Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10184

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-11-2014
Datum publicatie
10-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 2516
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting; art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM in samenhang met art. 1, eerste Protocol; artt. 24 en 24b Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994. De grijskentekenregeling voor ondernemers is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-11-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-2666
V-N Vandaag 2014/2269
Belastingadvies 2014/24.11
V-N 2015/6.2.3
Rolleman annotatie in NTFR 2015/316

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer: HAA 14/2516

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 november 2014 in de zaak tussen

[X], wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: prof. dr. R.N.G. van der Paardt),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Centrale administratie, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft op 27 januari 2014 € 34 motorrijtuigenbelasting voldaan.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2014 te Haarlem.

Namens eiser is verschenen de gemachtigde, bijgestaan door[A], voorzitter van de Stichting Belangen Grijskentekenhouders. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C.M. van ’t Hooft en J.E. van de Peppel.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is houder van een kleine bestelauto met het kenteken [#] (hierna: de bestelauto). Eiser voldoet voor de bestelauto motorrijtuigenbelasting naar het tarief van artikel 24 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB).

2. Eiser is geen ondernemer zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB).

Geschil

1. In geschil is of eiser motorrijtuigenbelasting mag voldoen naar het lage tarief van artikel 24b van de Wet MRB.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat de grijskentekenregeling van artikel 24b van de Wet MRB op twee niveaus discriminerend is, namelijk op wetgevend niveau en op uitvoerend niveau. De grijskentekenregeling voor ondernemers is in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie. Eiser beroept zich op artikel 26 IVBPR, artikel 14 EVRM en het Eerste Protocol bij het EVRM. Er is sprake van ongelijke behandeling van (nagenoeg) gelijke gevallen. Voor deze ongelijke behandeling bestaat geen afdoende objectieve rechtvaardigingsgrond. Bovendien controleert verweerder niet of ondernemers die van de grijskentekenregeling gebruik maken, voldoen aan de gebruikseis.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van discriminatie. Voor het verschil in behandeling bestaat wel een rechtvaardigingsgrond. Ondernemers die van de grijskentekenregeling gebruik maken, krijgen een brief waarin de voorwaarden staan. Er wordt wel degelijk gecontroleerd of aan de gebruikseis wordt voldaan.

Beoordeling van het geschil

1. Tussen partijen is allereerst in geschil of de wetgever binnen de hem toekomende beoordelingsmarge is gebleven. De Hoge Raad heeft in dit verband onder meer het volgende overwogen (arrest van 22 november 2013, nr. 13/01154, ECLI:NL:HR:2013:1206):

“Artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM, in samenhang met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, verbieden niet iedere ongelijke behandeling van gelijke gevallen, doch alleen die welke als discriminatie moet worden beschouwd omdat een redelijke en objectieve rechtvaardiging ervoor ontbreekt. Dit betekent dat alleen sprake is van discriminatie indien het gemaakte onderscheid geen gerechtvaardigde doelstelling heeft of indien er geen redelijke verhouding bestaat tussen de maatregel die het onderscheid maakt en het daarmee beoogde gerechtvaardigde doel (zie EHRM 29 april 2008, Burden tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 13378/05, EHRC 2008/80, paragraaf 60). Hierbij verdient opmerking dat op fiscaal gebied aan de wetgever in het algemeen een ruime beoordelingsvrijheid toekomt bij het beantwoorden van de vraag of gevallen voor de toepassing van de bedoelde verdragsbepalingen als gelijk moeten worden beschouwd en of, in het bevestigende geval, een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen niettemin in verschillende zin te regelen (vgl. onder meer EHRM 22 juni 1999, no. 46757/99, Della Ciaja en anderen tegen Italië, BNB 2002/398), en het zojuist genoemde arrest van het EHRM in de zaak Burden, paragraaf 60). Indien het niet gaat om onderscheid op basis van aangeboren kenmerken van een persoon, zoals geslacht, ras en etnische afkomst, dient het oordeel van de wetgever daarbij te worden geëerbiedigd, tenzij het van redelijke grond ontbloot is (vgl. onder meer EHRM 12 april 2006, Stec en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 65731/01, RSV 2007/44, paragraaf 52, en EHRM 4 november 2008, Carson en anderen tegen het Verenigd Koninkrijk, no. 42184/05, paragrafen 73 en 80). Dit laatste kan niet snel worden aangenomen. Het onderscheid moet van dien aard zijn dat de keuze van de wetgever evident van redelijke grond ontbloot is (“manifestly without reasonable foundation”, zie EHRM 7 juli 2011, Stummer tegen Oostenrijk, no. 37452/02, paragraaf 89, met verdere verwijzingen).”

