Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10669

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
12-11-2014
Datum publicatie
18-11-2014
Zaaknummer
C/14/148672/HA ZA 13-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Windturbine zonder bouwvergunning en in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan geplaatst. Legalisatie valt niet met voldoende mate van zekerheid te verwachten. Onrechtmatig. Bevel tot verwijdering van de windturbine.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

Locatie Alkmaar

zaaknummer / rolnummer: C/14/148672 / HA ZA 13-270

Vonnis van 12 november 2014

in de zaak van

toev.: nr.: 4KE5255

1. de vereniging [eiseres sub 1],

gevestigd te[plaats 1],

2. [voornaam eiseres sub 2] [eiseres sub 2],

wonende te [plaats], gemeente[plaats 1],

eiseressen bij dagvaarding van 5 september 2013,

advocaat mr. R. Vos te Haarlem,

tegen

1. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 1] B.V.,

gevestigd te [plaats],

2. [voornamen gedaagde sub 2] [gedaagde sub 2],

wonende te [plaats], gemeente[plaats 1],

3. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd te [plaats],

4. de besloten vennootschap

[gedaagde sub 4] B.V.,

gevestigd te [plaats],

gedaagden,

advocaat mr. G. Creutzberg te Den Helder.

Eiseressen zullen hierna (ook) “[afkorting eiseres sub 1]” en “[eiseres sub 2]” worden genoemd. Gedaagden zullen (ook) worden aangeduid als “[gedaagde sub 1]”, “[gedaagde sub 2]”, “[gedaagde sub 3]” en “[gedaagde sub 4]”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties E.1 tot en met E.23;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 16;

  • -

    het tussenvonnis van 11 december 2013;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 28 april 2014, de op deze zitting genomen akten, houdende overlegging van producties E.24 tot en met E.31 en E.32 aan de zijde van eiseressen en producties 17 tot en met 22 en 23 aan de zijde van gedaagden, en de door de advocaten overgelegde pleitnotities;

  • -

    de akte na comparitie van gedaagden van 28 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op het perceel [adres 1] te [plaats] staat sinds 1995 een windturbine. [gedaagde sub 2] heeft op 16 januari 2004 een aanvraag bouwvergunning ingediend voor het op dezelfde locatie oprichten van een andere, grotere windturbine van het type Enercon
E-66.

2.2.

Op 2 augustus 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van[plaats 1] (thans: [plaats 2], hierna te noemen: het college), na afgifte van een verklaring van geen bezwaar door gedeputeerde staten van Noord-Holland, de gevraagde bouwvergunning en vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) verleend. Deze vergunning is onherroepelijk.

2.3.

In 2006 heeft [gedaagde sub 2] in afwijking van de aan hem verleende bouwvergunning een windturbine geplaatst. De afwijkingen houden in dat de windturbine van een ander type is, de Enercon E-70, met een andere as- en tiphoogte. Daarnaast is de windturbine niet gesitueerd binnen het bebouwingsvak, maar een aantal meters naar achteren geplaatst.

2.4.

De windturbine staat op gronden waarop ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Buitengebied 1989, tweede herziening” de bestemming “Agrarische productiegebieden IIb” rust. Binnen deze bestemming is geen windturbine toegestaan.

2.5.

[eiseres sub 2] is woonachtig in de directe nabijheid van de windturbine, op ongeveer 345 meter afstand.

2.6.

Op 1 mei 2006 heeft [gedaagde sub 2] een aanvraag ingediend ter legalisatie van het bouwen in afwijking van de bouwvergunning. In de aanvraag is vermeld dat deze wordt ingediend om de vergunde windturbine 20 meter te verschuiven en te plaatsen op de aangevraagde uitbreiding van het bouwblok.

2.7.

Op 9 mei 2006 heeft het college in afwachting van de opheffing van de strijdige situatie een gedoogbeschikking afgegeven.

2.8.

Vervolgens is een milieuvergunning aangevraagd en afgegeven. Nadat deze vergunning eind oktober 2008 onherroepelijk was geworden, heeft het college de afhandeling van de planologische besluitvorming weer ter hand genomen.

2.9.

Bij brief van 5 januari 2011 heeft het college aan gedeputeerde staten van Noord-Holland verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar als bedoeld in artikel 19 WRO ten behoeve van de aanvraag om bouwvergunning.

2.10.

