Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10322

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
HAA 14/3384 & 14/3170
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voorzieningen Remigratie vanwege het ontbreken van hoofdverblijf in Nederland ten tijde van de aanvraag. Dat eisers situatie inmiddels is veranderd doet daar niet aan af.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: HAA 14/3384 en HAA 14/3170

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 oktober 2014 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats], verzoeker/eiser (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. P.E. Stam),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (SVB), verweerder

(gemachtigde: mr. K. Verbeek ).

Procesverloop

Bij besluit van 18 februari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag om voorzieningen Remigratie afgewezen omdat hij zijn hoofdverblijf niet in Nederland had.

Bij besluit van 2 juli 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

  2. Eiser is in 1977 in Nederland komen wonen. In september 2006 is hij met zijn gezin naar Turkije vertrokken. In 2008 heeft eiser daar tweemaal een hartinfarct gehad. Tot 2012 heeft eiser een eigen meubelzaak gehad, maar deze is failliet gegaan, mede vanwege zijn gezondheidsproblemen. Vanwege zijn slechte financiële situatie en slechte gezondheidstoestand is eiser op 16 april 2013 naar Nederland teruggekeerd. Hij heeft een kamer gehuurd bij kennissen en ontvangt sinds mei 2013 een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb). Op 30 december 2013 heeft eiser verzocht om voorzieningen Remigratie om zich bij zijn gezin in Turkije te vestigen. Verweerder heeft eiser om nadere inlichtingen verzocht ten aanzien van eisers woonsituatie, werk/uitkering en verblijf in Nederland. Eiser heeft op 3 februari 2014 de vragenlijst teruggestuurd. Voorts hebben toezichthouders op 12 februari 2014 het adres van eiser bezocht en met eiser gesproken. Hierna heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser niet voldoet aan het gestelde in artikel 1, eerste lid sub f van de Remigratiewet en artikel 5 sub a van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet.

In mei 2014 heeft eiser wederom een hartinfarct gehad. Naar aanleiding van de afwijzing van de remigratievoorziening heeft (een andere afdeling van) de SVB op 14 mei 2014 het besluit genomen dat eiser vanaf 1 oktober 2006 niet verzekerd is voor de AWBZ. Daarmee valt hij ook niet onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). Naar aanleiding van dat besluit heeft Zorg en Zekerheid eisers zorgverzekering met terugwerkende kracht per 16 april 2013 beëindigd en heeft eiser alsnog facturen gekregen voor de kosten van de ambulancedienst (€ 709,14) en het Zaans Medisch Centrum (€ 2.586,40) in verband met zijn hartinfarct.

3. Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van het belang van het oordeel van de voorzieningenrechter in de besluitvorming ten aanzien van de AWBZ en Zvw-procedures, en het feit dat eiser ondanks zijn zwakke gezondheid (nog steeds) niet is verzekerd voor ziektekosten, neemt de voorzieningenrechter aan dat eiser spoedeisend belang heeft.

4. In artikel 1, eerste lid, onder f van de Remigratiewet - zoals die ten tijde van de aanvraag luidde - is bepaald dat onder remigrant wordt verstaan een persoon, bedoeld in artikel 2, die met de toepassing van deze wet voornemens is zijn rechtmatig hoofdverblijf in Nederland op te geven om te remigreren, dan wel is geremigreerd en sindsdien in een bestemmingsland is gevestigd.

5. Ingevolge artikel 5, aanhef en onder a van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet (hierna: het Uitvoeringsbesluit), zoals die ten tijde van de aanvraag luidde en voor zover thans van belang, dient de remigrant om voor de remigratievoorzieningen in aanmerking te komen, indien hij Nederlander is, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag van de remigratievoorzieningen in Nederland te hebben verbleven.

6. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten tijde van de aanvraag zijn hoofdverblijf in Nederland had en nog steeds heeft. Hij heeft een duurzame persoonlijke band met Nederland, staat ingeschreven in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA), beschikt over duurzame woonruimte, ontvangt een Wwb uitkering en is destijds ook terug naar Nederland gekomen met de bedoeling hier definitief te blijven.