2. Uit de overwegingen van de Hoge Raad is af te leiden dat de wetgever in fiscale aangelegenheden een ruime beoordelingsvrijheid heeft. De toets is of de keuze van de wetgever om voor ondernemers die een bestelauto meer dan bijkomstig bezigen in het kader van hun onderneming een laag motorrijtuigenbelastingtarief in te voeren, evident van redelijke grond ontbloot is.

3. De Hoge Raad heeft zich eerder uitgesproken over de grijskentekenregeling voor ondernemers. De Hoge Raad heeft onder meer het volgende overwogen (arrest van 10 september 2010, nr. 08/04653, ECLI:NL:HR:2010:BK3101):

“3.2.1. Het Hof heeft geoordeeld dat de wetgever met het opnemen in de Wet van een lager tarief voor die bestelauto's welke worden gehouden door ondernemers, niet in strijd is gekomen met het op grond van de hiervoor vermelde verdragsbepalingen geldende verbod van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen de bedoeling van de wetgever om met betrekking tot het gebruik van een bestelauto door een ondernemer die de auto meer dan bijkomstig in het kader van zijn onderneming gebruikt, geen lastenverzwaring tot stand te brengen.

3.2.2. Middel 1 dat zich met een rechtsklacht richt tegen het hiervoor in 3.2.1 vermelde oordeel, faalt. 's Hofs oordeel is juist. Het gelijkheidsbeginsel verzet zich niet tegen een regeling als de onderhavige die een verschillende fiscale behandeling kent van binnen de ondernemingssfeer gebruikte en binnen de privésfeer gebruikte goederen. Derhalve stond het de wetgever vrij in dit geval onderscheidende betekenis toe te kennen aan het al of niet (meer dan bijkomstig) binnen het kader van een onderneming gebruikt worden van een bestelauto.”

4. De Hoge Raad heeft in zijn onder 3 aangehaalde arrest geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel zich er niet tegen verzet dat de grijskentekenregeling uitsluitend is behouden voor ondernemers en is afgeschaft voor particulieren, zoals eiser. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank zal deze conclusie hierna motiveren.

5. De rechtbank verwerpt om te beginnen het standpunt van eiser dat aan de objectieve rechtvaardigingsgrond voor regelingen die het dagelijks leven raken en (meer) politieke en maatschappelijke aandacht trekken dan gemiddeld, zoals autobelastingen, hogere eisen mogen worden gesteld. Voor deze opvatting is in de jurisprudentie geen steun te vinden. In fiscale aangelegenheden heeft de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid, en eiser heeft niet duidelijk gemaakt waarom op dit door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt voor autobelastingen. Dat regelingen zoals de onderhavige kennelijk voor maatschappelijke beroering (blijven) zorgen, is binnen het onder 1 uiteengezette toetsingskader niet van belang. De wetgever is in dezen de bevoegde staatsmacht. De rechtbank zal daarom niet afwijken van het onder 1 beschreven toetsingskader.

6. De rechtbank stelt voorop dat de grijskentekenregeling twee voorwaarden kent:
1) de belastingplichtige die hiervan gebruik wil maken, is ondernemer op de voet van artikel 7 van de Wet OB, en 2) de bestelauto wordt meer dan bijkomstig in het kader van de onderneming gebruikt. Gelet op de ratio van de regeling, namelijk het voorkomen van lastenverzwaring voor ondernemers, dienen beide voorwaarden gezamenlijk in de beoordeling te worden betrokken en niet afzonderlijk. Om deze reden zullen de recente ontwikkelingen die eiser aanvoert om zijn standpunt te onderbouwen dat de grijskentekenregeling voor ondernemers tegenwoordig (wel) tot discriminatie leidt, worden beoordeeld aan de hand van beide voorwaarden.

7. Eiser heeft aangevoerd dat het begrip ‘ondernemer’ zoals bedoeld in artikel 7 van de Wet OB sinds het tijdvak waarop het onder 3 aangehaalde arrest betrekking had (2005) is gewijzigd en dat het ondernemerschap voor een aanzienlijk grotere groep personen is weggelegd. In combinatie met de gebruikseis, die een ondernemer de gelegenheid biedt om tegen een laag motorrijtuigenbelastingtarief 90% privé met een bestelauto te rijden, is het onderscheid met particulieren erg klein geworden en is ongelijke behandeling van deze (nagenoeg) gelijke gevallen niet houdbaar. De rechtbank stelt in dit verband voorop dat ondernemers en particulieren geen gelijke gevallen zijn, ook niet nagenoeg. Op btw-ondernemers drukken bepaalde (administratieve) verplichtingen die particulieren niet hebben. Bovendien zorgt de gebruikseis ervoor dat de ondernemer de bestelauto tenminste meer dan bijkomstig binnen zijn onderneming bezigt. Gelet op de eigenschappen van een bestelauto, ligt voor de hand dat dit zakelijk gebruik in de regel plaatsvindt. De grijskentekenregeling voor ondernemers is in haar geheel beschouwd niet evident van redelijke grond ontbloot. Hierna zal de rechtbank specifiek ingaan op hetgeen eiser op dit punt heeft aangevoerd.

