Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10018

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
20-10-2014
Datum publicatie
28-10-2014
Zaaknummer
15/820709-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; witwassen en opzettelijk niet voldoen aan aangifteplicht te Schiphol alsmede bezit verdovende middelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Haarlemmermeer

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/820709-14 (P)

Uitspraakdatum: 20 oktober 2014

Tegenspraak

Vonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

6 oktober 2014 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres

[adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwaag.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. E. van Doorn en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A. Çimen, advocaat te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering van het onder 1 ten laste gelegde, ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 16 juli 2014, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (ter waarde van circa EURO 110.810), althans enig geldbedrag, de herkomst en/of vindplaats heeft verborgen en/of heeft verhuld en/of (van) (een) voorwerp(en), te weten voornoemde hoeveelheid geld, voorhanden heeft gehad en/of gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.

Feit 2:

hij op of omstreeks 16 juli 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van (schriftelijke) (volledige en/of juiste) aangifte, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij toen en daar geen, onvolledig of onjuiste, aangifte

gedaan (tevens door te verklaren dat hij, verdachte, een bedrag van EURO 3.000,= bij zich had), terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen ten

bedrage van EURO 10.000 of meer vervoerde, te weten (in totaal circa) EURO 110.810,-.

Feit 3:

hij op of omstreeks 16 juli 2014 in de gemeente Baarn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,5 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Feit 4:

hij op of omstreeks 16 juli 2014 in de gemeente Baarn, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 759 gram hennep, althans een aantal henneptoppen, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. Met betrekking tot feit 3 en 4 heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak ten aanzien van het medeplegen. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd de verbeurdverklaring van het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van in totaal € 110.810,-. Met betrekking tot het in de woning van verdachte aangetroffen, in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van in totaal

€ 2.880,-, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit bedrag teruggegeven dient te worden aan verdachte.

3.2. Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw van verdachte bepleit dat het onder verdachte aangetroffen geldbedrag van verdachte is en is verkregen uit eigen misdrijf. Volgens de raadsvrouw heeft verdachte dit geld uitsluitend voorhanden gehad. Nu het geld afkomstig is uit eigen misdrijf, is het enkel voorhanden hebben onvoldoende om tot de kwalificatie van witwassen te komen. Verdachte dient dan ook te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Subsidiair, voor zover de rechtbank aannemelijk acht dat verdachte een geldkoerier is, heeft de raadsvrouw van verdachte verzocht [getuige 1] en [getuige 2] te doen horen als getuigen. De verdediging acht het noodzakelijk deze getuigen te horen, nu er een verband tussen deze twee getuigen en verdachte wordt aangenomen.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw van verdachte vrijspraak bepleit aangezien verdachte geen opzet, ook niet in voorwaardelijke zin, had op het niet doen van aangifte.

Ten aanzien van feit 3 en 4 heeft de raadsvrouw van verdachte zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3. Partiële vrijspraak (ten aanzien van het medeplegen)
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten tezamen en in vereniging met anderen heeft begaan. Uit het dossier noch het verhandelde ter terechtzitting kan worden afgeleid dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en een ander. De rechtbank spreekt de verdachte dan ook vrij voor het onder 3 en 4 ten laste gelegde voor zover het betreft het medeplegen.

3.4. Redengevende feiten en omstandigheden1

Ten aanzien van feit 1 en 2

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten op grond van het volgende.

Op 16 juli 2014 bevindt verdachte zich bij Gate E22 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, alwaar hij vanuit Brussel via Schiphol wil uitreizen naar Panama City (Panama).2 Naar aanleiding van een controleopdracht van het Customs Control Center hebben verbalisanten in de bagagekelder de ruimbagage van verdachte aan een controle onderworpen. Tijdens de controle van de koffer van verdachte zien verbalisanten twee tijdschriften. Bij het bladeren door de tijdschriften zien verbalisanten meerdere biljetten van 500 euro tussen enkele bladzijden. Tevens ziet de verbalisant in een toilettas in de koffer van verdachte een bus scheerschuim. De verbalisant draait de bodem van de bus los en ziet dat de inhoud van de bus bestaat uit biljetten van 500 euro.3 Verdachte wordt vervolgens door medewerkers van de Douane bij de Gate aan een controle onderworpen. Op de vraag of verdachte in het bezit is van een aangifteformulier van de Douane, antwoordt verdachte ontkennend. Op de vraag of verdachte die dag aangifte bij de Douane heeft gedaan, antwoordt verdachte eveneens ontkennend. Op de vraag met hoeveel geld hij in totaal reist, antwoordt verdachte dat hij met € 3.000,- reist. Tijdens de controle van de handbagage van verdachte ziet de verbalisant losse biljetten.4 Na telling blijkt in de handbagage een bedrag van € 2.810,- te zijn aangetroffen en het in de koffer van verdachte aangetroffen geldbedrag is € 108.000,- groot. Het in beslaggenomen geldbedrag is samengesteld uit de volgende coupures: 220 biljetten van 500 euro, 12 biljetten van 50 euro, 10 biljetten van 20 euro en 1 biljet van 10 euro.5

Ten aanzien van feit 3 en 4

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank – nu verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit – zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het uitpakken verdovende middelen d.d. 17 juli 2014 (dossierbijlage AH-005);

een schriftelijk stuk, inhoudende een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 4 augustus 2014 (dossierbijlage AH-005B);

het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van ambtshandeling d.d. 8 september 2014 (dossierbijlage AH-016).

