Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10683

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-04-2014
Datum publicatie
13-11-2014
Zaaknummer
2783842 OA Verz 14-11
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Ontbindingsverzoek van werknemer wordt ondanks verweer werkgever toegewezen, alleen al gelet op het recht op vrije arbeidskeuze van artikel 19 lid 3 Grondwet en artikel 4 EVRM, en omdat van beperkingen van dit recht niet is gebleken. Toekenning van vergoeding met correctiefactor C=1.5, omdat de verstoring van de arbeidsverhouding in overwegende mate aan de werkgever is te wijten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0955
AR 2014/852

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/repnr.: 2783842 OA VERZ 14-11

Uitspraakdatum: 16 april 2014

Beschikking in de zaak van:

[naam verzoeker], wonende te [plaats]

verzoekende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. H. Plantenga, advocaat te Amsterdam

tegen

de besloten vennootschap Ton van Kuijk Hoorn B.V., gevestigd te Hoorn

verwerende partij

verder ook te noemen: Van Kuijk

gemachtigde: mr. F.P. Klaver, advocaat te Alkmaar.

Het procesverloop

1. [werknemer] heeft op 14 februari 2014 een verzoekschrift ingediend tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst tussen hem en Van Kuijk. Daar heeft Van Kuijk bij verweerschrift op gereageerd.

2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 2 april 2014, waar [werknemer] in persoon is verschenen, vergezeld door familieleden en buren, en bijgestaan door mr. Plantenga, en waar voor Van Kuijk zijn verschenen [A], algemeen directeur, [B], vestigingsmanager en [C], financieel directeur, bijgestaan door mr. Klaver. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen. Op de zitting heeft [werknemer] nog nadere stukken overgelegd.

3. Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

De feiten

4. [werknemer], geboren op [datum], is op 23 maart 2003 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Van Kuijk, Autobedrijf Nic. de Rie & Zn. B.V (hierna: De Rie). Op 1 april 2013 is de onderneming van De Rie overgenomen door Van Kuijk. Van Kuijk exploiteert een autobedrijf en is de Volvo-dealer voor Hoorn en omstreken. [werknemer] is eerder, vóór zijn dienstverband met De Rie, in dienst geweest bij Van Kuijk en dat dienstverband is geëindigd door een ontslag op staande voet.

5. [werknemer] werkte laatstelijk als monteur, met een salaris van € 2.479,54 bruto per maand.

6. In april 2013 heeft [werknemer] twee weken vakantie gehad. Met ingang van 8 juli 2013 heeft [werknemer] ook vakantiedagen opgenomen. Aansluitend aan deze vakantie heeft [werknemer] zorgverlof gekregen voor het verzorgen van zijn zieke moeder. De moeder van [werknemer] is overleden op 23 augustus 2013. Nadien heeft [werknemer] nog drie weken buitengewoon verlof gevraagd en gekregen. Vervolgens is [werknemer] op 16 september 2013 weer gaan werken.

7. In een brief van 30 september 2013 heeft Van Kuijk naar aanleiding van een gesprek op 25 september 2013 aan [werknemer] meegedeeld dat zij het dienstverband met hem wilde beëindigen. Daarbij is als reden gegeven dat de instelling van [werknemer] naar zijn collega’s zeer negatief is en op het onfatsoenlijke af, en dat door zijn aanwezigheid “de sfeer bijzonder slecht [is], verziekt zelfs.” Daarnaast is als reden genoemd dat [werknemer] had aangegeven zichzelf wat aan te doen en dat zijn snelheid van werken te langzaam is.

8. De advocaat van [werknemer] heeft in een brief van 17 oktober 2013 namens [werknemer] voorgesteld om een gesprek aan te gaan met zijn leidinggevenden, teneinde eventuele verbeterpunten te bespreken. In reactie daarop heeft Van Kuijk bij brief van 21 november 2013 aan [werknemer] laten weten dat zijn instelling nog altijd negatief is en dat een normale communicatie niet steeds mogelijk is, waarbij Van Kuijk nogmaals heeft opgemerkt dat zij het liefst het dienstverband wil beëindigen. Ook in een brief van 5 december 2013 en 13 februari 2014 heeft Van Kuijk gesteld dat zij het liefst komt tot een beëindiging van het dienstverband.