8. Dat eigenaren van zonnepanelen op de voet van artikel 7 van de Wet OB als ondernemer dienen te worden aangemerkt, heeft niet tot gevolg dat deze ondernemers aanspraak kunnen maken op de grijskentekenregeling. De rechtbank ziet niet in hoe deze personen op normale wijze aan de gebruikseis kunnen voldoen. Hetzelfde geldt voor eigenaren van vakantiewoningen en verhuurders van garageboxen. Indien commissarissen en zelfstandige bestuurders voor bezoeken aan relaties en de door hen gecontroleerde of bestuurde onderneming(en) een bestelauto gebruiken, past dit binnen de ratio van de grijskentekenregeling. Dat een directeur-grootaandeelhouder (wederom) lid kan worden van een fiscale eenheid en zo aanspraak kan maken op de grijskentekenregeling, berust op een onjuiste lezing van de aangehaalde jurisprudentie (o.a. arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 9 april 2013, zaak C-85/11, Commissie tegen Ierland). Hoe het ook zij, er bestaan tussen eiser en de hiervoor bedoelde groepen voldoende feitelijke en juridische verschillen. Indien en voor zover eiser bedoelt te stellen dat een ieder op eenvoudige wijze ondernemer op de voet van artikel 7 van de Wet OB kan worden, heeft te gelden dat niets eiser belet om een economische activiteit te verrichten. Op wetgevend niveau bestaat geen aanleiding om eiser te volgen in zijn conclusie dat (nagenoeg) gelijke gevallen ongelijk worden behandeld.

9. Dat ondernemers op creatieve wijze misbruik van de grijskentekenregeling zouden maken, zoals de voorzitter van de Stichting Belangen Grijskentekenhouders ter zitting heeft benadrukt, betekent nog niet dat deze regeling naar particulieren, zoals eiser, moet worden uitgebreid. Oneigenlijk gebruik c.q. misbruik moet worden bestreden en mag niet tot gevolg hebben dat anderen, die aan geen enkele voorwaarde voldoen, ook van de misbruikte regeling gebruik kunnen maken.

10. De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat op wetgevend niveau geen sprake is van discriminatie. Hierna zal de door eiser gestelde discriminatie op uitvoerend niveau worden beoordeeld.

11. Verweerder heeft ter zitting weersproken dat er voor de grijskentekenregeling voor ondernemers begunstigend beleid zou worden gevoerd. Aangezien eiser niets heeft aangevoerd waaruit de tegenovergestelde conclusie kan worden getrokken, is de rechtbank van oordeel dat in zoverre geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Het enkele noemen van twee namen van vermeend begunstigend behandelde ondernemers in de pleitnota acht de rechtbank volstrekt onvoldoende, temeer nu niet is gebleken dat aan de zijde van verweerder sprake is van (een oogmerk van) begunstiging.

12. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij als gevolg van een gebrek aan handhaving aan de zijde van verweerder ook gebruik kan maken van de grijskentekenregeling voor ondernemers. Verweerder heeft ter zitting weersproken dat er niet gecontroleerd of gehandhaafd zou worden. De rechtbank heeft geen reden om aan de uitlating van verweerder te twijfelen. De rechtbank voegt ten overvloede toe dat, zelfs al zou er een gebrek aan handhaving zijn, dit nog niet automatisch tot honorering van eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel dient te leiden (arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014, nr. 13/02842, ECLI:NL:HR:2014:2923). Niet is gebleken dat, bijvoorbeeld, aan verweerder de mogelijkheid is geboden om alsnog te controleren en, indien van toepassing, na te heffen. Het is niet voldoende om zonder enige onderbouwing te stellen dat niet wordt gehandhaafd en dat verweerder bewust zou berusten in oneigenlijk gebruik of misbruik van de grijskentekenregeling voor ondernemers. Het enkele noemen van twee namen is niet voldoende.

13. Dat, zoals eiser heeft gesteld, voldoening aan de gebruikseis niet te controleren zou zijn, kan eiser evenmin baten. Een mogelijk praktisch controleprobleem kan niet tot gevolg hebben dat de grijskentekenregeling in strijd met de bedoeling daarvan moet worden uitgebreid naar particulieren zonder enig zakelijk gebruik. Bovendien heeft verweerder ter zitting aan de hand van voorbeelden weersproken dat het gebruik niet te controleren zou zijn.

14. De rechtbank komt tot de tussenconclusie dat op uitvoerend niveau evenmin sprake is van discriminatie.

15. De eindconclusie luidt dat de grijskentekenregeling niet discriminatoir is en dat het gelijkheidsbeginsel niet wordt geschonden. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Proceskosten

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.A. Carter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 november 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,

1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.