3.5. Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1

Voor bewezenverklaring van het misdrijf “witwassen” is vereist dat komt vast te staan dat het desbetreffende geldbedrag middellijk of onmiddellijk van enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat wist dan wel redelijkerwijs had moeten vermoeden.

De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat niet zelden via Schiphol grote bedragen in contanten, die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn, worden in- of uitgevoerd. Verdachte heeft in eerste instantie bij de Douane verklaard dat hij een bedrag van € 3.000,- bij zich had, terwijl dit € 110.810,- bleek te zijn. Voorts is het hoogst ongebruikelijk om een dergelijk bedrag fysiek te vervoeren, gelet op de veiligheidsrisico’s waarmee dit gepaard gaat. Tevens is bekend dat coupures van 500 euro nagenoeg alleen in het criminele circuit worden gebruikt. Verder is opmerkelijk dat het geld grotendeels was verborgen tussen twee tijdschriften en in een bus scheerschuim in de ruimbagage van verdachte.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat deze feiten en omstandigheden een vermoeden van witwassen rechtvaardigen. Alsdan mag van verdachte verlangd worden dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand als hoogst onwaarschijnlijk aan te merken verklaring geeft voor de (legale) herkomst van dat geldbedrag.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het geld van hem is. Volgens verdachte heeft hij dit geld deels verdiend met de verkoop van hennep afkomstig van de in zijn garage aangetroffen hennepplantage en deels betreft het zwarte inkomsten die hij de afgelopen jaren in de bouw met klussen heeft verdiend. Verdachte zegt de verkoopopbrengst van de hennep voornamelijk te hebben laten uitbetalen in coupures van 500 euro en voorts heeft hij een deel van het geld dat hij heeft verdiend bij personen omgewisseld in coupures van 500 euro. Volgens verdachte heeft hij het geld gedurende een periode van meerdere jaren bij elkaar gespaard en was hij op weg naar Panama om het geld daar veilig te stellen in een kluis.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte met betrekking tot de herkomst van het geld onvoldoende onderbouwd en dermate vaag en algemeen is, dat deze terzijde moet worden gesteld. Verdachte heeft geen enkele concrete, verifieerbare gegevens verstrekt waaruit blijkt dat hij in de afgelopen jaren zwart geld heeft verdiend met het verrichten van klussen, zodat omvang noch afkomst van dat deel kan worden vastgesteld. Voor het overige deel, voor zover een deel van het bij verdachte aangetroffen geld al afkomstig zou zijn uit de opbrengst van de hennepplantage, geldt dat evenmin aannemelijk is geworden wat de omvang van die opbrengsten is geweest. Uit de voorhanden stukken met betrekking tot de aangetroffen hennepplantage is dat niet zondermeer te destilleren, mede gelet op het feit dat verdachte niet heeft willen verklaren over de kosten die hij heeft gemaakt voor de hennepplantage. Ook betrekt de rechtbank hierbij de uitlatingen van zijn partner omtrent de zorgelijke financiële situatie van het gezin en de omstandigheid dat verdachte en zijn partner een doorlopend krediet van behoorlijke omvang hebben. Bij die stand van zaken acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij jaren lang geld, afkomstig uit eigen misdrijf, heeft opgepot in zijn huis met als doel dit thans ergens, te weten in een kluis in Panama, veilig te stellen, ongeloofwaardig. Ook zonder zichzelf te belasten had verdachte meer informatie kunnen en moeten verschaffen over de herkomst van het geld.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden alsmede de verklaring van verdachte waaruit blijkt dat hij geen concrete, verifieerbare gegevens kan verstrekken over de herkomst van het geld, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het aangetroffen geld onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf en dat verdachte dat wist. Op basis van het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende aannemelijk geworden dat het misdrijf door verdachte zelf is begaan. Het onder 1 ten laste gelegde feit is mitsdien wettig en overtuigend bewezen.

