Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3976

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
C-15-191379 - HA ZA 12-199
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toerekenbare tekortkoming van Wilgenhaege bij uitvoering van vermogensbeheer waarbij het beleggingsbeleid ‘behoudend beheer’ is overeengekomen.

Het beroep van eiser op de verklaringen van getuigendeskundigen in eerdere gerechtelijke procedure wordt gehonoreerd. Onweersproken is gesteld dat elke cliënt die met Wilgenhaege een beheerovereenkomst heeft gesloten met een Behoudend Beheer-profiel dezelfde portefeuille kreeg, op nuances na die alleen het gevolg zijn van het feit dat elke cliënt een ander instapmoment heeft.

Geen sprake van schending van artikel 6:89 BW.

Toekenning van schadevergoeding berekend op grond van vergelijkbaar profiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/882
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/191379 / HA ZA 12-199

Vonnis van 19 juni 2013

in de zaak van

1. [A],

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[C] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisers,

advocaat mr. H.J. Bos,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WILGENHAEGE VERMOGENSBEHEER B.V.,

gevestigd te Hoofddorp,

gedaagde,

advocaat mr. W. de Jong.

Partijen zullen hierna [A], [B], [C] B.V., tezamen [A] c.s., en Wilgenhaege genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 25 juli 2012

- het proces-verbaal van comparitie van 2 november 2012.

1.2. De comparitie van 2 november 2012 is gehouden aansluitend aan de comparitie in de zaak met zaak- / rolnummer 191232 / HA ZA 12-185 (hierna: de zaak 191232). In beide zaken zijn partijen ter zitting door dezelfde raadslieden bijgestaan, Wilgenhaege is in beide zaken gedaagde partij, de dagvaardingen in beide zaken zijn kort na elkaar uitgebracht en in grote lijnen gelijk van opzet, hetgeen ook geldt voor de conclusies van antwoord. Dat heeft ertoe geleid dat aan het begin van de comparitie in onderhavige zaak uitdrukkelijk is besproken dat hetgeen ter zitting aan de orde is gesteld in de zaak 191232 eveneens heeft te gelden als aan de orde gesteld in onderhavige zaak omdat het anders gekunsteld overkomt telkens in herhaling te vallen. Het vorenstaande is niet in het proces-verbaal van de zittingen vermeld.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Wilgenhaege is een beleggingsonderneming en beschikt over een vergunning voor vermogensbeheer en bemiddeling in onder andere verzekeringen.

2.2. Medio 2004 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [A] en [D] van Wilgenhaege. [A] heeft vervolgens besloten zijn vermogen door Wilgenhaege te laten beheren.

2.3. Op 13 mei 2004 heeft [A], tezamen met zijn echtgenote [B], met Wilgenhaege een schriftelijke overeenkomst tot vermogensbeheer (hierna: de beheerovereenkomst met [A] in privé) gesloten. Voor zover van belang is daarin onder meer vermeld:

(…)

HOOFDSTUK 1

BELEGGINGSBELEID BEHOUDEND

Doel:

Het beleggingsbeleid is gericht op het genereren van een hoog direct inkomen uit het belegde vermogen bij een laag koersrisico van de portefeuille.

(…)

Risico:

Het beheer van de portefeuille is gericht op het genereren van positieve rendementen op de lange termijn, bestaande uit direct inkomen en te realiseren koerswinsten. Dit wordt nagestreefd door het vermogen op een defensieve manier in de verschillende assets te beleggen en risico’s waar nodig af te dekken. Het is echter mogelijk dat de waarde van de beleggingen daalt als gevolg van koersdalingen van de effecten.

Verdeling van het vermogen binnen de volgende bandbreedtes, naar inzicht van de beheerder:

Effect Minimum Maximum

Aandelen (incl.pref.aandelen)

Converteerbare obligaties

Reverse convertibles

Bedrijfsobligaties

Staatsobligaties

Vastgoedaandelen

Defensieve optiestrategieën

Special Structured Notes

Futures

Hedgefunds

Cash

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0% 30%

30%

25%

60%

60%

25%

40%

25%

0%

30%

25%

(…)

HOOFDSTUK 7

(…)

7.1

Beheerder zal deze overeenkomst te goeder trouw en naar beste kunnen uitvoeren. Beheerder zal niet aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van waardevermindering en/of door Cliënt geleden verliezen of welke andere oorzaak dan ook, behalve indien er voor zover bekend komt vast te staan dat de schade een rechtstreeks gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van Beheerder bij de uitvoering van deze overeenkomst met bijlagen; in dat geval is de aansprakelijkheid van de Beheerder begrensd op een bedrag dat gelijk is aan maximaal het beheerloon over 2 kalenderjaren, berekend over de waarde van de beleggingen op het moment van de (mogelijke) toerekenbare tekortkoming.