Bij besluit van 4 oktober 2011 hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland de verklaring van geen bezwaar geweigerd. Het hiertegen door het college en [gedaagde sub 2] gemaakte bezwaar hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland bij besluit van 27 maart 2012 ongegrond verklaard.

2.11.

Tegen dit besluit hebben het college en [gedaagde sub 2] afzonderlijk beroep ingesteld, welke beroepen door deze rechtbank bij uitspraak van 3 december 2013, zaaknummers: ALK 13/378 en 13/379, ongegrond zijn verklaard. Tegen deze uitspraak is door het college en [gedaagde sub 2] hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling). De Afdeling heeft nog niet op de hoger beroepen beslist.

2.12.

Bij brief van 25 oktober 2011 hebben eiseressen het college verzocht om handhavend op te treden tegen de windturbine.

2.13.

Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college dit verzoek afgewezen. Het hiertegen door eiseressen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 18 april 2012 afgewezen.

2.14.

Tegen dit besluit hebben eiseressen beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij uitspraak van 3 december 2013, zaaknummer: ALK 12/1329, het beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 april 2012 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak is door het college en [gedaagde sub 2] hoger beroep bij de Afdeling ingesteld, waarop nog moet worden beslist.

2.15.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank, opnieuw beslist op de bezwaren van eiseressen. Het college heeft besloten niet tot handhaving over te gaan. Dit besluit is ter beoordeling aan de Afdeling toegezonden.

2.16.

Naast de bestuursrechtelijke stappen hebben eiseressen bij brieven van 25 juni 2012 respectievelijk 28 juni 2013 [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 1], de huidige eigenaar van de windturbine, op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk gesteld en gesommeerd de windturbine te verwijderen. Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven.

3 Het geschil

3.1.

Eiseressen vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

a. gedaagden zal bevelen en/of gebieden tot verwijdering van de windturbine op het perceel met het adres [adres 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente[plaats 1], nummer E1129, en/of deze verwijderd te houden, binnen één maand na betekening van het vonnis, kracht bijgezet door een dwangsom van € 15.000,00 per maand met een maximum van € 375.000,00;

b. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zal verbieden evengenoemd perceel aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] en/of een derde (vennootschap) over te dragen op straffe van de onmiddellijke verbeuring van een dwangsom ter grootte van laatstgenoemd bedrag;

c. gedaagden zal veroordelen tot betaling aan [afkorting eiseres sub 1] van een bedrag van € 196,50, alsmede tot betaling van de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2.

Gedaagden voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Niet-ontvankelijkheid

4.1.

Gedaagden stellen dat eiseressen in hun vorderingen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Hiertoe stellen gedaagden dat [afkorting eiseres sub 1] gelet op het bepaalde in artikel 3:305a lid 1 BW geen rechtsvordering kan instellen, omdat de doelstelling van [afkorting eiseres sub 1] blijkens haar statuten beperkt is tot behartiging van algemene belangen en niet strekt tot bescherming van belangen van personen. Daarnaast stellen gedaagden dat eiseressen hun vorderingen niet bij de burgerlijke rechter kunnen instellen, nu zij tegelijkertijd gebruik maken van bestuursrechtelijke rechtsgangen. Naar de mening van gedaagden doet een behoorlijke taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter het in het algemeen ongewenst zijn dat tegelijkertijd voor beide rechters procedures over legaliteit van bouwwerken worden gevoerd, met het risico van een verschillende uitkomst.

4.2.

De rechtbank kan gedaagden niet volgen in hun verweer en overweegt hiertoe het volgende.

[afkorting eiseres sub 1] heeft haar ontvankelijkheid gebaseerd op de stelling dat zij opkomt voor haar eigen belang in die zin dat zij zelf rechtstreeks in haar eigen statutair belang - bevordering van natuurbehoud, verantwoord milieubeheer, verantwoorde ruimtelijke ordening, landschapsbescherming en het bewaken van de menselijke belevingswaarde met betrekking tot de leefomgeving - wordt getroffen door de onrechtmatige handelswijze van gedaagden, namelijk het in strijd handelen met de Woningwet en de WRO.

De bevoegdheid van een belangenorganisatie om in rechte op te treden tegen onrechtmatige gedragingen van derden die in strijd komen met haar doelstelling, kan onder omstandigheden gegrond worden op de onrechtmatigheid van deze gedraging tegenover de organisatie zelf. Gelet op de doelstelling van [afkorting eiseres sub 1], zoals neergelegd in haar statuten, moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat [afkorting eiseres sub 1] een eigen belang behartigt in deze procedure en dat zij in zoverre in haar vorderingen ontvankelijk is.