Het geschil

9. [werknemer] verzoekt de arbeidsovereenkomst met Van Kuijk te ontbinden wegens gewichtige redenen, gelegen in veranderingen in de omstandigheden. Aan zijn verzoek heeft [werknemer] – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat er geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk is met Van Kuijk en dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord. [werknemer] heeft gevraagd om toekenning van een ontbindingsvergoeding met toepassing van correctiefactor C=2, zoals bedoeld in de Aanbevelingen van de kring van kantonrechters (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl), te weten een bedrag van € 80.337,00 bruto. Volgens [werknemer] is toekenning van een dergelijke vergoeding gerechtvaardigd, omdat Van Kuijk in strijd heeft gehandeld met goed werkgeverschap. Daarbij stelt [werknemer] dat hem zonder grond verwijten zijn gemaakt over disfunctioneren en een negatieve houding, dat Van Kuijk oplossingen voor het conflict in de weg heeft gestaan en dat Van Kuijk het arbeidsconflict heeft veroorzaakt. Ook wijst [werknemer] op zijn lange dienstverband, zijn leeftijd en slechte arbeidsmarktpositie.

10. Van Kuijk voert aan – zakelijk weergegeven – dat geen sprake is van veranderingen in de omstandigheden die moeten leiden tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Volgens Van Kuijk is voortzetting van het dienstverband nog mogelijk, indien [werknemer] zijn gedrag verbetert en zijn excuses aanbiedt aan zijn collega’s. De bewoordingen van de brieven van Van Kuijk, waarin aan [werknemer] is meegedeeld dat wordt gestreefd naar beëindiging van het dienstverband, moeten worden gezien als ‘prikkel’ voor [werknemer] om mee te werken aan structurele oplossingen, aldus Van Kuijk. Verder wijst Van Kuijk erop dat het negatieve gedrag van [werknemer] al jaren een punt van zorg is, maar dat ondanks gesprekken daarover geen verbetering is opgetreden. Ook is daarbij volgens Van Kuijk symptomatisch dat [werknemer] regelmatig te laat komt, waarvoor hij op 27 februari 2012 nog is gewaarschuwd.

Voor zover ontbinding plaatsvindt, meent Van Kuijk dat voor een vergoeding geen plaats is, omdat [werknemer] om ontbinding vraagt en Van Kuijk geen relevante verwijten gemaakt kunnen worden. Op de zitting heeft Van Kuijk daaraan toegevoegd dat zij gezien haar financiële positie ook niet in staat is om de gevraagde vergoeding te betalen.

11. Bij de beoordeling wordt zo nodig nog nader ingegaan op de standpunten van partijen.

De beoordeling

12. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst moet worden ontbonden, en zo ja, of daarbij aan [werknemer] een vergoeding moet worden toegekend.

13. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. Van Kuijk heeft zich als werkgever verzet tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst, maar nu [werknemer] als werknemer die ontbinding zelf vraagt, ziet de kantonrechter alleen al gelet op het recht op vrije arbeidskeuze, zoals neergelegd in onder meer artikel 19 lid 3 van de Grondwet en artikel 4 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geen reden om die ontbinding te weigeren. Van beperkingen van dit recht is de kantonrechter in dit geval niet gebleken.

14. Daaraan voegt de kantonrechter toe dat [werknemer] ook voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er geen vruchtbare samenwerking meer mogelijk is met Van Kuijk en dat de arbeidsrelatie onherstelbaar is verstoord. Van Kuijk heeft [werknemer] bij brief van 30 september 2013 ernstige verwijten gemaakt, hem meegedeeld dat hij negatief is op het onfatsoenlijke af en door zijn aanwezigheid de sfeer verziekt, en aangegeven dat zij beëindiging van het dienstverband wenst. Nadien heeft Van Kuijk bij drie daaropvolgende brieven opnieuw haar wens tot beëindiging van het dienstverband geuit, waarbij zij niet is teruggekomen op haar verwijten, maar deze deels heeft herhaald. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat nog een succesvolle samenwerking tussen partijen mogelijk is, temeer nu [werknemer] uit de brieven van Van Kuijk redelijkerwijs niet anders kon opmaken dan dat Van Kuijk niet verder wilde met hem. Dat Van Kuijk haar brieven heeft bedoeld als ‘prikkel’ om [werknemer] te bewegen mee te werken aan structurele oplossingen, kan de kantonrechter niet volgen. Indien Van Kuijk daadwerkelijk tot structurele oplossingen had willen komen en het dienstverband had willen voortzetten, had zij een andere weg moeten kiezen dan het maken van ernstige verwijten aan het adres van [werknemer] en het herhaald uiten van de wens om te komen tot beëindiging van het dienstverband.

