Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10526

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-04-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
2900658 VV EXPL 14-29
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Artikel 18f lid 4 Zorgverzekeringswet. Een werkgever die nalaat de bestuursrechtelijke premie zorgverzekering af te dragen aan het CVZ mag geen verhaal nemen op de werknemer, als het CVZ deze premie vervolgens bij dwangbevel bij de werkgever invordert. Artikel 18f lid 4 Zorgverzekeringswet bevat dwingend recht. De werknemer kan daarvan tijdens het dienstverband geen afstand doen ten gunste van de werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2014-0953
AR 2014/844

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie kanton – locatie Zaandam

zaak/rolnr: 2900658 / VV EXPL 14-29

datum uitspraak: 22 april 2014

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

in de zaak van

[naam eiser]

te [plaats]

eisende partij

hierna te noemen [werknemer]

gemachtigde mr. I.M. Thieme,

tegen

[naam gedaagde], h.o.d.n. [X]

te [woonplaats]

gedaagde partij

hierna te noemen [werkgever]

gemachtigde mr. E.E. de Bruin.

De procedure

Op gronden zoals in de dagvaarding vermeld heeft [werknemer] een vordering ingesteld tegen [werkgever]. Deze vordering strekt tot het verkrijgen van een onmiddellijke voorziening bij voorraad.

Op deze terechtzitting heeft [werkgever] geantwoord op de vordering.

Daarna hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

De gemachtigde van [werkgever] heeft gebruik gemaakt van pleitnotities.

De griffier heeft aantekening gehouden van wat ter terechtzitting is voorgevallen. Deze aantekeningen worden zo nodig in de vorm van een proces-verbaal uitgewerkt.

Uiteindelijk is de uitspraak van dit vonnis op vandaag bepaald, te 14.00 uur.

De vordering.

[werknemer] vordert als onmiddellijke voorziening bij voorraad, dat de kantonrechter [werkgever] (kort samengevat) zal veroordelen tot doorbetaling van loon ad € 2.242,76 bruto per maand vanaf 31 januari 2014, nabetaling van ten onrechte ingehouden loon ten bedrage van € 7.800,-- netto, met wettelijke verhoging en rente en voorts, voor het geval dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zou zijn geëindigd, betaling van wat [werknemer] wegens niet genoten vakantiedagen en vakantiegeld nog van [werkgever] tegoed mocht hebben, eveneens met wettelijke verhoging en rente, alles met veroordeling van [werkgever] in de proceskosten.

Het verweer

Het verweer strekt tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering. Daarop wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

De feiten

In deze procedure zijn de volgende feiten voldoende komen vast te staan omdat deze niet, dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist zijn gebleven.

  1. Sinds juni 2009 heeft [werknemer] op basis van een arbeidsovereenkomst als slager voor [werkgever] gewerkt. Het laatstgenoten salaris bedroeg (vanaf 1 januari 2014) € 1.738,58 bruto per maand. Daarvoor was het € 1.721,37 bruto per maand. Daarnaast werd wekelijks een bedrag groot € 100,-- netto zwart uitbetaald. Volgens de toepasselijke CAO voor het slagersbedrijf zou het salaris van [werknemer] op dit moment € 2.242,76 bruto per maand moeten bedragen. [werknemer], die voortdurend in betalingsmoeilijkheden verkeerde, kreeg op zijn verzoek altijd contant uitbetaald (met voorschotten) en ontving geen loonstroken.

  2. Begin 2013 is door [werkgever] aan [werknemer] en de andere werknemers medegedeeld, dat de slagerij gesloten moest worden omdat de winkel in het winkelcentrum waar de slagerij gevestigd was, moest verdwijnen. Aanvankelijk moest de slagerij per 1 januari 2014 sluiten, maar [werkgever] heeft dat in overleg met de verhuurder weten uit te stellen tot 1 maart 2014.

  3. In augustus 2013 heeft [werkgever] zijn werknemers, waaronder [werknemer], een concept overeenkomst beëindiging dienstverband met wederzijds goedvinden doen toekomen. Alleen [werknemer] is daarmee uiteindelijk akkoord gegaan en heeft in december 2013 getekend voor een ontslag per 31 januari 2014.

  4. Nadat [werknemer] ter ore was gekomen, dat de slagerij niet op 31 januari 2014 zou sluiten, heeft hij de hiervoor bedoelde overeenkomst buitengerechtelijk vernietigd wegens dwaling. [werkgever] heeft vervolgens laten blijken [werknemer] niet meer tot de werkzaamheden te willen toelaten en heeft daarna ook geen loon meer betaald.

  5. Toen [werknemer] bij [werkgever] in dienst trad, had hij een schuld aan het CVZ wegens onbetaalde premies zorgverzekering. Bij beschikking van 24 december 2009 heeft het CVZ aan [werkgever] de plicht opgelegd om de bestuursrechtelijke premie in te houden op het netto inkomen van [werknemer]. Omdat [werkgever] daarmee in gebreke was gebleven heeft het CVZ bij dwangbevel van 21 mei 2013 verhaal genomen op [werkgever] tot een bedrag groot € 5.734,28. Met inbegrip van bijkomende kosten moest [werkgever] een bedrag groot € 6.629,73 afdragen. Vervolgens heeft [werkgever] op zijn beurt weer ingehouden op het salaris van [werknemer] en wel tot een nettobedrag van € 7.800,-- (!).

  6. In strijd met de bepalingen van de (overigens inmiddels buitengerechtelijk door [werknemer] vernietigde) beëindigingsovereenkomst, is [werkgever] aanvankelijk in gebreke gebleven met het uitbetalen van de verschuldigde vakantiebijslag en de vergoeding van 17 niet genoten vakantiedagen. Dat is na het uitbrengen van de dagvaarding alsnog gebeurd, zij het dat bij de berekening is uitgegaan van het wit betaalde salaris, zonder dus rekening te houden met het zwart uitbetaalde salaris.

  7. Met ingang van 1 februari 2014 is met terugwerkende kracht een WW uitkering aan [werknemer] toegekend.

De beoordeling van het geschil

De hierna volgende rechtsoverwegingen hebben een voorlopig karakter. Daaraan kunnen in een mogelijke bodemprocedure dus geen rechten worden ontleend.

De vordering, die betrekking heeft op achterstallig salaris c.a. is naar zijn aard voldoende spoedeisend. Dat [werknemer] inmiddels in het genot is van een WW uitkering kan daaraan niet afdoen.

Voor wat betreft de inhoudelijke kant van het geschil heeft te gelden, dat de door [werknemer] ingestelde vorderingen alleen dan toewijsbaar zijn, indien voldoende zeker is dat deze, althans gelijksoortige vorderingen in een mogelijke bodemprocedure zullen worden toegewezen.

Daarover wordt verder als volgt geoordeeld.

Partijen blijken eerst en vooral verdeeld over de vraag, of [werknemer] de tussen partijen gesloten beëindigingsovereenkomst terecht en op goede gronden wegens dwaling buitengerechtelijk heeft vernietigd. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter moet deze vraag vooralsnog ontkennend worden beantwoord. Zelfs al zou [werknemer] de beëindigingsovereenkomst niet hebben gesloten, als hij had geweten dat de slagerij een paar maanden later dan aangekondigd zou sluiten, dan nog is waarschijnlijk dat [werkgever] onder de gegeven omstandigheden mocht aannemen, dat de precieze datum van sluiting voor [werknemer] in deze niet van wezenlijk belang was. In elk geval kan niet worden volgehouden, dat een andersluidende beantwoording van deze vraag dusdanig voor de hand ligt, dat daarop in een procedure als de onderhavige mag worden vooruitgelopen. Dat betekent dat het er in deze procedure voor moet worden gehouden, dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen inderdaad per 31 januari 2014 rechtsgeldig is geëindigd en dat [werkgever] daarna dus geen loon meer verschuldigd was noch is.

Daaruit volgt bovendien, dat [werkgever] per 31 januari 2014 ook had moeten afrekenen voor wat betreft de verschuldigde vakantiebijslag en de vergoeding wegen niet genoten vakantiedagen. Aan [werknemer] moet worden toegegeven, dat de pas later gevolgde afrekening onjuist is, omdat daarin ten onrechte geen rekening is gehouden met de wekelijks uitbetaalde € 100,-- netto, die wel degelijk deel uitmaken van het salaris waarover de vakantiebijslag berekend en op basis waarvan de vergoeding wegens niet genoten vakantiedagen moet worden berekend. De kantonrechter zal daarmee ook in de beslissing volstaan, zodat partijen zelf alsnog de juiste bedragen kunnen berekenen, evenals de wettelijke rente daarover, die ging lopen vanaf 31 januari 2014 tot de al gedane betaling en tot de nog te verrichten betaling. De wettelijke verhoging wordt beperkt tot 10%.

Blijft over het bedrag van € 7.800,-- netto, dat door [werkgever] is ingehouden op het salaris van [werknemer] wegens verrekening van het door het CVZ genomen verhaal op [werkgever]. Nog daargelaten dat méér is ingehouden dan op [werkgever] is verhaald, moet worden vastgesteld dat deze inhouding nietig was op grond van het bepaalde in artikel 18f lid 4 van de Zorgverzekeringswet. Zelfs als het juist is dat [werknemer], zoals door [werkgever] aangevoerd, daarmee gedurende het dienstverband willens en wetens akkoord is gegaan, kan dat toch niet tot een andere beslissing leiden. Het betreft een wetsbepaling die ter bescherming van de belangen van de werknemer is vastgesteld. Die bescherming zou gevaar lopen, als de werknemer daarvan tijdens het bestaan van het dienstverband afstand van zou mogen doen, al was het maar omdat de werknemer daartoe zou kunnen besluiten in de al dan niet gerechtvaardigde vrees, dat hij daarvan anders nadelige gevolgen zou kunnen ondervinden. De wet is volstrekt duidelijk op dit punt, als de werkgever zijn verplichtingen ten aanzien van het CVZ niet nakomt moet alleen de werkgever daarvan de nadelige gevolgen dragen en mag geen verhaal worden genomen op de werknemer. Samenvattend is ook dit onderdeel van de vordering toewijsbaar, met rente zoals hierna te bepalen. De gevorderde wettelijke verhoging daarover wordt afgewezen, omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden, dat deze in een mogelijke bodemprocedure tot nihil wordt gematigd.

Over de proceskosten moet worden beslist zoals hierna bepaald.

Beslissing

[werkgever] wordt veroordeeld om aan [werknemer] te betalen een bedrag van € 7.800,-- netto wegens ten onrechte ingehouden salaris, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2014.

[werkgever] wordt verder veroordeeld om aan [werknemer] te betalen het nog resterende bedrag aan vakantiebijslag en 17 niet genoten vakantiedagen, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 2.242,76 en de inmiddels uitbetaalde € 1.103,06 bruto wegens vakantiebijslag en € 1.330,33 bruto wegens 17 niet genoten vakantiedagen.

Iedere partij draagt de eigen proceskosten.

Dit vonnis wordt uitvoerbaar verklaard bij voorraad.

Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.M.Visser, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.