Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10086

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
24-07-2014
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
C/14/155860 / FA RK 14-1526 en C/14/155870 / KG ZA 4/228
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet tijdelijk huisverbod

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank NOORD-HOLLAND

Sectie Familie & Jeugd

locatie Alkmaar

voorzieningenrechter

Wet tijdelijk huisverbod

zaak-/rekestnummers: C/14/155860 / FA RK 14-1526 (voorlopige voorziening) en

C/14/155870 / KG ZA 4/228 (hoofdzaak)

in de zaken van:

[eiser], verzoeker, tevens eiser (hierna: eiser),

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. M.P.J. Appelman, advocaat te Enkhuizen,

en

[verweerder],

verweerder,

zetelende te [plaats],

in welke zaken belanghebbenden zijn:

[belanghebbenden]

[belanghebbenden],

beiden wonende te [woonplaats].

1 De procedure

1.1.

Bij besluit van 13 juli 2014 heeft verweerder aan eiser een huisverbod als bedoeld in de Wet tijdelijk huisverbod (hierna: Wth) opgelegd voor de periode van 10 dagen, van 13 juli 2014 13:59 uur tot 23 juli 2014 13:59 uur.

1.2.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 16 juli 2014 beroep ingesteld, waarin hij verzoekt het bestreden besluit te vernietigen. Voorts verzoekt hij te bepalen dat belanghebbenden de woning van eiser per ommegaande met behulp van de sterke arm dienen te verlaten, en dat belanghebbenden niet meer in de woning mogen terugkeren. Tot slot is verzocht om een proceskostenveroordeling.

1.3.

Voorts heeft eiser bij brief van 16 juli 2014 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2014. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mevrouw [mevrouw] en mevrouw [mevrouw].

Voorts zijn verschenen: [belanghebbenden], belanghebbenden.

2 De beoordeling

2.1.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft de man zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken, gelet op de beschikking van de burgemeester van 21 juli 2014 13.30 uur waarbij vanaf dat moment de intrekking is gelast van het aan eiser opgelegde huisverbod.

2.3.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Een inhoudelijke behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening heeft, gelet op voormelde intrekking, niet plaatsgevonden. Met instemming van partijen heeft ter zitting wel nader onderzoek plaatsgevonden in de hoofdzaak. Aangezien alle voor de beslissing relevante feiten en omstandigheden aan de orde zijn geweest, meent de rechtbank dat nader onderzoek in dit geval redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Daarom zal de rechtbank onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.4.

De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid. Daarnaast dient de rechtbank ambtshalve te beoordelen of het bestreden besluit zorgvuldig is voorbereid en deugdelijk is gemotiveerd.

2.5.

Op grond van artikel 2 van de Wth kan de burgemeester een huisverbod opleggen aan een persoon indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat diens aanwezigheid in de woning ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die met hem in de woning wonen of daarin anders dan incidenteel verblijven of indien op grond van feiten of omstandigheden een ernstig vermoeden van dit gevaar bestaat.

2.6.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de relatie met belanghebbenden, die sinds april 2013 bij eiser inwonen, niet goed is. Er is veel ruzie en er is geen oplossing voor de problematiek. Volgens verweerder heeft eiser aangegeven dat er een “knop omging”. Er was een grote vrees voor escalatie; het slachtoffer,[belanghebbende], zou de week volgend op het gegeven huisverbod alleen in de woning met eiser verblijven door afwezigheid van de zoon van eiser in verband met zijn werk.

2.7.

Eiser heeft aangevoerd dat de situatie volgens hem onjuist is beoordeeld in die zin, dat juist belanghebbenden de woning hadden moeten verlaten. Eiser is eigenaar van de woning, eiser betaalt alle lasten en eiser heeft belanghebbenden slechts tijdelijk toestemming gegeven om in zijn woning te verblijven. Toen de toestemming er niet meer was hebben belanghebbenden geweigerd de woning te verlaten.

2.8.