(…)

2.4. Van de beheerovereenkomst maakt onderdeel uit een vragenlijst, getiteld ‘beleggingsprofiel cliënt’, met daarin voorgedrukte aan te kruisen antwoorden.

De door [A] en [B] ingevulde antwoorden, gedateerd 13 mei 2004, komen, voor zover relevant, samengevat neer op het volgende:

- Het voornaamste doel dat zij uiteindelijk met het te beleggen vermogen willen bereiken is om het op termijn te gebruiken als (pensioen)inkomen.

- De periode dat het vermogen kan worden belegd voordat er een groot gedeelte aan moet worden onttrokken is langer dan 5 jaar en korter dan 10 jaar.

- Het inkomen van [A] zal binnen 5 jaar beduidend lager zijn.

2.5. Het vermogen dat [A] in privé aan Wilgenhaege in beheer heeft gegeven bedroeg circa € 310.000,-.

2.6. Op 27 mei 2004 is Wilgenhaege het feitelijk beheer gaan voeren over de portefeuille van [A] in privé.

2.7. Op 2 september 2005 heeft [C] B.V. met Wilgenhaege een schriftelijke overeenkomst tot vermogensbeheer (hierna: de beheerovereenkomst met de vennootschap; tezamen met de beheerovereenkomst van [A] in privé aangeduid als de beheerovereenkomsten) gesloten. Voor zover van belang is in de beheerovereenkomst van de vennootschap vermeld:

(…)

HOOFDSTUK 1

BELEGGINGSBELEID BEHOUDEND

Doel:

Het beleggingsbeleid is gericht op het genereren van een hoog direct inkomen uit het belegde vermogen bij een laag koersrisico van de portefeuille.

(…)

Risico:

Het beheer van de portefeuille is gericht op het genereren van positieve rendementen op de lange termijn, bestaande uit direct inkomen en te realiseren koerswinsten. Dit wordt nagestreefd door het vermogen op een defensieve manier in de verschillende assets te beleggen en risico’s waar nodig af te dekken. Het is echter mogelijk dat de waarde van de beleggingen daalt als gevolg van koersdalingen van de effecten.

Verdeling van het vermogen binnen de volgende bandbreedtes, naar inzicht van de beheerder:

Effect Minimum Maximum

Aandelen (incl.pref.aandelen)

Converteerbare obligaties

Reverse convertibles

Bedrijfsobligaties

Staatsobligaties

Vastgoedaandelen

Defensieve optiestrategieën

Special Structured Notes

Futures

Hedgefunds

Cash

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

0%

30%

30%

25%

60%

60%

25%

40%

25%

0%

30%

100%

(…)

HOOFDSTUK 2

VERGOEDINGEN

Voor het beheren van de portefeuille brengt Wilgenhaege per kwartaal een beheerloon excl. BTW in rekening van

• 0,26%

[Dit percentage is doorgestreept en daarbij is handgeschreven vermeld: 0,24% conform afspraak (beide portefeuilles onder gelijke condities!)]

(…)

HOOFDSTUK 7

(…)

7.1

Beheerder zal deze overeenkomst te goeder trouw en naar beste kunnen uitvoeren. Beheerder zal niet aansprakelijk zijn voor schade als gevolg van waardevermindering en/of door Cliënt geleden verliezen of welke andere oorzaak dan ook, behalve indien er voor zover bekend komt vast te staan dat de schade een rechtstreeks gevolg is van een toerekenbare tekortkoming van Beheerder bij de uitvoering van deze overeenkomst met bijlagen; in dat geval is de aansprakelijkheid van de Beheerder begrensd op een bedrag dat gelijk is aan maximaal het beheerloon over 2 kalenderjaren, berekend over de waarde van de beleggingen op het moment van de (mogelijke) toerekenbare tekortkoming.