15. Daarbij komt dat Van Kuijk weliswaar inmiddels stelt dat zij voortzetting van het dienstverband nog mogelijk acht, maar alleen onder de voorwaarde dat [werknemer] zijn gedrag verbetert en zijn excuses aanbiedt aan zijn collega’s. Echter, zoals hierna zal worden overwogen, is niet aannemelijk geworden dat de verwijten van Van Kuijk over het gedrag van [werknemer] terecht zijn en kan Van Kuijk daarom ook niet in redelijkheid van [werknemer] vergen dat hij excuses maakt aan zijn collega’s. Van Kuijk stelt dus ten onrechte genoemde voorwaarde aan voortzetting van het dienstverband en ook daarom is die voortzetting niet meer mogelijk.

16. De arbeidsovereenkomst zal gelet op het voorgaande worden ontbonden met ingang van 1 mei 2014, wegens een onherstelbare verstoring van de arbeidsverhouding. Er is geen grond om rekening te houden met een opzegtermijn, zoals [werknemer] heeft verzocht, omdat het uitgangspunt van artikel 7:685 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

17. Vervolgens is de vraag aan de orde of het gelet op de omstandigheden billijk is om aan [werknemer] een vergoeding toe te kennen, als bedoeld in artikel 7:685 lid 8 BW, en zo ja, welke vergoeding.

18. De kantonrechter overweegt dat de omstandigheid dat de werknemer zelf ontbinding vraagt, zoals in dit geval, er niet aan in de weg staat dat aan de werknemer een vergoeding wordt toegekend. Mede gelet op eerdergenoemde Aanbevelingen van de kring van kanton-rechters, kan ook in een dergelijk geval toekenning van een vergoeding billijk zijn, met name indien de werkgever een verwijt te maken valt en er sprake is van enig handelen of nalaten van of voor rekening van de werkgever dat (mede) heeft geleid tot de grond voor de ontbinding.

19. In dit geval acht de kantonrechter toekenning van een vergoeding aan [werknemer] billijk. Daarover wordt het volgende overwogen.

20. Dat [werknemer] al jarenlang negatief gedrag vertoont en de sfeer verziekt, zoals Van Kuijk stelt, is niet aannemelijk geworden. Over de periode van het dienstverband bij De Rie tot 1 april 2013 heeft Van Kuijk een aantal functioneringsverslagen overgelegd, te weten uit 2005 en 2006, maar daaruit blijkt niet van dergelijk gedrag. Het beeld dat naar voren komt uit die verslagen is overwegend positief, nu op veel punten de score ‘goed’ is. De enkele aantekening “gezellig/sfeer?” op het functioneringsverslag van 2005 kan niet als kritiek worden gezien, laat staan dat daaruit zou blijken van de door Van Kuijk genoemde verwijten. Ook uit het verslag van een overleg van 17 april 2013 blijkt niet van negatief gedrag of het verzieken van de sfeer. In dat verslag wordt melding gemaakt van een gesprek tussen [werknemer] en een collega, [X] (hierna: [x]), over samenwerking en communiceren. Zoals [werknemer] heeft erkend, is de samenwerking tussen hem en [x] jarenlang moeizaam geweest en sprak [werknemer] niet met deze collega, maar [werknemer] heeft op de zitting onbetwist gesteld dat hij en [x] op 17 april 2013 elkaar de hand hebben geschud en hun relatie hebben hersteld. Dat er nadien nog problemen zijn geweest tussen [werknemer] en [x] is niet gesteld en ook niet gebleken. De opmerking in het verslag van het overleg van 17 april 2013 dat [werknemer] zich kan irriteren aan anderen en dat hij meer rust wil in de werkplaats en minder gepraat, is onvoldoende om te concluderen dat sprake is van negatief en onfatsoenlijk gedrag.

