Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:1011

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-02-2014
Datum publicatie
05-03-2014
Zaaknummer
AWB-14_145
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep wegens niet tijdig beslissen. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanvraag tot stand is gekomen, zodat verweerder niet in gebreke is tijdig te beslissen. Eisers stelling dat met zijn eerder schriftelijke aanvraag een aanvraag is ingediend kan niet slagen, omdat op grond van artikel 41, vierde lid, van de WWB bij alleenstaanden jonger dan 27 jaar - zoals eiser ten tijde van de onderhavige aanvraag - de aanvraag om bijstand niet eerder wordt ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en niet eerder dan vier weken na die melding, door verweerder in behandeling wordt genomen. Deze bepaling is van dwingend recht. Vast staat dat eiser niet vier weken na de melding bij verweerder een aanvraag heeft ingediend.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht, geldigheid: 2014-03-05
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 14 / 145

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats],eiser

(gemachtigde: mr. W.G. Fischer),

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem, verweerder

Procesverloop

Bij brief van 6 januari 2014 heeft eiser bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag om een uitkering op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) van 10 oktober 2013.

Overwegingen

1.

De rechtbank gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden. Eiser heeft geen vaste woon- of verblijfplaats. Eisers gemachtigde heeft op 10 oktober 2013 aan verweerder een brief gestuurd met als aanhef: “Aanvraag WWB, voorschot wegens broodnood & postadres”. Op 17 oktober 2013 is eiser op een afspraak bij verweerder verschenen. Eiser is jonger dan 27 jaar. Met het oog hierop is eiser een zogenaamde zoektermijn van vier weken opgelegd. Aan eiser is op de afspraak een brief meegegeven, waarin is aangegeven aan welke voorwaarden hij moest voldoen. Daarbij is tevens aangegeven dat eiser op 14 november 2013 binnen één week digitaal een WWB-aanvraag kan indienen. Eiser heeft geen digitale aanvraag ingediend. Op 16 december 2013 heeft eiser verweerder schriftelijk in gebreke gesteld.

2.

Eiser stelt zich op het standpunt dat op 10 oktober 2013 een aanvraag tot stand is gekomen, en dat verweerder hier niet tijdig op heeft beslist.

3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen aanvraag tot stand is gekomen, zodat er verweerder niet in gebreke is te beslissen op deze aanvraag.

4.

Ingevolge artikel 8:55b, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doet de rechtbank, indien het beroep is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, binnen acht weken nadat het beroepschrift is ontvangen en aan de vereisten van artikel 6:5 van de Awb is voldaan, uitspraak met toepassing van artikel 8:54 van de Awb, tenzij de rechtbank een onderzoek ter zitting noodzakelijk acht. In het onderhavige geval acht de rechtbank een onderzoek ter zitting niet noodzakelijk, zodat met toepassing van artikel 8:54 van de Awb uitspraak wordt gedaan.

5.

Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen.

6.

Op grond van artikel 4:13, eerste lid, van de Awb dient een beschikking te worden gegeven binnen de bij wettelijk voorschrift bepaalde termijn of, bij het ontbreken van zulk een termijn, binnen een redelijke termijn na ontvangst van de aanvraag. In het tweede lid van artikel 4:13 van de Awb - voor zover hier van belang - is bepaald dat de in het eerste lid bedoelde redelijke termijn in ieder geval is verstreken wanneer het bestuursorgaan binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag geen beschikking heeft gegeven, noch een mededeling als bedoeld in artikel 4:14, derde lid, heeft gedaan.

7.

Op grond van artikel 41, vierde lid, van de WWB wordt een aanvraag van algemene bijstand die alleen ziet op alleenstaanden en alleenstaande ouders jonger dan 27 jaar en gehuwden waarvan beide echtgenoten jonger dan 27 jaar zijn niet eerder ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en wordt niet eerder dan vier weken na die melding door het college in behandeling genomen.

8.

In geschil is de vraag of op 10 oktober 2013 een aanvraag tot stand is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat er op 10 oktober 2013 geen aanvraag tot stand is gekomen. Eisers stelling dat met de schriftelijke aanvraag van 10 oktober 2013 een aanvraag is ingediend kan niet slagen, omdat op grond van artikel 41, vierde lid, van de WWB bij alleenstaanden jonger dan 27 jaar - zoals eiser ten tijde van de onderhavige aanvraag - de aanvraag om bijstand niet eerder wordt ingediend dan vier weken na de melding, bedoeld in artikel 44, en niet eerder dan vier weken na die melding, door verweerder in behandeling wordt genomen. Deze bepaling is van dwingend recht. Vast staat dat eiser niet vier weken na de melding bij verweerder een aanvraag heeft ingediend.

9.

Omdat geoordeeld moet worden dat op 10 oktober 2013 geen aanvraag tot stand is gekomen, is verweerder niet in gebreke tijdig te beslissen op deze aanvraag, zodat op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb de mogelijkheid tot het indienen van beroep wegens niet tijdig beslissen, niet open staat. Het beroep is dan ook niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. G. Guinau, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2014

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij deze rechtbank.

Het verzet dient gedaan te worden door het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.