(…)

2.8. Van de beheerovereenkomst met de vennootschap maakt onderdeel uit een vragenlijst, getiteld ‘beleggingsprofiel cliënt’, met daarin voorgedrukte aan te kruisen antwoorden. De door [A] ingevulde antwoorden, gedateerd 11 september 2005, komen, voor zover relevant, samengevat neer op het volgende:

- Het voornaamste doel dat hij uiteindelijk met het te beleggen vermogen wil bereiken is het vermogen te laten groeien.

- Bij de vraag naar de periode dat het vermogen kan worden belegd voordat er een groot gedeelte aan moet worden onttrokken is zowel het vakje bij langer dan 5 jaar en korter dan 10 jaar alsook het vakje bij langer dan 10 jaar aangekruist.

- Op de vraag welke van de genoemde punten het beste het verwachte inkomen van cliënt weergeven over de komende 5 jaar, heeft [A] aangekruisd: B. Ik verwacht dat mijn/ons inkomen ongeveer gelijk zal zijn. Bij de vraag naar overige opmerkingen en/of bijzonderheden heeft [A] ingevuld: Inkomsten vooral via managementfee van Londsfort B.V. Managementfee zal komende jaren naar verwachting verdubbelen tot € 10.000,= ex BTW per maand. Salaris zal niet/nauwelijks stijgen naar verwachting.

2.9. Het vermogen dat [C] B.V. aan Wilgenhaege in beheer heeft gegeven bedroeg € 265.681,-.

2.10. In september 2005 is Wilgenhaege het feitelijk beheer over de portefeuille van de vennootschap van [A] gaan voeren.

2.11. In 2007 en 2008 heeft [A] meerdere malen telefonisch, als ook per e-mail zijn ongerustheid en bezorgdheid over de verliezen van de portefeuilles en zijn ongenoegen over het gevoerde beleggingsbeleid aan Wilgenhaege kenbaar gemaakt.

2.12. In een vragenlijst van Wilgenhaege getiteld ‘cliëntprofiel’, ondertekend en gedateerd 11 december 2007, heeft [A], voor zover relevant, de voorgedrukte aan te kruisen antwoorden beantwoord als volgt:

- [A] heeft korter dan drie jaar ervaring met vermogensbeheer.

- Het voornaamste doel dat [A] uiteindelijk met het te beleggen vermogen wil bereiken is het gebruiken als aanvulling op zijn huidige (pensioen)inkomen en vanaf ± 2012 als inkomen (optie).

- Als het genoemde doel niet wordt gehaald heeft dat als gevolg dat [A] zijn levenspeil moet aanpassen.

- De beleggingshorizon is langer dan 5 jaar en korter dan 10 jaar.

- Op de vraag bij welke tussentijdse waardedaling van de portefeuille [A] zich nog comfortabel voelt, is aangekruisd dat (tussentijdse) waardedalingen van minder dan 10 % acceptabel zijn.

- Op de vraag hoe [A] reageert op een zéér forse waardedaling van zijn vermogen is aangekruisd dat hij minimaal een week niet meer slaapt.

- Bij de vraag in welk van de vier beleggingsprofielen [A] zich het meest herkent (behoudend, gematigd offensief, offensief of zeer offensief) is aangekruisd ‘behoudend’ en ‘gematigd offensief’.

2.13. In een e-mailbericht aan Wilgenhaege van 25 augustus 2008 schrijft [A]:

Naar aanleiding van ons telefonisch gesprek vandaag, geef ik u opdracht, door eventueel mogelijke toekomstige onttrekkingen, tot nader bericht geen nieuwe aankopen meer te verrichten. Dit is van toepassing voor de portefeuilles depot nr. (…)

2.14. In een e-mailbericht van 27 mei 2009 aan Wilgenhaege schrijft [A] als volgt:

Bij deze geef ik je opdracht om heden alle stukken/effecten e.d. (m.u.v. Wilgenhaege vastgoed; Stedekroon en propertunity NV) te verkopen en de liquide middelen over te maken naar Velthuyse & Mulder vermogensbeheer.

2.15. Het overgrote deel van de portefeuilles van [A] c.s. is vervolgens overgeboekt naar vermogensbeheerder Velthuyse & Mulder. Een aantal producten van Wilgenhaege kon echter niet worden verkocht, waaronder participaties in Propertunity NL, Wilgenhaege Stedekroon N.V. en Wilgenhaege Vastgoed, en deze zijn in een restantportefeuille van [A] c.s. bij Wilgenhaege gebleven.

