Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10434

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-11-2014
Datum publicatie
21-11-2014
Zaaknummer
AWB - 13 _ 2167
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffingverlening van geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 meter (bord C18) en aslast groter dan 4,8 ton (bord C20) op Kanaaldijk te Oost-Graftdijk aan Europarcs Villapark de Rijp B.V. Vernietiging besluit wegens ontbreken deugdelijke motivering. Rechtsgevolgen in stand gelaten, omdat verweerder in redelijkheid tot ontheffing kon besluiten. Uit verweerders toelichting in het verweerschrift en ter zitting valt genoegzaam af te leiden dat verweerder op zorgvuldige wijze onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het verlenen van de ontheffing en dat verweerder de aan de orde zijnde belangen heeft meegenomen bij de besluitvorming op de aanvraag om ontheffing. Geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Verzoek tot schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 13/2167

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. R. Mulder),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Graft-De Rijp, verweerder

(gemachtigde: A.I.H. Nurmohamed).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Europarcs Villapark De Rijp B.V., te Apeldoorn

(gemachtigde: mr. T.E.P.A. Lam).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van artikel 87 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) aan derde-partij een ontheffing verleend van de geslotenverklaring voor voertuigen breder dan 2,2 meter (bord C18) en een aslast groter dan 4,8 ton (bord C20) op de Kanaaldijk te Oost-Graftdijk in de periode van week 15 van 2013 tot en met week 8 van 2014.

Bij besluit van 13 november 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van

eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een

verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2014. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1] (bedrijfsjurist) en [naam 2] (parkmanager).

Overwegingen

1.1.

De Kanaaldijk te Oost-Graftdijk is middels de borden C18 en C20 gesloten voor voertuigen die breder zijn dan 2,2 meter en een aslast hebben die groter is dan 4,8 ton. Het perceel van eiseres grenst direct aan de Kanaaldijk. Derde-partij houdt zich bezig met de herontwikkeling van percelen grond ten behoeve van recreatiepark “Villapark De Rijp” in Oost-Graftdijk. In dat verband is onherroepelijk vergunning en vrijstelling ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening verleend voor - onder meer - de bouw van 266 recreatiewoningen en een aantal bruggen. Met de bouw is na het onherroepelijk worden van de vergunning en vrijstelling in 2010 gestart.

1.2.

Voor de aanvoer van - onder meer - bouwmaterialen maakt derde-partij deels gebruik van vrachtwagens die breder zijn dan 2,2 meter en/of een aslast hebben groter dan 4,8 ton. Derde-partij heeft op 9 juli 2008 met verweerder een samenwerkingsovereenkomst gesloten, waarin derde-partij en verweerder afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het aanleggen van een nieuwe ontsluitingsweg ten behoeve van het bouwverkeer van en naar het recreatiepark, teneinde de dorpskernen West- en Oost-Graftdijk te ontzien. Verweerder heeft de komst van deze nieuwe ontsluitingsweg planologisch mogelijk willen maken door het vaststellen van het bestemmingsplan “Ontsluitingsweg Villapark De Rijp”. Doordat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dit bestemmingsplan tweemaal heeft vernietigd (bij uitspraken van 21 november 2012 en 22 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2012:BY3726 en ECLI:NL:RVS:2014:124) is de beoogde ontsluitingsweg nog niet gerealiseerd. Ter zitting is namens verweerder medegedeeld dat nog steeds het voornemen bestaat te komen tot een ontsluiting van het recreatiepark door het realiseren van een nieuwe ontsluitingsweg en dat in dat verband thans de benodigde stappen worden ondernomen.

1.3.

In afwachting van de komst van de ontsluitingsweg en om de bouw van het recreatiepark te kunnen continueren, heeft derde-partij gebruik willen maken van een alternatieve route over bestaande wegen, waaronder de Kanaaldijk. Derde-partij heeft in dat kader een aanvraag ingediend voor een ontheffing van de verbodsborden C18 en C20 op de Kanaaldijk voor de periode van week 8 van 2011 tot en met 31 december 2011. Verweerder heeft bij besluit van 14 april 2011 het verlenen van deze ontheffing geweigerd onder verwijzing naar het reeds in 2008 verrichte onderzoek naar de verhardingsconstructie van de Kanaaldijk uitgevoerd door de door hem ingeschakelde deskundige [bedrijf] B.V.. De conclusie van dit onderzoek luidt: “Gezien de geconstateerde conditie zal bouwverkeer de conditie van het wegvak plaatselijk snel kunnen verslechteren. Ook het mogelijk ontbreken van een fundering aan de buitenkant van de weg kan in een duidelijke toename van randschade resulteren. Dit betekent dat er in feite geen toelaatbare grenzen kunnen worden gesteld aan de hoeveelheid bouwverkeer. Elke vrachtwagen met aslasten van 10 ton zal de verhardingsconstructie structureel beschadigen, hoewel niet over de lengte van het wegvak in gelijke mate.”