21. Van Kuijk heeft een verklaring overgelegd van 18 maart 2014 van [Y] (hierna: [y]), after sales manager en direct leidinggevende van [werknemer], waarin wordt gesteld dat [werknemer] nooit meegaat met bedrijfsuitjes, dat hij tijdens vergaderingen wel aanwezig is maar nooit praat, en dat hij zich onttrekt aan cursussen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan het niet meegaan met bedrijfsuitjes en het niet praten tijdens vergaderingen, niet als negatief gedrag of het verzieken van de sfeer worden gezien. De stelling dat [werknemer] zich onttrekt aan cursussen is door hem op de zitting gemotiveerd betwist en door Van Kuijk niet nader onderbouwd. Verder blijkt uit de stukken ook niet dat [werknemer] hierop is aangesproken.

22. Daarnaast is door Van Kuijk een e-mail overgelegd van [y] van 23 september 2013, waarin wordt opgemerkt dat het voor de sfeer in de werkplaats fijn zou zijn als [werknemer] wegblijft en dat [y] dit van bijna alle monteurs hoort. Tegenover deze opmerking van [y] heeft [werknemer] drie verklaringen van ex-collega’s overgelegd, waarin wordt gesteld dat zij steeds prettig hebben samengewerkt met [werknemer]. Daarnaast heeft [werknemer] ook een verklaring van een huidige collega ingebracht, waarin die collega zegt dat hij [werknemer] al vele jaren als een aangename, behulpzame en vooral vakbekwame collega heeft ervaren. Verklaringen van collega’s waarin wordt gesteld dat zij problemen hebben met de samenwerking met [werknemer] zijn door Van Kuijk niet overgelegd. Ook gelet hierop heeft Van Kuijk niet aannemelijk gemaakt dat [werknemer] zich schuldig zou hebben gemaakt aan negatief en onfatsoenlijk gedrag ten opzichte van zijn collega’s.

23. Anders dan Van Kuijk ziet de kantonrechter niet in dat een waarschuwing over te laat komen symptomatisch is voor het gedrag van [werknemer]. Te laat komen is immers van geheel andere aard dan de verwijten die Van Kuijk [werknemer] thans heeft gemaakt over negatief en onfatsoenlijk gedrag. Bovendien is na de waarschuwing in 2012 kennelijk geen sprake meer geweest van te laat komen.

24. Dat [werknemer] tegen [y] in september 2013 heeft gezegd dat [werknemer] ‘zich wat aan zou doen’ of dat hij zich ‘op zou hangen’, betekent evenmin dat sprake is van negatief of onfatsoenlijk gedrag. Zoals blijkt uit de verklaring van [y] is [werknemer] na een vraag over een hersteldmelding huilend weggelopen. Verder was bij [y] en Van Kuijk bekend dat de moeder van [werknemer] kort daarvoor was overleden en wisten zij, althans konden zij weten, dat [werknemer] daardoor emotioneel en aangeslagen was. Onder die omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat de reactie van [werknemer] vooral werd ingegeven door emotie en kan hem niet of slechts in beperkte mate worden verweten dat zijn communicatie in dit verband onhandig of ongelukkig is geweest.

25. Zoals Van Kuijk op de zitting heeft erkend, is [werknemer] een goede en vakbekwame monteur, en heeft hij zijn werktempo verbeterd. Gelet daarop acht de kantonrechter het door Van Kuijk in haar brief van 30 september 2013 genoemde verwijt dat het werktempo van [werknemer] te laag ligt, in dit kader niet relevant.