2.16. In een vragenlijst van Wilgenhaege getiteld ‘Cliëntprofiel Productenadviesovereenkomst’, op het voorblad met algemene informatie getekend door [A] en gedateerd 25 juni 2010, is, voor zover relevant, op de voorgedrukte aan te kruisen antwoorden als volgt geantwoord:

- Het voornaamste doel dat [A] wil bereiken met het te beleggen vermogen is een noodzakelijke aanvulling op het toekomstige inkomen (aanvulling op pensioen).

- De zogenaamde beleggingshorizon is langer dan 5 jaar, maar korter dan 10 jaar.

- De reactie op een zéér forse tussentijdse waardedaling van het vermogen als gevolg van marktbewegingen is dat [A] daar slapeloze nachten van zou krijgen.

2.17. In een vragenlijst van Wilgenhaege getiteld ‘Cliëntprofiel Productenadviesovereenkomst’, op het voorblad met algemene informatie getekend door [A], namens [C] B.V. en gedateerd 25 juni 2010, is, voor zover relevant, op de voorgedrukte aan te kruisen antwoorden als volgt geantwoord:

- Het voornaamste doel dat [A] wil bereiken met het te beleggen vermogen is een noodzakelijke aanvulling op het toekomstige inkomen (aanvulling op pensioen).

- De beleggingshorizon is langer dan 5 jaar, maar korter dan 10 jaar.

- De reactie op een zéér forse tussentijdse waardedaling van het vermogen als gevolg van marktbewegingen is dat [A] daarvan baalt en het zijn humeur beïnvloedt.

2.18. Bij brieven van 19 oktober 2011 van Wilgenhaege aan [A] c.s. is meegedeeld dat de fondsen Propertunity NL en Wilgenhaege Stedekroon N.V. een structuurwijziging ondergaan die van invloed is op hun beleggingen. Blijkens de bijgevoegde bijlagen betreft de structuurwijziging - samengevat - een wijziging van een open-end naar een closed-end beleggingsinstelling. In de brief wordt [A] c.s. onder meer de mogelijkheid geboden de participaties Propertunity NL en Wilgenhaege Stedekroon N.V. te verkopen tegen een koers van respectievelijk € 21,- en € 24,-.

2.19. [A] c.s. hebben hun participaties Propertunity NL en Wilgenhaege Stedekroon N.V. niet verkocht.

2.20. Bij brief van 25 oktober 2011 heeft [A] aan de Vereniging van Effectenbezitters (hierna: VEB) gevraagd zijn belangen te behartigen teneinde de schade in verband met de dalende koersen en onverkoopbaarheid van de certificaten Propertunity NL, Wilgenhaege Stedekroon N.V. en Wilgenhaege Vastgoed zoveel mogelijk te beperken.

2.21. Bij e-mailbericht van 8 november 2011 heeft VEB [A] – samengevat – geantwoord dat een schadeclaim indienen bij het Klachteninstituut Financiële Dienstverlening of bij de rechtbank tot de mogelijkheden behoort en heeft namen vermeld van advocatenkantoren die ervaring hebben met dit soort procedures.

2.22. Bij brief van 26 januari 2012 heeft de raadsman van [A] c.s. aan Wilgenhaege onder meer als volgt geschreven:

(…)

Cliënten hebben mijn kantoor de opdracht gegeven te onderzoeken, of zij schade hebben gel[e]den door onzorgvuldig handelen van Wilgenhaege bij de totstandkoming en uitvoering van de voormalige beheerrelaties (…)

(…)

Wilgenhaege heeft in beide effectenportefeuilles van cliënten een beheerbeleid gevoerd dat niet in overeenstemming was met de uitgangspunten van het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’. Wilgenhaege heeft daardoor met de pensioenvermogens van cliënten onaanvaardbaar grote risico’s genomen. (…)

2.23. Wilgenhaege heeft bij brief van 9 maart 2012 op de onder 2.22 genoemde brief gereageerd en daarin onder meer aansprakelijkheid voor enige schade ontkend.