1.4.

Derde-partij is de bouwmaterialen vervolgens met lichte transporten (waarvoor geen ontheffing is vereist) gaan vervoeren. Deze transporten hebben, onder meer vanwege de veelheid en frequentie van deze transporten, tot (meldingen van) overlast van bewoners geleid. De gemeente heeft middels een kort geding getracht derde-partij te verbieden voor bouwverkeer gebruik te maken van de Kanaaldijk, onder meer omdat het volgens de gemeente gaat om een smalle dijkweg die niet geschikt is voor intensief gebruik en zwaar verkeer. Bij vonnis van 1 juni 2011 (ECLI:NL:RBALK:2011:BQ6879) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar de vorderingen van de gemeente afgewezen. In dit vonnis heeft de voorzieningenrechter - ten overvloede - overwogen dat de wijze waarop de gemeente is omgesprongen met de aanvraag om ontheffing voor het gebruik van de bestaande infrastructuur met zwaardere vervoersmiddelen dan op grond van het RVV is toegestaan (om zo de vervoersbewegingen te beperken) erop lijkt te duiden dat de gemeente haar positie als partij bij de samenwerkingsovereenkomst niet juist waardeert. De gemeente is volgens de voorzieningenrechter onder de geschetste omstandigheden om Europarcs binnen redelijke grenzen in staat te stellen volgens de door Europarcs gehanteerde bouwplanning voort te werken. Het lijkt erop dat met een creatiever gebruik van de ontheffingsbevoegdheid dan de gemeente tot op heden heeft laten zien, een resultaat had kunnen worden bereikt dat tot een aanzienlijke beperking van de overlast zou hebben geleid, aldus de voorzieningenrechter.

1.5.

In 2011 heeft verweerder vervolgens bij wijze van proef aan derde-partij ontheffing verleend. Na evaluatie is het verlenen van de ontheffing voortgezet in 2012, omdat volgens verweerder de overlast ten opzichte van de door derde-partij eerder uitgevoerde lichte transporten behoorlijk bleek te zijn verminderd.

2. Het onderhavige beroep heeft betrekking op het verlenen van ontheffing onder voorwaarden voor de periode week 15 van 2013 tot week 8 van 2014, voor een totaal aantal van 1057 transporten (gemiddeld zes transporten per dag, te weten driemaal heen en driemaal terug). Uit de gedingstukken blijkt dat sprake is van twee deels overlappende besluiten tot het verlenen van de ontheffing voor de Kanaaldijk. Het eerste besluit dateert van 2 april 2013 en heeft betrekking op de periode vanaf week 15 van 2013 tot en met week 35 van 2013. Het tweede besluit van 29 mei 2013 ziet op de periode van week 15 van 2013 tot week 8 van 2014. Gelet op het verhandelde ter zitting en de inhoud van de gedingstukken (in het bijzonder de aanvullende aanvraag voor een aansluitende periode van derde-partij van 5 april 2013) begrijpt de rechtbank dat verweerder heeft beoogd met het tweede besluit van 29 mei 2013 het eerste besluit van 2 april 2013 te vervangen en alsnog ontheffing te verlenen voor een langere periode. Bij het bestreden besluit heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

3. Nu de periode waarop de ontheffing betrekking had, reeds is verstreken, dient te worden beoordeeld of eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van beroep. Ter zitting heeft verweerder in dat verband desgevraagd medegedeeld dat na de onderhavige besluitvorming nog andere ontheffingen zijn verleend voor een korte periode en dat onlangs een ontheffing voor een periode van twee jaar aan derde-partij is verleend. Dit betreffen inhoudelijk soortgelijke besluiten, nu eenzelfde soort ontheffing is verleend onder (nagenoeg) identieke voorwaarden. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat de onderhavige ontheffingverlening een repeterend besluit betreft. Een inhoudelijke beoordeling van dit beroep van eiseres kan daarom van belang zijn voor nieuwe door verweerder te nemen soortgelijke besluiten (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van de Raad van State, hierna: de Afdeling, van 25 april 2007, ECLI:RVS:2007:BA3790). Daarnaast heeft eiseres gesteld dat zij als gevolg van het verlenen van de ontheffing schade heeft geleden. Op grond van vaste jurisprudentie (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 11 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN3704) kan ook hierin een procesbelang worden gevonden. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van haar beroep en beantwoording van de vraag of de onderhavige ontheffing - gezien hetgeen zij daartegen heeft aangevoerd - in stand kan blijven.

