Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10668

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-10-2014
Datum publicatie
05-01-2015
Zaaknummer
2278235
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Is een werkgever gerechtigd om qua functiewaarderingsystematiek een onderscheid te maken tussen verschillende groepen werknemers? Uitleg van een Sociaal Plan, dat als cao moet worden beschouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/10
AR-Updates.nl 2015-0012
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/rolnr.: 2278235 \ CV EXPL 13-3343 WD

Uitspraakdatum: 22 oktober 2014

Vonnis in de zaak van:

[de werknemers]

,

eisende partijen

verder ook te noemen: “de werknemers”

gemachtigde: mr. M.S.J. Steenhuis advocaat te Haarlem

tegen

de naamloze vennootschap

N.V. HVC

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Alkmaar

gedaagde partij

verder ook te noemen: HVC

gemachtigde mr. G.R.M. van den Assum, advocaat te Leusden

1 Het procesverloop

“De werknemers” hebben een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 4 juli 2013.

Bij vonnis van 24 juli 2013 heeft de sectie Handel & Insolventie van de afdeling privaatrecht van de rechtbank de zaak verwezen naar de sectie kanton, locatie Alkmaar van de rechtbank.

HVC heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Na beraad heeft de kantonrechter een comparitie gelast, die is gehouden op 8 januari 2014, in aanwezigheid van de heer [A] en de heer [B] voor “de werknemers”, vergezeld van mr. Steenhuis voornoemd en mevrouw [C], mevrouw [D] en de heer [E] voor HVC, vergezeld van mr. Van den Assum voornoemd.

Van deze comparitie heeft de griffier aantekeningen gehouden.

Voorafgaande aan de comparitie heeft HVC nog producties ingebracht.

“De werknemers” hebben ter comparitie het woord doen voeren aan de hand van een pleitnota, die is overgelegd.

“De werknemers” hebben vervolgens gediend van een conclusie van repliek, waarna HVC heeft gediend van een conclusie van dupliek,

“De werknemers” hebben bij akte gereageerd op de bij dupliek overgelegde producties.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden uitspraak bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

HVC is een energie- en afvalnutsbedrijf waarbinnen door verschillende gemeentes en waterschappen wordt geparticipeerd.

2.2.

Eind 2003 heeft HVC het Centraal Afvalverwijderingsbedrijf West-Friesland (CAW) overgenomen, waaronder de bij CAW in dienst zijnde werknemers.

2.3.

Het voltijdsdienstverband voor medewerkers van HVC betreft in beginsel 40 uur per week, bij CAW was dat 36 uur per week.

2.4. “

De werknemers” behoren tot de door HVC van CAW overgenomen werknemers.

2.5.

Ten behoeve van de voormalige werknemers van CAW is op 14 oktober 2003 een sociaal plan gesloten tussen HVC, CAW en de vakbonden ABVA/KABO FNV en CNV Publieke Zaak.

2.6.

Op 2 augustus 2007 is het sociaal plan aangemeld als collectieve arbeidsovereenkomst als bedoeld in de wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.

2.7.

Het sociaal plan bevat de volgende bepalingen:

Artikel 3.1.:

De werkgever (bedoeld wordt: HVC; toevoeging kantonrechter) garandeert toepassing van de afspraken in dit Sociaal plan voor de duur van het dienstverband van de medewerker met de werkgever. Deze garantie geldt ook voor de (eventuele) rechtsopvolgers van de werkgever.”

Artikel 7:

“Voor de medewerkers die bij de werkgever worden aangesteld bedraagt de formele arbeidsduur op jaarbasis gemiddeld 40 uur per week, onder gelijktijdige toekenning van 4 compensatie-uren per week. De compensatie-uren worden door de werkgever op een vaste wijze ingeroosterd. Indien het bedrijfsbelang dit vereist kan de werkgever in overleg met de

ondernemingsraad de compensatie in tijd vervangen door een salarisgarantie. Wanneer hier sprake van is, wordt de waarde van de compensatie-uren berekend op basis van het 1/156 gedeelte van het — zo nodig naar een volledige betrekking herberekende — salaris van de

medewerker per maand. Het geldende salarisperspectief op het moment van wijziging is bepalend voor de genoemde berekeningswijze.”