3. Het geschil

3.1. [A] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. verklaring voor recht dat Wilgenhaege toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar plichten jegens [A] c.s. en/of dat Wilgenhaege onrechtmatig jegens [A] c.s. heeft gehandeld,

II. veroordeling van Wilgenhaege tot vergoeding van de door [A] in privé geleden schade ad € 39.486,-, vermeerderd met de wettelijke rente, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

III. veroordeling van Wilgenhaege tot vergoeding van de door [A] B.V. geleden schade ad € 76.845,- vermeerderd met de wettelijke rente, althans nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,

IV. veroordeling van Wilgenhaege in de kosten van deze procedure en de buitengerechtelijke kosten, alsmede de nakosten.

3.2. [A] c.s. leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de verplichtingen van Wilgenhaege jegens hen. Daartoe voeren [A] c.s. aan dat Wilgenhaege de vermogens van [A] c.s. heeft beheerd conform een beheer dat strijdig is met de uitgangspunten van het overeengekomen risicoprofiel ‘behoudend beheer’ en dat strijdig is met de doelstellingen en risicobereidheid van [A] c.s., en dat Wilgenhaege heeft verzuimd [A] c.s. te informeren en waarschuwen voor de specifieke risico’s die zijn verbonden aan het feitelijk gevoerde beheer. Als gevolg van het onzorgvuldig handelen en nalaten van Wilgenhaege hebben [A] c.s. schade geleden, die Wilgenhaege aan hen dient te vergoeden. De schade bedraagt in totaal € 39.486,- + € 76.845,- = € 116.331,-, aldus [A] c.s.

3.3. Wilgenhaege voert verweer.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Toerekenbare tekortkoming

4.1. Partijen hebben vermogensbeheerovereenkomsten gesloten op basis waarvan Wilgenhaege het vermogen van [A] in privé ter waarde van circa € 310.000,- en van [A] B.V. ter waarde van € 265.681,- in beheer heeft gekregen. Deze overeenkomsten kunnen worden gekwalificeerd als overeenkomsten van opdracht als bedoeld in artikel 7:400 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Uit het bepaalde in artikel 7:401 BW vloeit voort dat de opdrachtnemer, in dit geval Wilgenhaege, bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht dient te nemen. Dat wil zeggen dat Wilgenhaege bij de uitvoering van de aan haar verstrekte opdracht diende te handelen overeenkomstig hetgeen van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vermogensbeheerder onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. De vraag die in deze procedure dient te worden beantwoord is of sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Wilgenhaege bij het uitvoeren van de overeenkomsten met [A] c.s. Daarvoor is allereerst van belang vast te stellen wat partijen zijn overeengekomen over het beheer van het vermogen van [A] c.s.

4.2. Op grond van de beheerovereenkomsten diende Wilgenhaege het vermogen van [A] c.s. te beheren conform het beleggingsbeleid genaamd ‘Behoudend Beheer’. Wilgenhaege erkent dat dit destijds haar meest defensieve beleid was. In de beheerovereenkomsten wordt onder het kopje ‘risico’ vermeld dat het vermogen op een defensieve manier in de verschillende beleggingsproducten wordt belegd en dat risico’s waar nodig worden afgedekt. Dat [A] bij de invulling van de beleggingsprofielen geen antwoorden heeft gegeven die in alle opzichten zonder meer duiden op een behoudende, althans defensieve instelling, doet daar niet aan af. Immers, [A] c.s. zijn een behoudend beleggingsbeleid overeengekomen en mochten er dan ook op vertrouwen dat een behoudend beleggingsbeleid gevoerd zou worden. Dit geldt te meer daar - zoals in het navolgende uitgebreider aan de orde komt - voor de cliënt geen “product op maat” werd gemaakt, maar voor een standaard profiel (behoudend, gematigd offensief, offensief of zeer offensief) werd gekozen.

4.3. [A] c.s. stellen dat het feitelijke beheerbeleid van Wilgenhaege strijdig is met de uitgangspunten van het overeengekomen profiel ‘Behoudend Beheer’, omdat Wilgenhaege heeft belegd in risicovolle beleggingsproducten en de daaraan verbonden financiële risico’s groter waren dan [A] c.s. op basis van de gemaakte afspraken verwachtten en redelijkerwijs mochten verwachten. Ter onderbouwing van dit standpunt beroepen [A] c.s. zich op verklaringen van getuigendeskundigen zoals die zijn afgelegd in een eerdere gerechtelijke procedure tegen Wilgenhaege waarbij het door Wilgenhaege gevoerde vermogensbeheer bij het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’ onderwerp van geschil is geweest.