4.1.

Artikel 149, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) bepaalt, voor zover van belang, dat van het bepaalde krachtens deze wet in de krachtens deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels door burgemeester en wethouders ontheffing kan worden verleend, voor zover het wegen, niet zijnde wegen onder beheer van het Rijk, een provincie of een waterschap, betreft.

4.2.

Ingevolge artikel 62 van het RVV 1990 zijn weggebruikers verplicht gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.

4.3.

Ingevolge artikel 87 RVV 1990, voor zover thans van belang, kan door het bevoegd gezag ontheffing worden verleend van artikel 62.

4.4.

Ingevolge bijlage 1 bij het RVV 1990 betreffen de verkeersborden C18 een geslotenverklaring voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, breder zijn dan op het bord is aangegeven en C20 een geslotenverklaring voor voertuigen waarvan de aslast hoger is dan op het bord is aangegeven.

5. Eiseres heeft in beroep - kort samengevat - aangevoerd dat de onderhavige ontheffingverlening moet worden gekwalificeerd als misbruik van bevoegdheid door verweerder, nu deze ontheffing is gebruikt om de civielrechtelijke gevolgen van het niet nakomen van de samenwerkingsovereenkomst met derde-partij te ontlopen. Eiseres meent voorts dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft verricht en dat verweerder de verkeersveiligheid van de inwoners, de schade aan de dijk en dijkweg en bovenal de schade die zij en omwonenden aan hun woningen ondervinden onvoldoende bij de belangenafweging heeft meegewogen. Volgens eiseres zijn er goede alternatieven beschikbaar, zoals transport over water, maar zijn ook deze niet meegenomen in de belangenafweging. Eén en ander had er volgens eiseres toe moeten leiden dat de gevraagde ontheffing werd geweigerd. Ter onderbouwing van de schade aan haar woning heeft eiseres (op 6 oktober 2014) een rapport van [adviesbureau] B.V. in het geding gebracht.

6. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting op het standpunt gesteld dat er wel degelijk een belangenafweging heeft plaatsgevonden, waarbij eventuele schade aan omliggende woningen, de dijk en dijkweg, de verkeersveiligheid en alternatieve mogelijkheden zijn meegewogen. Naar aanleiding van de uitspraak van de voorzieningenrechter in kort geding in 2011, de vernietiging van het eerste bestemmingsplan ten behoeve van de nieuwe ontsluitingsweg in 2012 en de ervaren overlast door de vele lichte transporten, is de eerdere weigering aan derde-partij een ontheffing te verlenen, heroverwogen. De lichte transporten waar derde-partij bij het weigeren van de ontheffing gebruik van maakt, kan verweerder niet tegenhouden. Evenmin kan verweerder aan deze transporten voorwaarden stellen, zoals beperkingen in tijd of hoeveelheid. De lichte transporten vergroten in ieder geval de overlast voor de omgeving, zo is uit ervaring gebleken. Vervoer over water is volgens verweerder geen reële optie vanwege de aard van het merendeel van de transporten. Bovendien behoort vervoer over water niet tot verweerders bevoegdheid. Nu de voorgenomen ontsluitingsweg (nog) niet kan worden gerealiseerd, en derde-partij in beginsel in staat moet worden gesteld de bouw te continueren, zal ontsluiting dienen plaats te vinden via bestaande wegen, waaronder de Kanaaldijk. Daarbij heeft verweerder benadrukt dat nog immer sprake is van een tijdelijke situatie, nu verweerder nog steeds voornemens is een nieuwe ontsluitingsweg te realiseren. Verweerder heeft in 2011 en 2012 de trillingen van de transporten aan de gevel van woningen aan de Kanaaldijk gemeten. Op basis van deze metingen is geconcludeerd dat er een zeer beperkte kans is op schade aan de woningen. Verder heeft verweerder [bedrijf] B.V. diverse malen onderzoek laten verrichten naar de verhardingsconstructie van de weg, zo ook in mei 2013 na afloop van een eerdere ontheffing. Uit dit onderzoek bleek dat de bestaande schade aan verharding van de weg is verergerd en dat er nieuwe schadebeelden zijn ontstaan. Het betreft scheurvorming van zeer geringe omvang. Het repareren van deze schade kon grotendeels worden meegenomen in het normale onderhoud van de weg zonder veel meerkosten. Met betrekking tot schade aan gemeentelijke eigendommen of eigendommen van derden heeft verweerder voorwaarden gesteld aan de ontheffing. Derde-partij is op grond van deze voorwaarden onder meer verantwoordelijk voor de schade aan eigendommen van derden die ontstaat als gevolg van het gebruik maken van de ontheffing. Ook zijn er voorwaarden opgenomen voor periodieke evaluaties. Aldus is het schadeaspect volgens verweerder voldoende gewaarborgd. Met het oog op de verkeersveiligheid heeft verweerder eveneens voorwaarden gesteld, onder meer met betrekking tot het tijdsbestek waarbinnen de transporten mogen plaatsvinden, namelijk alleen binnen schooltijden, en de maximale snelheid van het transport.