Voorts overweegt de rechtbank dat de burgerlijke rechter die in beginsel bevoegd is kennis te nemen van een hem voorgelegde, op onrechtmatige daad gebaseerde vordering - zoals hier aan de orde - zich behoort te onthouden van niet-ontvankelijkverklaring van de eisende partij op de grond dat deze ook de mogelijkheid ten dienste staat om langs bestuursrechtelijke weg aan de gewraakte gedragingen van de gedaagde partij een einde te doen maken (Hoge Raad, 28 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4915). De vraag of een handelen op grond van publiekrechtelijke normen geoorloofd is, is een andere dan de vraag of een handelen civielrechtelijk als een onrechtmatige daad is aan te merken. Niet kan dus worden gezegd dat het (tevens) aanwenden van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen door eiseressen, teneinde te bewerkstelligen dat de windturbine wordt verwijderd, aan onderhavige civielrechtelijke vorderingen in de weg staat.

Artikel 6:162 BW

4.3.

Eiseressen leggen primair aan hun vordering tot verwijdering van de windturbine ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig jegens hen handelen als bedoeld in artikel 6:162 BW doordat zij zonder bouwvergunning en in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan een windturbine hebben opgericht en deze in bedrijf houden. Eiseressen stellen dat gedaagden handelen in strijd met een eigen rechtsplicht en dat het om een niet-legaliseerbare overtreding gaat. In verband hiermee wijzen zij erop dat gedeputeerde staten van Noord-Holland de voor vrijstelling van het bestemmingsplan vereiste verklaring van geen bezwaar hebben geweigerd, omdat plaatsing van de windturbine in strijd is met de Provinciale Verordening Structuurvisie. De rechtbank heeft dit in haar uitspraak van 3 december 2013, zaaknummers ALK 13/378 en 13/379, bevestigd. Verder stellen eiseressen dat door het in werking zijn van de windturbine schade wordt ondervonden in de vorm van beperking van uitzicht, geluid- en slagschaduwoverlast en waardevermindering van omliggende woningen, waaronder die van [eiseres sub 2].

4.4.

Gedaagden betwisten, kort samengevat, dat vaststaat dat zij onrechtmatig handelen. Weliswaar is voor de windturbine nog geen bouwvergunning verleend, maar deze is wel aangevraagd en het college is bereid deze te verlenen. In afwachting van de vergunningverlening heeft het college een gedoogbeschikking afgegeven. Gedaagden wijzen erop dat de geldende bouwvergunning van 2 augustus 2005, die met vrijstelling is verleend, voorziet in de plaatsing van een windturbine. De huidige windturbine heeft nagenoeg dezelfde afmetingen en de situering wijkt slechts 17 meter af van de locatie waarop in de plaatsing van de windturbine is voorzien. Er is geen sprake van een nieuwe windturbine maar van opschaling van een bestaande windturbine. Nu gedeputeerde staten reeds in 2005 hebben geoordeeld over de aanvaardbaarheid van de functie en de verzochte verklaring van geen bezwaar hebben afgegeven, kan voor de afwijkende situering met een vrijstelling ex artikel 19 lid 2 WRO worden volstaan. Volgens gedaagden heeft de rechtbank dit in haar uitspraak van 3 december 2013 miskend. De stelling van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] dat de huidige plaatsing niet kan worden gelegaliseerd is in de ogen van gedaagden onjuist, althans op zijn minst prematuur.

4.5.

De rechtbank overweegt naar aanleiding van het voorgaande als volgt.

4.5.1.

Vaststaat dat voor de windturbine op de huidige locatie geen bouwvergunning met vrijstelling van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is verleend.

Volgens vaste rechtspraak is het handelen zonder vergunning in beginsel onrechtmatig jegens degenen die aan het vergunningvereiste bescherming kunnen ontlenen. In het geval dat met voldoende zekerheid is te verwachten dat een vergunning zal worden verleend waarbij het betrokken handelen wordt toegestaan, kan ervan worden uitgegaan dat dit handelen in dit opzicht geoorloofd is. In dat geval is er geen grond het betrokken handelen onrechtmatig te oordelen enkel omdat de daarvoor vereiste vergunning ontbreekt (Hoge Raad, 2 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ5099).

4.5.2.

De rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 december 2013, zaaknummer ALK 12/1329, geoordeeld dat er geen concreet zicht op legalisatie bestaat. Hoewel tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld en het debat over de legaliseringsvraag derhalve nog niet definitief is beslecht, dient op grond van de hiervoor genoemde uitspraken wel te worden geconcludeerd dat niet met voldoende zekerheid is te verwachten dat een bouwvergunning zal worden verleend waarbij het betrokken handelen wordt toegestaan.

De stelling van gedaagden dat het college destijds ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 19 lid 1 WRO en dat de vrijstelling, zonder verklaring van geen bezwaar van gedeputeerde staten van Noord-Holland, op grond van artikel 19 lid 2 WRO kon worden verleend, maakt het voorgaande niet anders. De stelling behoort tot de gronden van het door het college op 13 januari 2014 ingestelde hoger beroep tegen de uitspraken van de rechtbank van 3 december 2013, op welk hoger beroep nog moet worden beslist. In het licht van de uitspraken van 3 december 2013 kan echter niet worden aangenomen dat met voldoende zekerheid de legalisatie van de windturbine is te verwachten. De rechtbank heeft in dit verband in aanmerking genomen dat in het op 3 december 2013 in de zaken ALK 13/378 en 13/379 uitgesproken vonnis is overwogen en geoordeeld, dat de afwijking – de nieuwe windturbine is gebouwd op een afstand van circa 20 meter (rb.: in onderhavige procedure wordt uitgegaan van 17 meter) van de op 2 augustus 2005 vergunde locatie op een nieuwe en zwaardere fundering – niet als gering valt aan te merken en dat daarmee de geplaatste turbine niet valt binnen de reikwijdte van de vergunning van 2 augustus 2005. De rechtbank vond steun voor dat oordeel in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 26 augustus 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ6071. Overigens was het college diezelfde mening toegedaan ten tijde van het geven van de gedoogbeschikking op 9 mei 2006. In die beschikking staat te lezen: “De nieuwe situatie vereist een vergroting van het bebouwingsvak en een nieuwe bouwvergunning. De wijziging ten opzichte van de verleende vergunning achten wij te groot om deze van ondergeschikte betekenis aan te merken.”

De rechtbank heeft in genoemd vonnis ook overwogen dat de beoogde functie, het plaatsen van een windturbine, op de locatie in kwestie nog niet aanwezig is, terwijl het bestemmingsplan ook niet in de beoogde functie voorziet, en dat het college terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO en op goede gronden aan het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland heeft verzocht om afgifte van een verklaring van geen bezwaar. Dat die verklaring niet is gegeven – naar de rechtbank oordeelde op goede gronden – is hiervoor reeds geconstateerd.

4.5.3.

Op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, Woningwet, zoals dat artikel ten tijde van de indiening van de bouwaanvraag luidde, mag voor het bouwen in strijd met het bestemmingsplan geen bouwvergunning worden verleend. Een bestemmingsplan wordt vastgesteld ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening in het plangebied. Het bestemmingsplan en het dwingende karakter van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, Woningwet strekken er mede toe rechtszekerheid te verschaffen aan de belanghebbenden in dat gebied en bij dat plan en beschermen mede tegen schade die wordt veroorzaakt door een onrechtmatige inbreuk daarop (o.a. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 24 december 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BG8294).

Op basis hiervan dient het er naar het oordeel van de rechtbank voor te worden gehouden dat eiseressen als belanghebbenden bij het bestemmingsplan “Buitengebied 1989, tweede herziening” aan het vergunningvereiste bescherming kunnen ontlenen.

4.5.4.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat handhaving van de windturbine onrechtmatig is jegens [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], die het in hun macht hebben de windturbine te (doen) verwijderen, handelen in strijd met een wettelijke plicht door de windturbine te laten staan, zonder dat een toereikende vergunning is verstrekt. Op grond van de inmiddels gedane uitspraken stelt de rechtbank vast dat legalisatie niet met voldoende mate van zekerheid valt te verwachten. Het moge zo zijn dat pas wanneer de bestuursrechter in hoogste instantie een oordeel heeft gegeven vanuit bestuursrechtelijk oogpunt gezegd kan worden of de plaatsing van de huidige windturbine wel of niet aanvaardbaar is en al of niet dient te worden vergund, maar dat doet niet af aan het onrechtmatig karakter van het handelen zonder vergunning. De vraag is immers niet of alsnog een legalisatie zal volgen, de vraag is of die legalisatie thans met voldoende mate van zekerheid valt te verwachten. Dat dat laatste het geval is, is door gedaagden niet, althans onvoldoende onderbouwd.