De rechtbank stelt voorop dat de aanwezigheid van de door verweerder gestelde feiten en omstandigheden vol dient te worden getoetst. Uit artikel 9 van de Wth volgt dat de gebruikmaking van de bevoegdheid door de burgemeester in een concreet geval slechts terughoudend door de rechter kan worden getoetst. Dit betekent dat die gebruikmaking slechts dan rechtens onaanvaardbaar moet worden geacht indien geoordeeld moet worden dat de burgemeester bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik van die bevoegdheid heeft kunnen maken.

2.9.

De rechtbank heeft het beroep ter zitting gegrond verklaard. Het bestreden besluit is genomen in strijd met het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde vereiste dat een besluit deugdelijk is gemotiveerd. Het bestreden besluit zal om die reden worden vernietigd. Artikel 2 van de Wth, vierde lid, vermeldt dat het huisverbod in ieder geval bevat (a) een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor het geldt, (b) de feiten en omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod, en (c) de namen van personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen geldt. Hoewel is voldaan aan het vermelde onder sub a en sub c, heeft verweerder nagelaten in het besluit tot het opleggen van het tijdelijk huisverbod aan te geven wat de feiten en omstandigheden zijn geweest die aanleiding hebben gegeven tot het opleggen van het huisverbod. Uit het besluit blijkt niet welk concreet incident zich heeft afgespeeld, tegen wie de agressie van eiser was gericht, wat de omstandigheden waren waaronder het incident heeft plaatsgevonden en waarom verweerder er – juist gelet op de door eiser genoemde omstandigheden – voor heeft gekozen aan eiser en niet aan [belanghebbende] een tijdelijk huisverbod op te leggen. De rechtbank is voorts van oordeel dat bij de vernietiging van het bestreden besluit wel de rechtsgevolgen in stand dienen te blijven nu, gelet op hetgeen ter zitting naar voren is gebracht omtrent het voorval tussen eiser en [belanghebbende], de rechtbank van oordeel is dat verweerder in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen eiser een tijdelijk huisverbod op te leggen. De door eiser genoemde omstandigheden, te weten dat hij eigenaar is van de woning, alle lasten betaalt en de belanghebbenden slechts tijdelijk toestemming heeft gegeven om in zijn woning te verblijven, maken dit oordeel niet anders. Het huisverbod is immers geen straf, maar een maatregel in situaties waarbij er een acute en dringende behoefte bestaat aan het creëren van een afkoelingsperiode om verdere escalatie te voorkomen en waarin maatregelen genomen kunnen worden om de dreiging van huiselijk geweld weg te nemen. Eiser heeft [belanghebbende] – na hoogoplopende irritaties en over en weer op goederen geuite agressie – aangevallen en is daarmee de voornaamste agressor geweest. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dan ook in redelijkheid van zijn discretionaire bevoegdheid tot oplegging van het huisverbod gebruik heeft gemaakt.

2.10.

Nu het beroep gegrond is verklaard zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, van de Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt en de gemeente Drechterland als rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten bedragen op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) € 944,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1) en € 472,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1), derhalve in totaal een bedrag van € 1.416,-.

2.11.

De voorzieningenrechter zal eiser niet-ontvankelijk verklaren in zijn overige verzoeken, nu dergelijke verzoeken bij de civiele rechter met een dagvaarding dienen te worden ingeleid.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verklaart het beroep gegrond;

3.2.

vernietigt het bestreden besluit van 13 juli 2014;

3.3.

bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

3.4.

veroordeelt verweerder in de proceskosten en wijst de gemeente [gemeente] aan als de rechtspersoon die € 1.416,- dient te betalen aan eiser in verband met de redelijkerwijs gemaakte proceskosten voor het verzoek om een voorlopige voorziening en in verband met het beroep;

3.5.

verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn overige verzoeken.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M. van Weely, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Broek-Hartenberg, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2014.

Tegen deze uitspraak kunnen belanghebbenden – in elk geval de eisende partij – en verweerder hoger beroep in stellen. Hoger beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een brief (beroepschrift) en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.