7. De rechtbank stelt vast dat deze motivering van verweerder als zodanig in het primaire noch het bestreden besluit is neergelegd, hetgeen verweerder ter zitting heeft erkend. In het bestreden besluit heeft verweerder ter motivering weliswaar verwezen naar het advies van de commissie bezwaarschriften, maar daarin is met betrekking tot de bezwaren van eiseres uitsluitend overwogen dat de ontheffing niet in strijd is met wettelijke voorschriften of algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en dat verweerder niet in strijd heeft gehandeld met het verbod op misbruik van bevoegdheid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit een deugdelijk motivering ontbeert en daarom wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

8.1.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Gezien de toelichting van verweerder in het verweerschrift en ter zitting, die wordt ondersteund door de gedingstukken, beantwoordt de rechtbank deze vraag bevestigend. Uit de door verweerder gegeven motivering valt genoegzaam af te leiden dat verweerder op zorgvuldige wijze onderzoek heeft gedaan naar de gevolgen van het verlenen van de ontheffing en dat verweerder de aan de orde zijnde belangen heeft meegenomen bij de besluitvorming op de aanvraag om ontheffing. Juist met het oog op de verschillende belangen van omwonenden (waaronder eiseres) zijn voorwaarden gesteld. Deze voorwaarden zien onder andere op de tijden waarop het transport is toegestaan en de aansprakelijkheidstelling voor eventuele schade aan derden. Deze voorwaarden - zo heeft verweerder toegelicht - worden ook daadwerkelijk gecontroleerd en gehandhaafd. Controle vindt onder meer plaats door het bijhouden van een logboek en naar aanleiding van een overtreding van de voorwaarde met betrekking tot transporttijden is inmiddels een handhavingstraject gestart.

8.2.

In de door eiseres gestelde schade heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien de gevraagde ontheffing te weigeren. Eiseres heeft de daadwerkelijke schade en de hoogte hiervan niet onderbouwd. Eiseres heeft weliswaar ter onderbouwing van haar schade een (ongedateerd) rapport van [adviesbureau] B.V., maar daaruit blijkt niet dat, en tot welke hoogte, er feitelijk schade is ontstaan door het thans - als gevolg van de verleende ontheffing - ter plaatse rijdende vrachtverkeer. De mogelijkheid dat eiseres schade zal leiden, heeft verweerder bovendien ondervangen door het stellen van voorwaarden, zoals hierboven reeds is vastgesteld. Ten slotte neemt de rechtbank bij haar oordeel in aanmerking dat eiseres de mogelijkheid heeft zich tot verweerder te wenden met een zelfstandig verzoek tot schadevergoeding.

8.3.