Daarbij heeft eiser gewezen op zijn band met zijn moeder, broer en zus, vrienden en kennissen in Nederland. Eiser woonde het grootste gedeelte van zijn leven in Nederland en zijn band met hen is door een aantal jaren verblijf in Turkije niet gewijzigd.

Voorts stelt eiser dat zijn intentie bij terugkeer was om hier te blijven. Eiser is naar Nederland gekomen om voorbereidingen te treffen om de terugkeer van zijn gezin naar Nederland mogelijk te maken. Naast medische redenen had eiser ook financiële redenen om zich in Nederland te vestigen. Eiser had in Turkije geen inkomen en werd onderhouden door zijn broer en zonen. Hij achtte de kans om in Nederland aan het werk te komen groter. Eiser had zich niet gerealiseerd dat het lastig was werk en een geschikte woonruimte voor het hele gezin te vinden. Een kennis in de moskee heeft hem toen geattendeerd op de remigratiemogelijkheid. Dat neemt niet weg dat eiser altijd de intentie heeft gehad om in Nederland te blijven en zijn gezin terug te halen.

Eiser wijst erop dat zonder remigratievoorziening het gezin zoals gepland naar Nederland moeten komen. Na het infarct in mei 2014 kan eiser niet meer werken en in Turkije bestaat geen vangnetuitkering. Voorts kan hij zich dan niet verzekeren, terwijl hij intensieve controle behoeft en dure medicatie gebruikt. Eiser huurt een kamer met contract en staat ingeschreven in de GBA. Hij beschikt dus over een duurzame woning waar hij voor onbepaalde tijd kan verblijven. Voorts heeft hij (en zijn gezin) de Nederlandse nationaliteit, dus kan hij permanent in Nederland blijven, met of zonder gezin. Met toekenning van remigratievoorzieningen kan het gezin in Turkije blijven, de kosten zijn lager, eiser heeft geen Wwb meer nodig en hij kan zich verzekeren tegen ziektekosten in Turkije.

7. Zoals uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt, heeft verweerder in onderhavige situatie diverse factoren tegen elkaar afgewogen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit feiten en omstandigheden blijkt dat eiser iets meer dan een half jaar nadat hij in Nederland is gekomen een aanvraag om voorzieningen op grond van de Remigratiewet heeft gedaan. Niet kan dan ook worden gesteld, volgens verweerder, dat eiser de intentie heeft zich blijvend in Nederland te vestigen. Die intentie speelt een belangrijke rol in het bepalen of verzoeker het hoofdverblijf in Nederland had op de datum van de aanvraag. Ook uit de overige feiten en omstandigheden blijkt volgens verweerder niet dat eiser geacht kan worden hoofdverblijf in Nederland te hebben op de datum van de aanvraag. Gelet de periode die is verstreken tussen vertrek uit Nederland (2006) en terugkomst in Nederland (2013) kan ook uit het eerdere verblijf niet de conclusie getrokken worden dat eiser het hoofdverblijf in Nederland had.

In het bestreden besluit heeft verweerder op basis van het aanvraagformulier en het aanvullend vragenformulier het volgende overwogen. Eiser heeft ingevuld dat hij in april 2013 voor tijdelijk verblijf om gezondheidsredenen naar Nederland is gekomen. Eiser staat nog ingeschreven in het bevolkingsregister van zijn woonplaats in Turkije, eiser is inwonend bij familieleden en kennissen, beschikt niet over zelfstandige woonruimte en is niet ingeschreven als woningzoekende. Voorts heeft eiser niet gewerkt maar doorlopend een Wwb uitkering ontvangen, zijn vrouw en kinderen wonen in Turkije, en eiser wenst na reeds acht maanden weer terug te keren naar Turkije. Gelet hierop acht verweerder de persoonlijke band van duurzame aard veel sterker met Turkije dan met Nederland.

8. De voorzieningenrechter is op basis van het voorgaande van oordeel dat verweerder in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat niet gebleken is dat eiser ten tijde van de aanvraag duurzaam in Nederland verbleef. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat eiser ten tijde van zijn aanvraag geen hoofdverblijf in Nederland had en de aanvraag om remigratievoorzieningen mogen afwijzen. Dat de situatie van eiser inmiddels is veranderd doet daar niet aan af.

9. Het beroep is ongegrond. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Guinau, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.