4.4. Wilgenhaege voert hiertegen als verweer dat de verklaringen van de getuigendeskundigen in een eerdere procedure niet in onderhavige procedure kunnen meewegen. Daartoe voert Wilgenhaege aan dat de verklaringen van de getuigendeskundigen specifiek betrekking hadden op de in de betreffende zaak samengestelde portefeuille, omdat iedere cliënt waarmee zij een beheerovereenkomst aangaat een specifiek op die persoon toegespitste beleggingsportefeuille heeft, waarbij de persoonlijke omstandigheden van iedere cliënt meewegen. Ter onderbouwing wijst Wilgenhaege erop dat de beleggingshorizon in de door [A] c.s. aangehaalde jurisprudentie aanzienlijk korter is dan in onderhavig geval.

4.5. De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt. In aanmerking genomen het hiervoor onder 1.2 overwogene, is ter zitting in onderhavige zaak niet weersproken de stelling dat elke cliënt die met Wilgenhaege een beheerovereenkomst heeft gesloten met een ‘Behoudend Beheer’-profiel dezelfde portefeuille kreeg, op nuances na die enkel en alleen het gevolg zijn van het feit dat elke cliënt een ander instapmoment heeft. Uit de overgelegde schriftelijke stukken van Wilgenhaege blijkt niet dat deze stelling onjuist is. Het verweer van Wilgenhaege dat persoonlijke omstandigheden een rol spelen bij de samenstelling van de portefeuille binnen een bepaald beleggingsprofiel, kan dan ook niet worden gevolgd.

4.6. De rechtbank is, gelet op het hiervoor overwogene en in aanmerking genomen dat de deskundigen algemene, niet op de individuele zaken toegesneden verklaringen hebben afgelegd, van oordeel dat de verklaringen van de getuigendeskundigen in onderhavige procedure kunnen meewegen.

4.7. Uit de verklaringen van de getuigendeskundigen volgt – samengevat – dat het door Wilgenhaege bij ‘Behoudend Beheer’ feitelijk gevoerde beleid niet behoudend kan worden genoemd, omdat de producten die in de portefeuille zitten op zichzelf te risicovol zijn en voorts omdat de portefeuille als geheel te risicovol is. De combinatie van producten is namelijk zodanig dat sprake is van een opeenstapeling van risico’s, waarbij de producten elkaar qua risico niet compenseren. Dat heeft tot gevolg dat als het slecht gaat, veel van de producten tegelijkertijd in waarde zullen dalen. Op grond van het voorgaande hebben de getuigendeskundigen verklaard dat de betreffende producten in de ‘Behoudend Beheer’-portefeuille van Wilgenhaege en de portefeuille in zijn geheel niet als behoudend kunnen worden gekwalificeerd.

4.8. Gelet op de verklaringen van de getuigendeskundigen, in combinatie met de vaststelling dat de samenstelling van alle portefeuilles met het profiel ‘Behoudend Beheer’ nagenoeg gelijk is, is de rechtbank van oordeel dat het feitelijk door Wilgenhaege gevoerde beleid over het in beheer gegeven vermogen van [A] c.s. in strijd is met de uitgangspunten van het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’, omdat is geïnvesteerd in producten die op zichzelf te risicovol waren en voorts omdat de portefeuille als geheel te risicovol en daarom niet-passend was. Daaruit volgt de conclusie dat Wilgenhaege niet heeft geleverd wat in de beheerovereenkomsten met [A] c.s. is overeengekomen.