2.8.

Met ingang van 1 april 2009 heeft HVC binnen haar organisatie een nieuw functiewaardering- en beloningssysteem ingevoerd, het Baarda-systeem. Dit systeem kent een loonschaal van 40 uur per week.

2.9.

HVC heeft het Baarda-systeem niet automatisch toegepast op de van CAW overgenomen werknemers, maar inschaling in dit systeem afhankelijk gesteld van het doen van afstand van hun rechten die hen toekomen volgens het sociaal plan, waaronder de in artikel 7 bedoelde compensatie-uren.

3 Het geschil

3.1. “

De werknemers” vorderen, na eiswijziging, dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. voor recht verklaart dat HVC verplicht is de voormalige CAW-werknemers die

vallen onder de werking van het op 14 oktober 2003 gesloten sociaal plan gelijk te behandelen als de werknemers zoals die sinds 1 januari 2009 zijn ingeschaald volgens het belonings- en functiewaarderingssysteem Baarda;

b. HVC veroordeelt om desgevraagd aan de voormalige CAW-werknemers, die

vallen onder de werking van het sociaal plan van 14 oktober 2003, met terugwerkende kracht met ingang van 1 januari 2009 een salaris te betalen gelijk aan het salaris zoals de andere werknemers dat ontvangen op grond van het belonings- en functiewaarderingssysteem Baarda die niet onder de werking van het sociaal plan van 14 oktober 2003 vallen;

c. verklaart voor recht dat de voormalige CAW-werknemers die vallen onder de werking van het sociaal plan van 14 oktober 2003 recht hebben op de overeengekomen vier compensatie-uren bij een 40-urige werkweek, althans een compensatie naar rato bij een werkweek van minder dan 40 uur;

d. HVC veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2. “

De werknemers” voeren daartoe het volgende aan.

Het sociaal plan moet worden beschouwd als een ondernemings-cao. HVC is als deelnemende partij gebonden is aan deze cao evenals (een deel van) “de werknemers”, die lid zijn van een bij het sociaal plan aangesloten vakorganisatie. Op grond van artikel 14 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst is HVC ook jegens eventuele ongebonden werknemers gehouden het sociaal plan na te komen.

De door HVC gestelde eis van het doen van afstand van de uit het sociaal plan voortvloeiende rechten is in strijd met dwingende Cao-bepalingen.

“De werknemers” kunnen geen afstand doen van de uit het sociaal plan voortvloeiende rechten, omdat elk beding opgemaakt tussen HVC en “de werknemers” (zowel individueel als gezamenlijk optredende) dat in strijd is met het sociaal plan nietig is op grond van artikel 12.1 van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst.

Omdat “de werknemers” in hun met HVC gesloten arbeidsovereenkomsten geen eenzijdig wijzigingsbeding zijn overeengekomen, kan HVC onder de gegeven omstandigheden “de werknemers” niet dwingen afstand te doen van de compensatie-uren. “De werknemers” kunnen om voorgaande redenen niet gedwongen worden om afstand te doen van het sociaal plan, maar zij hebben wel recht om ingeschaald te worden conform het Baarda-systeem met behoud van de vier compensatie-uren. Toepassing van het Baarda- functiewaarderingssysteem is voor “de werknemers” in financieel opzicht gunstiger dan het beloningssysteem dat HVC voorheen hanteerde.

Dit alles aldus “de werknemers”.

3.3.

HVC voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De centrale vraag in dit geding is of HVC kan worden verplicht om “de werknemers” gelijk te behandelen als de werknemers die sinds 1 januari 2009 zijn ingeschaald volgens het Baarda functiewaarderingssysteem.

4.2.

