Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10528

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
2745611 OA VERZ 14-4
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Voorwaardelijk ontbindingsverzoek werkgever na ontslag op staande voet toegewezen, op grond van een dringende reden. Onvoorwaardelijk tegenverzoek van de werknemer is afgewezen, o.m. omdat naar het oordeel van de kantonrechter na een eerder ontslag op staande voet alleen plaats is voor onvoorwaardelijke ontbinding indien evident is dat het ontslag op staande voet geen stand kan houden, en daarvan geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0958
AR 2014/838

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 2745611 OA VERZ 14-4

Uitspraakdatum: 8 april 2014

Beschikking in de zaak van

de besloten vennootschap Havik Auto B.V., gevestigd te Wormerveer

verzoekende partij

verder ook te noemen: Havik

gemachtigde: mr. M.C. Zaal, advocaat te Amsterdam

tegen

[naam verweerder], wonende te [woonplaats],

verwerende partij,

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. P.J.M. Ros, advocaat te Schagen.

Het procesverloop

in het verzoek en het tegenverzoek

1. Havik heeft op 3 februari 2014 een (voorwaardelijk) verzoek gedaan om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. [werknemer] heeft een verweerschrift ingediend en daarbij ook een zelfstandig tegenverzoek gedaan, om ontbinding van de arbeidsovereenkomst en om een verklaring voor recht te geven dat het ontslag op staande voet nietig is.

2. De zaak is behandeld op de zitting van 25 maart 2014, gezamenlijk met een kort geding tussen partijen (onder nummer 2864353 KG EXPL 14-29). Voor Havik zijn verschenen [A], directeur, [B], Partsmanager/After Sales Manager, en [C], Hoofd Personeelszaken, bijgestaan door mr. Zaal. [werknemer] is in persoon verschenen, vergezeld door zijn echtgenote en bijgestaan door mr. Ros. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht aan de hand van pleitnotities. Met het oog op de zitting hebben partijen bij brieven van 24 maart 2014 nog stukken toegezonden.

3. Na afloop van de zitting is bepaald dat vandaag uitspraak wordt gedaan.

De feiten

in het verzoek en het tegenverzoek

4. Havik handelt, verhuurt en repareert auto’s van de merken Opel en Chevrolet. Havik heeft drie bedrijfsvestigingen, in [plaats], [Plaats] en [plaats x].

5. [werknemer], geboren [datum], is op 16 december 1991 bij (de rechtsvoorganger van) Havik in dienst getreden. [werknemer] werkte voor het laatst in de functie van Partsmanager/ Chef Magazijn in de bedrijfsvestiging in [plaats], met een salaris van € 3.449,13 bruto per maand.

6. [werknemer] is op 14 januari 2014 op staande voet ontslagen. In een brief van 14 januari 2014 heeft Havik het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd. Daarbij is door Havik aan [werknemer] meegedeeld dat de dringende reden voor het ontslag op staande voet was gelegen in het feit dat [werknemer] zonder toestemming aan Havik toebehorende goederen mee naar huis had genomen, te weten een gasfles, ruitenwisserbladen, ruitenwisservloeistof en een accu. Daarbij is door Havik mede als dringende reden genoemd dat [werknemer], daarnaar gevraagd, niet direct de waarheid heeft verteld, dat de handelingen structureel van aard zijn en dat het vertrouwen in [werknemer] ernstig en onherstelbaar is verstoord.

7. In een e-mail van 15 januari 2014, gericht aan Havik, heeft [werknemer] verzocht om van het ontslag op staande voet af te zien. [werknemer] heeft erop gewezen dat sprake is van een al langer lopend conflict over een eenmalige uitkering, het innemen van een auto van de zaak en de verstrekking van een brandstofpas. In die e-mail stelt [werknemer] verder dat hij in oktober 2013 door Havik is geïnformeerd dat hij in plaats van een brandstofpas bonnen voor brandstof zou krijgen, en dat er daarna bij hem “iets geknapt” is, waarna hij in reactie daarop een “paar dingen” voor zichzelf heeft besteld en deze heeft meegenomen “als vergoeding voor mijn brandstofpas”.

Het geschil

in het verzoek

8. Havik verzoekt de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden wegens gewichtige redenen, primair bestaande uit een dringende reden en subsidiair uit veranderingen in de omstandigheden. Aan dit verzoek legt Havik ten grondslag – kort samengevat – dat sprake is van diefstal van goederen door [werknemer], dat zij dit als werkgever niet kan accepteren en dat dit een dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst oplevert. Volgens Havik ligt de grond voor de ontbinding geheel in de risicosfeer van [werknemer], zodat er geen aanleiding is voor toekenning van een vergoeding aan [werknemer].