4.9. Ook het verweer van Wilgenhaege dat [A] c.s. op de hoogte waren van de omstandigheid dat hun portefeuille niet behoudend was, slaagt niet. Dat [A] c.s. wisten dat aan beleggen in het algemeen risico’s verbonden zijn, is daartoe onvoldoende. Voor zover Wilgenhaege ter comparitie nog heeft bedoeld te betogen dat [A] c.s. door hun kennis van en ervaring met beleggen wisten dat het beleggingsbeleid niet behoudend was, is dat betoog niet houdbaar. De omstandigheid dat [A] c.s. Wilgenhaege op enig moment de opdracht hebben gegeven te stoppen met aankopen brengt niet mee dat [A] c.s. daarmee het beheer van de portefeuille zelf ter hand hebben genomen, zodat daaruit niet kan worden geconcludeerd dat [A] c.s. kennis van en ervaring met beleggen hebben. Evenmin kan uit het enkele feit dat [A] c.s. hun vermogen bij een andere vermogensbeheerder hadden ondergebracht voordat zij hun vermogen bij Wilgenhaege in beheer gaven, worden afgeleid dat [A] c.s. ervaring hadden met beleggen. Dat [A] c.s. wisten dat sprake was van een daling van de waarde van de portefeuille, dat zij op de hoogte waren van de producten die in de portefeuille zaten en dat die niet neutraal of defensief waren te noemen, kan – voor zover dat al juist is – Wilgenhaege evenmin baten. Gesteld noch gebleken is immers dat [A] c.s. voorafgaand aan en ten tijde van het sluiten van de beheerovereenkomst ervan op de hoogte waren, of hadden kunnen zijn, dat de door Wilgenhaege gekozen combinatie van beleggingsproducten niet paste bij een behoudend beleggingsprofiel.

4.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Wilgenhaege bij de uitvoering van haar werkzaamheden niet heeft gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk vakbekwaam vermogensbeheerder onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht en dat sprake is van een toerekenbare tekortkoming van Wilgenhaege.

Klachtplicht

4.11. Bij de beoordeling van het beroep van Wilgenhaege op schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW geldt op grond van het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013 (LJN: BY 4600) het volgende uitgangspunt. Een beleggingsinstelling heeft te gelden als professionele en bij uitstek deskundige dienstverlener, terwijl bij de cliënt doorgaans een zodanige professionaliteit en deskundigheid ontbreekt. Dit brengt met zich dat de cliënt niet zonder meer op de hoogte behoeft te zijn van het bestaan van de in de rechtspraak geformuleerde bijzondere zorgplicht van de beleggingsinstelling, terwijl hij, indien hij daarvan wel op de hoogte is, er in beginsel van uit mag gaan dat de beleggingsinstelling die zorgplicht jegens hem naleeft. Op de cliënt rust dan ook pas op grond van artikel 6:89 BW een onderzoeksplicht met betrekking tot de vraag of de beleggingsinstelling de zorgplicht jegens hem heeft nageleefd, indien hij van die zorgplicht op de hoogte is en gerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de beleggingsinstelling daarin kan zijn tekortgeschoten. Indien de cliënt, eventueel na (deskundig) onderzoek bekend is geworden met de zorgplicht van de beleggingsinstelling en het tekortschieten daarin, of daarmee redelijkerwijs bekend had moeten zijn, dient hij terzake op de voet van artikel 6:89 BW binnen bekwame tijd te protesteren. Daarbij moet hem een redelijke termijn voor beraad worden gegund. Bij de beoordeling of het beroep op artikel 6:89 BW gegrond is, komt voorts groot gewicht toe aan het antwoord op de vraag of de beleggingsinstelling nadeel lijdt door het tijdsverloop tussen het moment van ontdekking van de tekortkoming en het moment waarop is geprotesteerd, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De enkele omstandigheid dat het lang heeft geduurd voordat de cliënt heeft geklaagd, zonder dat daarbij de overige omstandigheden van het geval worden betrokken, zoals de aan- of afwezigheid van nadeel bij de beleggingsinstelling door het tijdsverloop, is ontoereikend voor een succesvol beroep op artikel 6:89 BW.