De kantonrechter acht van belang om vast te stellen dat geen van “de werknemers” wordt gedwongen om afstand te doen van de uit het sociaal plan voortvloeiende aanspraken. Het staat, zo is gebleken, de betreffende werknemers vrij om de compensatie uren te behouden, zij het dat zij dan door HVC niet worden opgenomen in het Baarda-functiewaarderingssysteem. In zoverre kan van een schending van het sociaal plan door HVC niet worden gesproken.

Het mag zo zijn dat verschillende werknemers om hen moverende redenen afstand hebben gedaan van hun compensatie-uren om in het functiewaarderingssysteem Baarda te worden opgenomen, maar dit valt buiten het bestek van deze procedure, gelet op de inhoud van de door “de werknemers” ingestelde vorderingen. Onderhavige kwestie betreft dan ook niet zozeer de naleving van de cao-bepalingen in het sociaal plan, maar de vraag of HVC als werkgever gerechtigd is qua functiewaardering(systematiek) een onderscheid te maken tussen verschillende (historisch verklaarbare) groepen werknemers.

4.3.

HVC rechtvaardigt het door haar toegepaste onderscheid door te stellen dat de onder het sociaal plan vallende werknemers niet één op één inpasbaar zijn in het Baarda-systeem. Het is niet billijk deze werknemers op basis van 40 uur per week in te schalen, omdat ze feitelijk maar 36 uur werken. Inschaling op basis van 36 uur is niet mogelijk, omdat ze een 40-urig arbeidscontract hebben, aldus HVC.

4.4.

Wat hier verder ook van zij, dit leidt wel tot verschillen in de toegepaste beloningssystematieken binnen de onderneming van HVC. Aan te nemen valt dat daarmee ook tussen de verschillende groepen werknemers (wel/ niet deelname aan Baarda) sprake is van verschillen in arbeidsvoorwaarden. Dit is op zichzelf ook niet weersproken, zij het dat “de werknemers” zich in vergelijking met de andere werknemers van HVC achtergesteld voelen, hetgeen volgens HVC in twijfel wordt getrokken. Met betrekking tot de persoonlijke beleving van “de werknemers” wordt opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat “de werknemers” er op zijn achteruitgegaan, maar dat zij ervaren dat zij in tegenstelling tot andere werknemers van HVC er niet op zijn vooruitgegaan qua arbeidsvoorwaarden(perspectief). Volgens HVC geldt dit hoogstens slechts voor een gedeelte van “de werknemers”.

4.5.

De vraag is in hoeverre het aldus ontstane verschil in arbeidsvoorwaarden tussen verschillende groepen werknemers onder de huidige omstandigheden aanvaardbaar is. Hierbij moet in ogenschouw genomen worden hetgeen HVC heeft aangevoerd onder 4.3.

De door HVC omschreven moeilijkheden bij de toepassing van het Baarda-functiewaarderingssysteem op “de werknemers” steunt met name op haar stelling dat de urencompensatie in het sociaal plan geen loonwaarde heeft, in die zin dat “de werknemers” formeel in dienst zijn voor 40 uur per week doch slechts feitelijk 36 uur per week werken en uitbetaald krijgen.

Dit alles wordt door “de werknemers” betwist.

4.6.

Het verschil van mening over het al dan niet toekennen van loonwaarde aan de compensatie uren moet worden opgelost door middel van uitleg van de betreffende bepalingen in het sociaal plan. Bij de uitleg van bepalingen van onderhavig sociaal plan, welk plan is afgesloten door, voor zover van belang, HVC en de vakbonden, waarmee wordt beoogd de rechtspositie van derden, te weten “de werknemers”, te bepalen, is beslissend de betekenis die “de werknemers” redelijkerwijs hebben mogen toekennen aan de in het geding zijnde bepalingen van het sociaal plan. Hierbij mag gewicht worden toegekend aan de taalkundige betekenis van de bewoordingen in de bepalingen, gelezen in de context van het sociaal plan tot welke context mede behoren andere relevante (wettelijke) regelingen die van belang zijn voor de rechtspositie van werknemers als “de werknemers”.

4.7.