4.5.5.

Het gebruik van de windturbine is in strijd met de vigerende bestemmingsvoorschriften, welke voorschriften mede strekken tot bescherming van de belangen van [eiseres sub 2] en de door [afkorting eiseres sub 1] behartigde belangen. Dat die belangen in het geding zijn, blijkt overigens ook uit de hiervoor al gememoreerde uitspraak van de rechtbank van 3 december 2013 in de zaken ALK 13/378 en 13/379. Uit de in die uitspraak onder punt 15 opgenomen overweging blijkt dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland de mening is toegedaan dat de belangen van omwonenden die overlast ervaren van de windturbine dienen te prevaleren boven de financiële belangen van de eigenaar van de windturbine, dit “temeer nu de Verordening (rb: de Provinciale Verordening Structuurvisie) de plaatsing van solitaire windturbines op een locatie als deze niet toe staat”.

Schade/ belang

4.6.

Gedaagden hebben nog naar voren gebracht dat het lijden van schade een essentieel vereiste is voor de vraag of onrechtmatig wordt gehandeld. Indien er geen schade is als gevolg van het aan de orde zijnde handelen, is er geen sprake van onrechtmatig handelen, zo stellen zij. Voorts voeren gedaagden aan dat de bevoegdheid een verbod of gebod te vorderen afhankelijk is van de vraag of onrechtmatig wordt gehandeld en daarmee dus ook van de vraag of er sprake is van schade.

[afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] hebben gemotiveerd betwist dat zij geen nadeel zouden ondervinden van de windturbine.

4.7.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.7.1.

Zoals hiervoor al overwogen strekken de vigerende bestemmingsvoorschriften, in strijd waarmee de windturbine wordt gebruikt, mede tot bescherming van de belangen van [eiseres sub 2] en de door [afkorting eiseres sub 1] behartigde belangen. Daarmee is voldaan aan het relativiteitsvereiste en zijn de belangen van [eiseres sub 2] en [afkorting eiseres sub 1] ook gegeven. Een extra, afzonderlijk belang behoeft niet aanwezig te zijn. De eis dat er sprake moet zijn van schade kan evenmin worden gesteld. Gedaagden hebben nog naar voren gebracht dat wat betreft de belangen van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] een vergelijking moet worden gemaakt tussen de vergunde situatie en de thans bestaande situatie. Die stelling acht de rechtbank niet juist. Wat er ook zij van de mogelijkheid om gebruik te maken van de op 2 augustus 2005 verleende vergunning, dat neemt niet weg dat het huidige gebruik van de windturbine onrechtmatig is jegens [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] en dat zij kunnen verlangen dat aan de onrechtmatige situatie een eind wordt gemaakt.

4.7.2.

Gedaagden hebben nog naar voren gebracht dat het gevorderde gebod tot verwijdering van de windturbine buiten iedere proportie is en dat een verplaatsingsoperatie onevenredig veel kosten met zich meebrengt. De rechtbank gaat voorbij aan deze stelling, nu beoordeling daarvan tot een nadere belangenafweging zou leiden, waarvoor in onderhavige procedure geen ruimte is. [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] beogen met hun vordering immers een einde te maken aan een als onrechtmatig te kwalificeren schending van hun belangen.

Artikel 5:37 BW

4.8.

De ter comparitie door eiseressen mede aan hun vordering tot verwijdering van de windturbine ten grondslag gelegde stelling dat sprake is van onrechtmatige hinder kan, gelet op het voorgaande, onbesproken worden gelaten.

Slotsom

4.9.

De rechtbank acht de vordering, strekkende tot het geven van een bevel tot verwijdering van de windturbine, toewijsbaar voor zover gericht tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. De rechtbank zal aan dit bevel de door [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gevorderde dwangsom verbinden. Voor het geven van een bevel aan de overige twee gedaagden, bestaat geen grond. Niet gesteld of gebleken is dat zij enige zeggenschap hebben wat betreft de aanwezigheid en het gebruik van de windturbine.

Verbod van overdracht

4.10.

Eiseressen vorderen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] wordt verboden het perceel met het adres [adres 1] te [plaats], kadastraal bekend gemeente[plaats 1], nummer E1129, aan [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] en/of een derde (vennootschap) over te dragen.
Voor toewijzing van deze vordering bestaat naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtsgrond. De rechtbank zal dit deel van het gevorderde dan ook afwijzen.