9. [werknemer] verweert zich met de stelling – zakelijk weergegeven – dat zich geen dringende reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst voordoet. [werknemer] erkent dat hij enkele goederen van Havik heeft meegenomen, maar voert aan dat hij dit niet als diefstal heeft ervaren en dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat Havik zich ook niet als goed werkgever heeft gedragen. Verder wijst [werknemer] erop dat hij een goede en lange staat van dienst heeft. [werknemer] erkent wel dat instandhouding van de arbeidsovereenkomst niet meer mogelijk is, maar meent dat dit komt door toedoen van Havik. Gelet daarop is volgens [werknemer] toekenning aan hem van een vergoeding van € 166.221,72 redelijk.

in het tegenverzoek

10. [werknemer] vraagt, onder verwijzing naar zijn verweer, ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens veranderingen in de omstandigheden, met toekenning van een vergoeding van € 166.221,72. Ook vraagt [werknemer] een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is.

11. Havik heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van [werknemer].

De beoordeling

in het verzoek

12. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.

13. In het vonnis in kort geding tussen partijen, zoals dat vandaag is uitgesproken (onder nummer 2864353 KG EXPL 14-29), heeft de kantonrechter geoordeeld – kort weergegeven – dat sprake is geweest van diefstal van goederen door [werknemer], dat die diefstal voor Havik een dringende reden opleverde voor ontslag op staande voet, en dat [werknemer] daarom op 14 januari 2014 terecht op staande voet is ontslagen door Havik.

14. Havik heeft haar (primaire) verzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden op dezelfde feiten en omstandigheden gebaseerd als die welke grond waren voor het ontslag op staande voet op 14 januari 2014. Nu in eerdergenoemd vonnis in kort geding al is geoordeeld dat die feiten en omstandigheden een dringende reden waren voor ontslag op staande voet, komt de kantonrechter onder verwijzing naar dat vonnis en op dezelfde gronden en overwegingen tot het oordeel dat die feiten en omstandigheden ook ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een dringende reden rechtvaardigen. Er is geen aanleiding om bij de beoordeling van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot een ander oordeel te komen dan bij de beoordeling van het ontslag op staande voet in kort geding.

15. De arbeidsovereenkomst zal daarom wegens een dringende reden worden ontbonden per 8 april 2014. Die ontbinding zal voorwaardelijk worden uitgesproken, namelijk voor zover de arbeidsovereenkomst nog bestaat, gelet op het verzoek en het ontslag op staande voet per 14 januari 2014.

16. Omdat het verzoek wordt ingewilligd wegens een dringende reden, kan gelet op artikel 7:685 lid 8 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) geen vergoeding worden toegekend aan [werknemer]. Indien het verzoek zou worden ingewilligd wegens veranderingen in de omstandigheden, zou er overigens evenmin aanleiding zijn voor toekenning van een vergoeding, nu in dat geval de grond voor de ontbinding zou zijn gelegen in de diefstal van goederen en het verlies aan vertrouwen daardoor van Havik in [werknemer], welke grond geheel te wijten is aan [werknemer] en in zijn risicosfeer ligt.

17. Nu geen vergoeding wordt toegekend en Havik daarom ook niet heeft verzocht, is het niet nodig dat Havik de gelegenheid krijgt om het verzoek binnen een bepaalde termijn in te trekken.

18. Gezien de uitkomst en de aard van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

in het tegenverzoek

19. Voor zover [werknemer] verzoekt om een verklaring voor recht dat het ontslag op staande voet nietig is, wordt dat verzoek afgewezen. Gelet op artikel 7:685 BW is het geven van een verklaring voor recht in deze procedure niet mogelijk.

20. Het verzoek van [werknemer] om ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens een gewichtige reden, bestaande uit veranderingen in de omstandigheden, met toekenning van een vergoeding, kan ook niet worden toegewezen. Daarbij is in de eerste plaats van belang dat [werknemer] zijn verzoek onvoorwaardelijk heeft gedaan, terwijl sprake is van een ontslag op staande voet op 14 januari 2014. De kantonrechter acht het niet uitgesloten dat ondanks dit ontslag op staande voet niettemin een onvoorwaardelijke ontbinding zou kunnen volgen, maar daarvoor is in ieder geval vereist dat evident is dat het ontslag op staande voet geen stand zal houden. Daarvan is geen sprake, omdat in eerdergenoemd vonnis in kort geding tussen partijen is geoordeeld dat het ontslag op staande voet terecht is gegeven. Er is daarom geen plaats voor onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Verder heeft [werknemer] ook geen belang bij toewijzing van zijn verzoek. Nu het verzoek om ontbinding van Havik al is toegewezen wegens een dringende reden en zonder toekenning van een vergoeding aan [werknemer], en dit verzoek niet meer kan worden ingetrokken, valt niet in te zien welke zin het nog heeft om het tegenverzoek van [werknemer] toe te wijzen. Dat is temeer het geval nu uit hetgeen is overwogen over het verzoek van Havik al volgt dat ook in geval van toewijzing van het tegenverzoek van [werknemer] geen aanleiding bestaat voor toekenning van een vergoeding.

21. Gezien de uitkomst en de aard van de zaak is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen ieder hun eigen kosten dragen.

De beslissing

De kantonrechter:

in het verzoek

Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 8 april 2014, voor zover deze nog bestaat.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Wijst het meer of anders verzochte af.

in het tegenverzoek

Wijst het verzoek af.

Bepaalt dat beide partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 8 april 2014 in het openbaar uitgesproken.

De griffier De kantonrechter