Het voorgaande in ogenschouw nemende, moet de door HVC aangehangen uitleg als de juiste worden aanvaard. Hiertoe wordt als volgt overwogen.

Een eerste aanwijzing ten voordele van het standpunt van HVC valt te halen uit de tekst van artikel 7 van het sociaal plan. Immers, daaruit kan worden afgeleid dat pas geldelijke waarde aan de uren wordt toegekend indien HVC in overleg met de ondernemingsraad gelet op het bedrijfsbelang besluit dat de compensatie-uren wel moeten worden gewerkt in ruil waarvoor “de werknemers” aanspraak verkrijgen op salaris over die uren; (het inleveren van vrije tijd in ruil voor extra salaris).

Voorts wordt gewezen op de inhoud van artikel 19.6 van het sociaal plan waaruit blijkt dat de compensatie-uren buiten beschouwing moeten worden gelaten bij de berekening van verlofrechten.

Daarnaast hebben “de werknemers” niet betwist dat de compensatie-uren ten behoeve van hen zijn bedongen om in het kader van de opbouw van pensioenrechten een fulltime dienstverband te behouden, voor welk doel het toekennen van loonwaarde aan de compensatie-uren geen noodzakelijk vereiste is.

4.8.

Derhalve kan als vaststaand worden aangenomen dat de in artikel 7 bedoelde compensatie-uren uren zonder loonwaarde zijn. Dat zo zijnde, hebben “de werknemers” niet betwist de moeilijkheden die HVC stelt te hebben bij opname van de onder het sociaal plan vallende werknemers in het Baarda functiewaarderingssysteem, (weergegeven onder 4.3.).

Deze problemen dienen in ogenschouw te worden genomen bij de beantwoording van de vraag in hoeverre het HVC onder de huidige omstandigheden is toegestaan verschil te maken in arbeidsvoorwaarden tussen verschillende groepen werknemers.

Hierover wordt als volgt overwogen.

4.9.

De toelaatbaarheid van het onderscheid in onderhavig geval dient te worden beoordeeld aan de hand van de eisen van goed werkgeverschap als bedoeld in artikel 7:611 BW. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen het beginsel dat gelijke arbeid in gelijke omstandigheden op gelijke wijze wordt beloond, aan welk beginsel zwaar gewicht moet worden toegekend, maar moet evenzeer rekening worden gehouden met andere omstandigheden van het geval.

Tot deze andere omstandigheden wordt gerekend de moeilijkheden die HVC ondervindt bij inpassing van de onder het sociaal plan vallende werknemers in het Baarda-systeem. Vastgesteld wordt dat deze moeilijkheden het gevolg zijn van een ten behoeve van de (pensioen)belangen van “de werknemers” bedongen regeling. Voorts leidt ongeclausuleerde opname van de onder het sociaal plan vallende werknemers in het Baarda-functiewaarderingssysteem ook tot ongelijke behandeling, doordat dit systeem een 40-urige loonschaal kent, terwijl de betreffende werknemers feitelijk slechts 36 uur werken.

Tot slot wordt opgemerkt dat “de werknemers” niet cijfermatig inzichtelijk hebben gemaakt hoeveel het verschil in salaris(perspectief) met de onder het Baarda functiewaarderingssysteem vallende werknemers bedraagt.

4.10.

Het voorgaande onderling afwegende is de kantonrechter van oordeel dat het HVC niet kan worden verplicht om “de werknemers” gelijk te behandelen als de werknemers die sinds 1 januari 2009 zijn ingeschaald volgens het Baarda functiewaarderingssysteem. Hiermee is de grondslag komen te ontvallen aan de door “de werknemers” ingestelde vorderingen. De vorderingen liggen voor afwijzing gereed.

4.11. “

De werknemers” zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding van HVC worden veroordeeld.

5 De beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt “de werknemers” in de proceskosten, die tot heden voor HVC worden vastgesteld op een bedrag van € 750,00 voor salaris van de gemachtigde van HVC, waarover “de werknemers” geen btw verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.G. Vroom, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 22 oktober 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter