Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2014:10001

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
30-10-2014
Datum publicatie
05-11-2014
Zaaknummer
AWB - 14 _ 1251
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontslag gemeenteambtenaar, impasee, 8:8 CAR/UWO, toekenning aanvullende en nawettelijke uitkering, redelijkheid en billijkheid, criterium CRVB:2013:BZ1337

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ROR 2014/19
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Alkmaar

Bestuursrecht

zaaknummer: ALK 14/1251

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 oktober 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. L. van Dijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Burghout).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres ontslag verleend per 10 augustus 2011, subsidiair 25 november 2013, met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Den Helder (de Arbeidsvoorwaarden-regeling). Daarbij is bepaald dat geen regeling als bedoeld in artikel 10d:4, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling wordt getroffen.

Bij besluit van 15 mei 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder - onder ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres - het ontslag gehandhaafd per 10 augustus 2011.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 september 2014.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren [geboortedatum], is met ingang van [datum] voor 24 uur per week in dienst getreden bij de gemeente Den Helder als medewerker van de afdeling [naam] van de afdeling [naam]. Op eiseres is van toepassing verklaard de functietypering Div C.

2. Bij besluit van 6 juli 2011 heeft verweerder eiseres de disciplinaire straf van voorwaardelijk ontslag opgelegd met een proeftijd van twee jaar.

Bij besluit van 10 augustus 2011 heeft verweerder het voorwaardelijk ontslag ten uitvoer gelegd met ingang van de dag nadat het besluit aan eiseres is bekendgemaakt. De bezwaren tegen dat besluit en andere daaraan voorafgaande besluiten heeft verweerder ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 mei 2013 (11/2564, 12/43 en 12/415) heeft de rechtbank Alkmaar de verschillende door eiseres ingestelde beroepen gegrond verklaard, de beslissingen op bezwaar vernietigd en de primaire besluiten herroepen. Voor een volledige weergave van de feiten, de verschillende besluiten en de overwegingen van de rechtbank verwijst de rechtbank naar zijn uitspraak van 16 mei 2013. Verweerder heeft tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.

3. Bij besluit van 20 november 2013 heeft verweerder eiseres per 10 augustus 2011, subsidiair 25 november 2013, met toepassing van artikel 8:8 van de Arbeidsvoorwaarden-regeling ontslag verleend. Daarbij is bepaald dat geen ontslaguitkering als bedoeld in artikel 10d:4, derde lid, van de Arbeidsvoorwaardenregeling wordt toegekend.

4. In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaar van eiseres tegen haar ontslag per 10 augustus 2011 ongegrond heeft verklaard, in rechte stand kan houden. Verweerder heeft aan dat ontslag ten grondslag gelegd dat sprake is van onherstelbaar verstoorde verhoudingen tussen eiseres en verweerder. Een voortzetting van het dienstverband kan volgens verweerder niet leiden tot een vruchtbare samenwerking.

Verweerder wijt het ontstaan en voorduren van de impasse volledig aan eiseres en is daarom van mening dat het niet toekennen van een ontslaguitkering redelijk en billijk is.

5. Eiseres kan zich, kort samengevat, niet met verweerders besluit verenigen.

Zij bestrijdt dat de arbeidsverhoudingen dusdanig zijn verstoord dat alleen ontslag nog restte. Verweerder heeft volgens eiseres een ongemeen harde en confronterende opstelling gekozen, in plaats van de-escalerend op te treden in de werkverhoudingen tussen haar en haar direct leidinggevende, de daarboven geplaatste leidinggevende en de jurist van personeelszaken. Ook is verweerder bij zijn besluitvorming voorbijgegaan aan de arbeidsongeschiktheid van eiseres. Eiseres verzet zich tegen de gekozen ontslagdatum en het niet treffen van een aanvullende en nawettelijke regeling. Zij bestrijdt dat haar houding en opstelling aanleiding zijn geweest voor de ontstane situatie.

6. De rechtbank overweegt dat het gaat het om het ontslag van een ambtenaar om redenen van gewichtige aard. De rechtbank dient dit te beoordelen tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) over de reikwijdte van die ontslaggrond. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009: BK0290) kan aan een ontslaggrond als deze toepassing worden gegeven als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verwacht.