Het voorwaardelijk verzoek van de raadsvrouw om [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen te horen wijst de rechtbank af omdat de rechtbank dit niet noodzakelijk acht, nu voor de bewezenverklaring niet relevant is of er een verband bestaat tussen verdachte en genoemde getuigen.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij zich niet bewust was van het feit dat hij aangifte had moeten doen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich voorafgaande aan zijn voorgenomen reis vanuit Brussel via Schiphol naar Panama ervan had moeten vergewissen of op hem de verplichting tot het doen van aangifte rustte. Nu verdachte ieder onderzoek naar zijn verplichting tot het doen van aangifte achterwege heeft gelaten, is sprake van overtreding van het bepaalde in artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. De omstandigheden dat verdachte in Brussel niet is gevraagd naar het al dan niet doen van aangifte en dat verdachte op Schiphol de vragen van de douanebeambte wellicht anders heeft opgevat, doen aan het voorgaande niet af. Het onder 2 ten laste gelegde feit is mitsdien eveneens wettig en overtuigend bewezen.

3.6. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat

feit 1:

hij op 16 juli 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, van een hoeveelheid geld (ter waarde van circa EURO 110.810,-, de herkomst heeft verborgen en verhuld en voornoemde hoeveelheid geld voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag geheel of gedeeltelijk -onmiddellijk of middellijk- afkomstig was uit enig misdrijf.

feit 2:

hij op 16 juli 2014 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk, niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot het doen van aangifte, zoals bedoeld in artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten, immers heeft hij toen en daar geen aangifte gedaan, terwijl hij die Gemeenschap binnenkwam of verliet en liquide middelen ten bedrage van EURO 10.000 of meer vervoerde, te weten (in totaal circa) EURO 110.810,-.

feit 3:

hij op 16 juli 2014 in de gemeente Baarn opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 11,5 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne.

feit 4:

hij op 16 juli 2014 in de gemeente Baarn opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de Kemphaanstraat 11 een hoeveelheid van ongeveer 759 gram hennep.

Hetgeen aan verdachte onder 1 tot en met 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

witwassen;

feit 2

als degene, die uit hoofde van artikel 3 van de Verordening (EG) Nr. 1889/2005 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 oktober 2005 betreffende de controle van liquide middelen die de Gemeenschap binnenkomen of verlaten verplicht is tot het doen van aangifte, deze aangifte opzettelijk niet doen;

feit 3

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de sancties

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden, zulks met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft bepleit dat gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte alsmede het feit dat verdachte een first offender is, kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest en daarnaast kan een deel voorwaardelijk en een taakstraf worden opgelegd.

6.3. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

6.4. Hoofdstraf

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van € 110.810,-. Door dergelijke witwaspraktijken wordt het plegen van criminele activiteiten in stand gehouden en indirect ook bevorderd, immers zonder personen als verdachte die criminele gelden een (schijnbaar) legale herkomst verschaffen, is het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.

Tevens heeft verdachte, die vanuit België, via Nederland, naar Panama wilde reizen, geen aangifte gedaan bij de douane van het feit dat hij een geldbedrag van € 110.810,- bij zich had. Door zo te handelen heeft verdachte niet voldaan aan zijn aangifteplicht en zowel de controle door de douaneautoriteiten op de invoer van liquide middelen, als de belasting ontdoken.

Daarnaast levert het aanwezig hebben van cocaïne en het aanwezig hebben van een aanzienlijke hoeveelheid hennep een gevaar op voor de volksgezondheid en ondersteunt het tevens het in stand houden van drugsgerelateerde criminaliteit.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde komt naar het oordeel van de rechtbank slechts een vrijheidsbenemende straf in aanmerking.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op

het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 15 september 2014, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

De strafeis van de officier van justitie is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd. Noch in de omstandigheden waaronder het feit is begaan, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, vindt de rechtbank aanleiding daarvan af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

6.5. Bijkomende straf (verbeurdverklaring)

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag ad € 110.810,- dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het onder 1 bewezen verklaarde feit met betrekking tot dat geldbedrag, is begaan.

7. Overige beslissingen omtrent in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerpen

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte van oordeel dat het tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte aangetroffen en in beslag genomen geldbedrag van in totaal € 2.280,-, dient te worden teruggegeven aan verdachte, aangezien niet is komen vast te staan dat dit geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

10:1 van de Algemene douanewet;

2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 tot en met 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.

Bepaalt dat de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ZEVEN (7) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag, ter hoogte van € 110.810,-.

Gelast de teruggave aan verdachte van het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 2.280,-.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mr. E.M.M. Gabel en mr. L.C. Bannink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. V.J.M. Goldschmeding,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 20 oktober 2014.

Mr. Bannink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Proces-verbaal van bevindingen door de Douane d.d. 16 juli 2014 (dossierbijlage AH-001).

3 Proces-verbaal van bevindingen en overdracht door de Douane d.d. 16 juli 2014 (dossierbijlage AH-001A).

4 Proces-verbaal van bevindingen door de Douane d.d. 16 juli 2014 (dossierbijlage AH-001).

5 Het bewijs van ontvangst d.d. 16 juli 2014 (dossierbijlage AH-002A).