Anders dan eiseres stelt, is het niet aan verweerder om in het kader van ontheffingverlening zelfstandig onderzoek te verrichten naar mogelijk voor omwonenden minder bezwarende alternatieven. Het bestaan van een dergelijk alternatief kan hooguit in de belangenafweging een rol spelen, zoals dat in dit geval ook is gebeurd. Verweerder heeft immers toegelicht dat het door eiseres voorgestelde alternatief, vervoer over water, niet mogelijk is, omdat dit economisch en verkeerstechnisch niet haalbaar is. Onder meer de aard van de lading speelt daarbij een rol. Dit geldt voor het merendeel van de transporten. Bovendien vindt er, daar waar mogelijk, met medewerking van Rijkswaterstaat en verweerder, reeds vervoer over water plaats. Deze toelichting van verweerder komt de rechtbank niet onredelijk voor. Daarbij betrekt de rechtbank eveneens de verwijzing van verweerder naar hetgeen de voorzieningenrechter in kort geding in dit verband heeft overwogen, namelijk dat ontsluiting via het water als alternatief geen begaanbare weg is. Eiseres heeft hier onvoldoende tegenover gesteld.


8.4. Dat verweerder in een eerder stadium het verlenen van de ontheffing aan derde-partij heeft geweigerd, maakt niet dat verweerder thans niet alsnog ontheffing mocht verlenen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat het verlenen van de ontheffing is ingegeven door het vonnis van de kort geding rechter, de vertraging van de komst van de ontsluitingsweg en de overlast door de vele lichte transporten. Hieruit begrijpt de rechtbank dat de ontheffing het gevolg is van een nadere afweging van verweerder, mede als gevolg van gewijzigde omstandigheden. Het stond verweerder vrij om - na nader onderzoek en nadere afweging van de belangen zoals hiervoor overwogen - alsnog te besluiten tot het verlenen van ontheffing, onder het stellen van voorwaarden. Daarbij mocht verweerder gewicht toekennen aan het feit dat het niet verlenen van de ontheffing voor derde-partij mogelijk zou leiden tot een vertraging of stillegging van de bouw, met alle gevolgen van dien.

8.5.

Ten slotte volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat verweerder zijn bestuursrechtelijke bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing uitsluitend heeft aangewend ter voorkoming van een civielrechtelijk geschil met derde-partij. Verweerder heeft immers een zelfstandige publiekrechtelijke bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing, waarvan verweerder gebruik mag maken indien aan alle daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Daarvan is in dit geval sprake. De rechtbank ziet in hetgeen eiseres heeft aangevoerd onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder zijn bevoegdheid tot het verlenen van ontheffing uitsluitend heeft aangewend ter voorkoming van een civielrechtelijke schadeclaim wegens niet-naleving van de samenwerkingsovereenkomst. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld en overwogen, zijn er voor verweerder meerdere redenen geweest, waaronder de vernietiging van het bestemmingsplan en de overlast door de lichte transporten, om de gevraagde ontheffing te verlenen. Het beroep van eiseres op het verbod van misbruik van bevoegdheid, als bedoeld in artikel 3:3 van de Awb, slaagt dan ook niet.

8.6.

Al het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder in redelijkheid tot ontheffingverlening heeft kunnen besluiten. De rechtbank zal de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit dan ook in stand laten.

9.1.

Ter zitting heeft eiseres om vergoeding verzocht van de schade die zij stelt als gevolg van de onderhavige ontheffingverlening te hebben geleden. Daarbij heeft zij verwezen naar eerdergenoemd rapport van [adviesbureau] B.V..

9.2.

De rechtbank wijst dit verzoek af. Uit het hierboven overwogene blijkt dat hoewel het beroep van eiseres wegens een motiveringsgebrek in het bestreden besluit gegrond wordt verklaard, de rechtbank in de door verweerder alsnog gegeven motivering aanleiding ziet om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Inhoudelijk acht de rechtbank derhalve de ontheffingverlening rechtmatig. Reeds om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om gebruik te maken van de haar in (de in dit geval op grond van het overgangsrecht toepasselijke) artikel 8:73 van de Awb gegeven bevoegdheid gebruik te maken om verweerder te veroordelen tot het vergoeden van schade. Daar komt nog bij dat eiseres de als gevolg van deze ontheffingverlening gestelde schade niet heeft geconcretiseerd en onvoldoende heeft onderbouwd, zoals de rechtbank reeds heeft overwogen onder 8.2. Het door eiseres overgelegde rapport acht de rechtbank hiervoor onvoldoende, nu dit slechts ziet op de theoretische mogelijkheid van schade aan de woning van eiseres. Ook hierom is er geen grond aanwezig om schadevergoeding toe te kennen.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,-).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiseres te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Slijkhuis, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M.A. Richelle, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.