7. Gelet op wat uit de stukken is gebleken en in aanmerking genomen wat ter toelichting daarop door partijen ter gelegenheid van de mondelinge behandeling van dit beroep naar voren is gebracht, acht de rechtbank het niet aan twijfel onderhevig dat een impasse is ontstaan als bedoeld in de hiervoor genoemde jurisprudentie.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat sprake is van een ernstig verstoorde en niet te herstellen relatie. De arbeidsrelatie van partijen in de periode vanaf in ieder geval november 2010 tot 10 augustus 2011 was problematisch, waarbij enerzijds verweerder middels een formeel traject heeft getracht eiseres aan te spreken op haar gedrag en houding en anderzijds eiseres zich herhaaldelijk ziek heeft gemeld. Ook in de optiek van eiseres bestonden reeds vanaf 2007 strubbelingen met collega's en leidinggevenden. Dat de door verweerder in dit verband aan eiseres gemaakte verwijten naar het oordeel van de rechtbank in voornoemde uitspraak van 16 mei 2013 eiseres niet als plichtsverzuim aangerekend mogen worden, doet er niet aan af dat gedurende lange tijd geen sprake is geweest van een vruchtbare samenwerking. Verweerder heeft geen vertrouwen in een verdere voortzetting van het dienstverband. Dat eiseres onder voorwaarden het werk voor verweerder zou willen hervatten is daartegenover onvoldoende.

8. Eiseres is van mening dat het ontslag niet met terugwerkende kracht per 10 augustus 2011 kan worden verleend, omdat het strafontslag per die datum door de rechtbank is vernietigd. Volgens eiseres is het in strijd met de rechtszekerheid en de zorgvuldigheid om de feiten die destijds als plichtsverzuim zijn geduid, nu ter onderbouwing van de impasse te gebruiken. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond en deelt niet de mening van eiseres dat de uitspraak van 16 mei 2013 waarbij het strafontslag werd vernietigd, in de weg staat aan het nemen van het nieuwe ontslagbesluit. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB is het niet ten principale ongeoorloofd om de oorspronkelijke ingangsdatum van het ontslag te handhaven, indien deze handhaving de toetsing aan het geschreven en ongeschreven recht kan doorstaan. De rechtbank ziet niet in dat in het geval van eiseres de oorspronkelijke ontslagdatum niet mocht worden gehandhaafd. Eiseres heeft na 10 augustus 2011 geen werkzaamheden voor verweerder meer verricht. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder na de vernietiging van het strafontslag bij eiseres op enig moment de gerechtvaardigde indruk heeft doen ontstaan dat het dienstverband hersteld zou worden. Dat eiseres, naar zij stelt, wel bereid en beschikbaar was om arbeid voor verweerder te verrichten, maakt dat niet anders.

9. Eiseres stelt voorts dat haar ontslag is verleend in strijd met artikel 8:14 van de Rechtspositieregeling. Zij suggereert dat haar kritische houding als lid van de ondernemingsraad haar niet in dank is afgenomen en dat dit voor verweerder aanleiding is geweest haar te ontslaan. De rechtbank verwerpt deze beroepsgrond.

De door eiseres gememoreerde brief van de voorzitter van de ondernemingsraad van 16 september 2011 biedt geen steun voor deze stelling en eiseres heeft haar stelling ook overigens op geen enkele wijze onderbouwd. Verweerder was dan ook niet gehouden om, zoals ter zitting door eiseres is gesteld, hier nader onderzoek naar te verrichten.

10. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was eiseres met toepassing van artikel 8:8 van de Rechtspositieregeling ontslag te verlenen per

10 augustus 2011. Vervolgens is de vraag aan de orde of verweerder, door geheel af te zien van het toekennen van een ontslaguitkering, voor eiseres een passende regeling heeft getroffen.

11. Verweerder heeft, in afwijking van het advies van de Commissie bezwaarschriften rechtspositie ambtenaren van 11 april 2014, besloten geen aanvullende en nawettelijke regeling te treffen. Die commissie heeft geadviseerd eiseres een aanvullende en nawettelijke uitkering toe te kennen en te beoordelen of een nadere uitkering ("plusje") aan de orde is.

Verweerder acht toekenning van een aanvullende en nawettelijke regeling niet redelijk en billijk. Daartoe is, kort gezegd, overwogen dat de loopbaan van eiseres zich kenmerkt door een reeks van conflicten. De daardoor ontstane impasse is volgens verweerder volledig aan de opstelling van eiseres te wijten.

12. Eiseres stelt dat zij op grond van of overeenkomstig artikel 8:8, derde lid, van de CAR/UWO (oud) in elk geval in aanmerking dient te komen voor een minimale uitkeringsregeling die overeenkomt met de aanvullende en aansluitende uitkering overeenkomstig hoofdstuk 10a van de CAR/UWO.

13. De rechtbank overweegt dat bij het toekennen van een ontslaguitkering sprake kan zijn van een aanvullende uitkering die naast de WW-uitkering loopt, en een nawettelijke uitkering die op de WW-uitkering aansluit. De rechtbank stelt vast dat het derde lid van artikel 8:8 van de CAR/UWO bij de wijziging van die regeling van 1 juli 2008 is komen te vervallen. Daarvoor in de plaats geldt dat op grond van artikel 10d:1 van de CAR/UWO hoofdstuk 10d van de CAR/UWO van toepassing is op de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 van de CAR/UWO ontslagen is. Op grond van artikel 10d:4, eerste lid, van de CAR/UWO dient voor een ambtenaar die op voornoemde grond ontslagen wordt een passende regeling getroffen te worden. Op grond van het derde lid van dit artikel, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt bij de vaststelling van die regeling de inhoud van hoofdstuk 10d betrokken voor zover dit redelijk en billijk is.

Door de CRvB is, met het oog op deze wijzigingen van de CAR/UWO, in de uitspraak van 14 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1337) tot een nadere invulling van het in artikel 10d:4, derde lid, van de CAR/UWO vermelde begrip ‘voor zover dit redelijk en billijk is’ gekomen.

14. De rechtbank volgt verweerder niet in het oordeel dat eiseres een overwegend aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen heeft gehad en dat op grond daarvan het niet toekennen van een ontslaguitkering redelijk en billijk is.

De rechtbank ziet geen grond om anders over het optreden van verweerder jegens eiseres te oordelen dan in de uitspraak van 16 mei 2013 is gedaan. Enerzijds heeft verweerder ten aanzien van de problemen in de arbeidsrelatie met eiseres niet steeds adequaat geacteerd.

Verweerder is niet telkens adequaat met de ziekmeldingen van eiseres omgegaan en heeft terwijl een mediationtraject gaande was de druk opgevoerd door dienstopdrachten te verstrekken en disciplinaire maatregelen op te leggen. Anderzijds heeft eiseres zich te terughoudend en afwerend opgesteld ten aanzien van de door verweerder als werkgever genomen initiatieven om het gesprek met haar leidinggevenden aan te gaan. Ook van haar hadden serieuze inspanningen en een constructieve houding verwacht mogen worden om tot een oplossing te komen. Dit acht de rechtbank onvoldoende om de volledige verantwoordelijkheid van de ontstane situatie bij eiseres te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het aandeel van beide partijen in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen toekenning van een boven- en nawettelijke uitkering.

15. Eiseres voert voorts aan dat verweerder het ontslag gepaard had moeten laten gaan met een (extra) ontslagvergoeding, omdat de verhouding tussen partijen door toedoen van verweerder onherstelbaar is verstoord. Voor de hoogte van die uitkering dient naar de mening van eiseres aansluiting te worden gezocht bij de uitspraken van de CRvB van

28 februari 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013: BZ2043 en ECLI:NL:CRVB:2013: BZ2044).

Zij acht verweerder volledig verantwoordelijk voor de ontstane impasse, mede doordat verweerder aan haar arbeidsongeschiktheid is voorbijgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen grond voor het toekennen van een extra ontslagvergoeding. Zoals hiervoor is overwogen hebben beide partijen een evenredig aandeel in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhoudingen. Het aandeel van verweerder is niet zodanig dat de drempel van 51% daarmee wordt overschreden.

16. Het vorenstaande betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover daarbij het treffen van een aanvullende en nawettelijke regeling is geweigerd. De rechtbank ziet om redenen van proces-economie aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en aan eiseres vanaf de datum van het ontslag een aanvullende en nawettelijke uitkering als bedoeld in hoofdstuk 10d van de CAR/UWO toe te kennen. Het primaire besluit wordt in zoverre herroepen.

17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.948,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting van de rechtbank, met een waarde per punt van € 487, en wegingsfactor 1).

Voorts dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de weigering om voor eiseres een aanvullende en nawettelijke regeling te treffen is gehandhaafd;

- herroept het primaire besluit in zoverre en bepaalt dat aan eiseres een boven- en nawettelijke uitkering toekomt zoals omschreven in overweging 19,

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit voor zover dat is vernietigd;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 165,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.948,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser voorzitter, mr. G. Guinau en

mr. L. Beijen, leden, in aanwezigheid van C.H. Kuiper, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 oktober 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.