26. De conclusie van het voorgaande is dat Van Kuijk niet aannemelijk heeft gemaakt dat [werknemer] al jarenlang negatief en onfatsoenlijk gedrag vertoont, en evenmin dat [werknemer] door zijn aanwezigheid de sfeer in haar onderneming verziekt. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat deze verwijten niet terecht zijn. Nu Van Kuijk deze onterechte verwijten niettemin in scherpe bewoordingen aan [werknemer] heeft tegengeworpen en in vier achtereenvolgende brieven op grond daarvan heeft aangestuurd op beëindiging van het dienstverband, is het met name aan Van Kuijk te wijten dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt. De door Van Kuijk gestelde voorwaarde aan voortzetting van het dienstverband – te weten dat [werknemer] zijn gedrag verbetert en zijn excuses aanbiedt aan zijn collega’s – is onterecht en heeft geen bijdrage geleverd aan het herstel van de arbeidsverhouding. De grond voor de ontbinding is dan ook in overwegende mate te wijten aan Van Kuijk.

27. Daar staat tegenover dat de kantonrechter in de stukken wel voldoende aanwijzingen ziet dat er sprake was van enige problemen in het ‘sociale’ functioneren van [werknemer], zij het niet van de aard en ernst als door Van Kuijk gesteld. Zo heeft [werknemer] kennelijk lange tijd een zwijgzame houding tegenover zijn collega [x] aangenomen, is blijkens eerdergenoemd verslag van het overleg van 17 april 2013 uitgebreid gesproken over het feit dat [werknemer] zich kan irriteren aan anderen en dat hij meer rust wil in de werkplaats en minder gepraat, en heeft [werknemer] ondanks adviezen hierover kennelijk geen hulp gezocht om iets aan dit probleem te doen. Verder heeft [werknemer] zich na het einde van zijn zorgverlof op 23 augustus 2013 niet willen ziek melden, terwijl hij zich nog wel ongeschikt achtte om te werken en Van Kuijk juist daarom aandrong op ziekmelding. Daarmee heeft [werknemer] het voor Van Kuijk ook moeilijk gemaakt om de situatie van [werknemer] te (laten) beoordelen en is ook de mogelijkheid van hulpverlening via bijvoorbeeld arbodienst of bedrijfsarts afgesloten.

28. Alles afwegend, acht de kantonrechter toekenning van een vergoeding met toepassing van correctiefactor C=1.5 gerechtvaardigd. Daarbij speelt naast hetgeen hiervoor is overwogen ook een rol dat [werknemer] door zijn leeftijd en eenzijdige arbeidsverleden een moeilijke arbeidsmarktpositie heeft.

29. De kantonrechter zal bij de vaststelling van de vergoeding uitgaan van een loonaanspraak van € 2.677,90 bruto per maand, inclusief vakantietoeslag. Met de door [werknemer] op de zitting genoemde bonus wordt geen rekening gehouden, omdat niet is gebleken dat het gaat om een structurele en vaste looncomponent. Bovengenoemde uitgangspunten leveren een vergoeding op van € 60.253,00 bruto (aantal gewogen dienstjaren 15 x salaris € 2.677,90 bruto x correctiefactor C=1.5).

30. Het verweer van Van Kuijk dat zij niet beschikt over de financiële middelen om genoemde vergoeding te betalen, wordt verworpen. Van Kuijk heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt van de financiële positie van haar onderneming en/of een eventuele holding, zodat niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een zodanig slechte financiële positie dat Van Kuijk de vergoeding niet zou kunnen betalen.

31. Partijen worden van de voorgenomen beslissing in kennis gesteld en [werknemer] is bevoegd het verzoek binnen de hierna te noemen termijn in te trekken. Gelet op de uitkomst van de procedure zal worden bepaald dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten dragen. Indien [werknemer] zijn verzoek intrekt, zal hij de proceskosten van Van Kuijk moeten betalen, te weten € 400,00 voor salaris van de gemachtigde van Van Kuijk.

De beslissing

De kantonrechter:

Bepaalt dat de termijn waarbinnen [werknemer] zijn verzoek zal kunnen intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de rechtbank), zal lopen tot en met 25 april 2014.

Voor het geval [werknemer] zijn verzoek niet binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 mei 2014.

Kent aan [werknemer] ten laste van Van Kuijk een vergoeding toe van € 60.253,00 bruto.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Voor het geval [werknemer] zijn verzoek binnen die termijn zal hebben ingetrokken:

Veroordeelt [werknemer] in de proceskosten, die aan de zijde van Van Kuijk worden vastgesteld op € 400,00.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 16 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter