwelijk karakter heeft.

8.4.

Gelet op de laatste zin van artikel 25, tweede lid, van het Belastingverdrag hebben de verdragsluitende staten afgesproken dat de uitgewisselde informatie bekend mag worden gemaakt in een (openbare) rechtszitting. Beperkingen ten aanzien hiervan zijn in dit artikel niet opgenomen. Gelet op de eerste zin van artikel 25, tweede lid kunnen alleen autoriteiten (daaronder begrepen rechterlijke en bestuursrechtelijke instanties) die betrokken zijn bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen deze informatie op basis van dit artikel in een gerechtelijke procedure in brengen. Nu in deze bodemprocedure geen sprake is van een betrokkenheid van de belastingdienst bij de vaststelling of invordering van, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van, of de beslissing in beroepszaken betrekking hebbende op de in het eerste lid bedoelde belastingen, maar het hier gaat om een procedure inzake de Wet op de internationale bijstandsverlening bij de heffing van belastingen, is de laatste zin van het tweede lid van artikel 25 van het Belastingbedrag niet van toepassing. De informatie tussen de staten dient derhalve op grond van het Belastingbedrag in deze zaak vertrouwelijk te blijven. De rechtbank verlaat hierbij nadrukkelijk de lijn zoals verwoord in de beslissing inzake de voorlopige voorziening van eiseres met nummer 14/3605 van 6 oktober 2014. Nu de vertrouwelijkheid tussen Nederland en Japans is afgesproken, is anders dan eiseres stelt onder verwijzing van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 10 oktober 2001 (JB 2001/301) voldoende aannemelijk dat het overleggen van de stukken een negatieve uitwerking zal hebben op de bereidheid van Japan om Nederland in voorkomende zaken nog inlichtingen te verstrekken.

9. Gezien het belang van de Belastingdienst bij de geheimhouding van de stukken vanuit interstatelijk oogpunt nu op grond van het Belastingverdrag vertrouwelijkheid is afgesproken, is de rechtbank van mening dat er sprake is van een gewichtige reden als bedoeld in artikel 8:29 Awb die zwaarder weegt dan het belang van eiseres. Beperkte kennisneming van de bijlage 1 (pagina 6 t/m 9), 2, 3, 5 (pagina 1 en 3), 6, 7, 8, 9 en 17 is derhalve gerechtvaardigd.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat beperking van de kennisgeving van bijlage 1 (pagina 6 t/m 9), 2, 3, 5 (pagina 1 en 3), 6, 7, 8, 9 en 17 gerechtvaardigd is;

- stelt eiseres op de voet van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb in de gelegenheid binnen twee weken de rechtbank te berichten of zij toestemming geeft dat de rechtbank uitspraak doet mede op grondslag van voormelde bijlagen.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.E. Keulemans, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. E. Degen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing kunnen eerst gelijk met de (eind)uitspraak rechtsmiddelen worden aangewend.