Uitvoerbaarheid bij voorraad

4.11.

Gedaagden hebben bezwaar gemaakt tegen een uitvoerbaarverklaring bij voorraad van een eventueel veroordelend vonnis. Zij hebben daartoe aangevoerd dat een eventuele veroordeling een zeer hoog restitutierisico met zich meebrengt. De rechtbank is – het lange tijdsverloop sedert de bouw van de windturbine in kwestie in aanmerking genomen – van oordeel dat het belang van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad zwaarder dient te wegen dan het belang van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist. De rechtbank heeft in dit verband ook meegewogen dat namens [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] tijdens de comparitie is verklaard dat zij bereid zijn de uitvoering van een eventueel veroordelend vonnis op te schorten tot één maand na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. Het door gedaagden aangevoerde restitutierisico is onvoldoende geconcretiseerd om op grond daarvan aan de uitvoerbaarverklaring bij voorraad de voorwaarde te verbinden dat tot een bepaald bedrag zekerheid moet worden gesteld.

4.12.

Gedaagden [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. Dat geldt zowel voor de kosten van deze gedaagden zelf als voor de aan de zijde van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] gevallen kosten. De proceskosten aan de zijde van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] worden vastgesteld op:

- explootkosten dagvaarding € 76,71

([naam+plaats deurwaarder])

- informatiekosten (GBA en KVK) € 22,63

- griffierecht € 75,00

- salaris advocaat € 904,00

(2 punten à tarief € 452,00)

- totaal: € 1.078,34.

Gelet op de aan [afkorting eiseres sub 1] verleende toevoeging gaat de rechtbank ervan uit dat de (kale) explootkosten voor 75% in debet zijn gesteld. Het in debet gestelde deel (75% van € 76.71 = € 57,53) dient aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland te worden voldaan. Het resterende deel (€ 19,18) dient aan [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] te worden betaald. Dat geldt ook voor de door de deurwaarder gemaakte informatiekosten ten bedrage van € 22,63. Ter zake van de proceskosten dienen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] derhalve in totaal een bedrag van € 1.020,81 aan [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] te voldoen.

De nakosten en de over de proceskosten gevorderde wettelijke rente acht de rechtbank toewijsbaar op de wijze als hierna in het dictum vermeld.

Het feit dat de vorderingen van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2], voor zover gericht tegen [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] (resp. gedaagde sub 3 en 4) worden afgewezen, brengt mee dat [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] de helft van de aan de zijde van de gedaagden gezamenlijk gevallen proceskosten dienen te dragen. De rechtbank begroot deze kosten op een bedrag van in totaal € 859,50, bestaande uit € 294,50 voor het griffierecht (de helft van het griffierecht van € 589,00) en op € 565,00 (de helft van € 1.1310,00, zijnde 2,5 punten à tarief € 452,00) voor het salaris van de advocaat.

Tenslotte wijst de rechtbank er nog op dat, voor zover naast [gedaagde sub 1] ook andere gedaagden griffierecht hebben betaald – dat dit mogelijk is gebeurd, leidt de rechtbank af uit de roladministratie – dit ten onrechte is gebeurd en in zoverre restitutie zal moeten plaatsvinden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

Beveelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over te gaan tot verwijdering van de op het perceel met het adres [adres 1] te [plaats] (kadastrale aanduiding: gemeente[plaats 1] E 1129) geplaatste windturbine binnen één maand na betekening van dit vonnis;

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van een dwangsom aan [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] van € 15.000,00 voor iedere maand dat niet aan het hiervoor onder 5.1. opgenomen bevel is voldaan, zulks totdat een maximum van € 375.000,00 is bereikt;

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] begroot op € 1.078,34, waarvan te betalen aan:

- de griffier een bedrag van € 57,53 ter zake in debet gestelde explootkosten na ontvangst van een nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;

- aan [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] een bedrag van € 1.020,81, vermeerderd met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf veertien dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van voldoening;

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tevens in de nakosten, aan de zijde van [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] begroot op een bedrag van € 131,00 voor nasalaris advocaat, te vermeerderen, voor het geval betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden en nodig is geweest, met € 68,00 voor nasalaris advocaat, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente in de zin van artikel 6:119 BW vanaf de 15e dag na betekening van dit vonnis;

5.5.

veroordeelt [afkorting eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] in de proceskosten, gevallen aan de zijde van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] en begroot op € 859,50;

5.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Jongkind-Jonker en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2014.