4.12. In het onderhavige geval brengt bedoeld uitgangspunt het volgende met zich. Anders dan Wilgenhaege aanvoert, kan uit de omstandigheid dat de resultaten van de beleggingen tegenvielen, niet worden afgeleid dat [A] c.s. op de hoogte waren van het tekortschieten van Wilgenhaege. Van de oorzaak van het tegenvallende rendement en het verlies aan waarde waren [A] c.s. op dat moment immers niet op de hoogte. Deze enkele omstandigheid behoefde voor [A] c.s. evenmin een reden voor onderzoek te zijn (vgl. ook HR 8 februari 2013, LJN BY 4600, r.o. 4.3.3.). Dat [A] c.s., zoals Wilgenhaege aanvoert, van meet af aan wisten dat hun portefeuilles perpetuals en obligaties bevatten en dat zij bekend waren met de risico’s en kansen van perpetuals, alsmede met de op de obligaties geleden verliezen, betekent niet dat zij nader onderzoek hadden dienen te doen. Zij mochten er immers van uitgaan dat Wilgenhaege, als deskundige op dit terrein, haar bijzondere zorgplicht jegens hen naleefde. Verder blijkt uit de omstandigheid dat [A] c.s. op enig moment de opdracht hebben gegeven te stoppen met aankopen niet dat [A] c.s. op dat moment op de hoogte waren of hadden moeten zijn van het bestaan van de in de rechtspraak geformuleerde bijzondere zorgplicht van beleggingsinstellingen en van de tekortkoming van Wilgenhaege daarin. Dat geldt te meer daar, zoals hiervoor onder 4.9 overwogen, de opdracht om met aankopen te stoppen was ingegeven door de wens van [A] c.s. om tussentijds onttrekkingen te kunnen verrichten. Daarom kan niet worden geconcludeerd dat uit die omstandigheid een onderzoeksplicht voor [A] c.s. voortvloeide. Evenmin kan uit de omstandigheid dat naar een andere vermogensbeheerder is overgestapt een onderzoeksplicht worden afgeleid, omdat daarmee nog niet is gegeven dat [A] c.s. op de hoogte waren van de bijzondere zorgplicht en de tekortkoming van Wilgenhaege daarin. Blijkens de stellingen van [A] c.s. zijn zij pas echt gealarmeerd geraakt door de brief van Wilgenhaege van 19 oktober 2011 waarin zij werden geïnformeerd over de wijzigingen die werden doorgevoerd ten aanzien van de participaties in onder meer Wilgenhaege Stedekroon N.V. Vervolgens hebben zij onderzoek ingesteld, onder meer door VEB bij brief van 25 oktober 2011 te verzoeken haar belangen te behartigen, en zijn zij bekend geworden met de bijzondere zorgplicht van Wilgenhaege en de (mogelijke) tekortkomingen daarin. [A] c.s. hebben vervolgens relatief kort daarna, bij brief van 26 januari 2012 haar klacht(en) aan Wilgenhaege kenbaar gemaakt.

4.13. De rechtbank volgt Wilgenhaege voorts niet in haar betoog dat zij nadeel in de hiervoor onder r.o. 4.11 bedoelde zin ondervindt door het tijdsverloop tussen (door haar gestelde) bekendheid met de klacht en de brief van 26 januari 2012. Ter onderbouwing van dat betoog heeft Wilgenhaege aangevoerd dat tapes van gesprekken maar een half jaar worden bewaard en dat zij ook anderszins in haar bewijspositie wordt bemoeilijkt, doordat e-mails en verslagen moeilijk te achterhalen zijn en getuigen, zoals voormalig medewerkers, moeite zullen hebben om juist en volledig te verklaren over hetgeen is besproken met [A] c.s. Nu echter is gesteld noch gebleken dat [A] c.s. al binnen een half jaar na de adviesgesprekken had kunnen en moeten weten dat Wilgenhaege was tekortgeschoten in haar zorgplicht, kan niet worden gevolgd dat dit nadeel het gevolg is van de door Wilgenhaege gestelde late klacht. Voor het overige is Wilgenhaege naar het oordeel van de rechtbank te weinig specifiek met betrekking tot haar stelling dat zij in haar bewijspositie is bemoeilijkt. De rechtbank gaat dan ook aan dit betoog voorbij. Gelet op al deze omstandigheden, in onderling verband bezien, is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6:89 BW.

Exoneratie

4.14. Wilgenhaege beroept zich op artikel 7.1 van de beheerovereenkomsten waarin haar aansprakelijkheid is beperkt. [A] c.s. voeren daartegen aan dat het beroep op bedoeld exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, aangezien het een beding betreft dat op de grijze lijst ex artikel 6:237 onder f BW staat. De rechtbank begrijpt de stellingen van [A] c.s. dienaangaande aldus dat zij daarmee een beroep doen op een vernietigingsgrond.

4.15. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het betreffende beding te gelden als een algemene voorwaarde ex artikel 6:231 sub a BW die valt onder artikel 6:237 onder f BW, zodat dit beding wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. De stelling van Wilgenhaege dat sprake is van een kernbeding is in het geheel niet onderbouwd en wordt derhalve verworpen. Volgens Wilgenhaege is het beding niet onredelijk bezwarend omdat de beperkte inkomsten uit het beheer in geen verhouding staan tot - zo begrijpt de rechtbank - de hoogte van eventuele schadeclaims. Een dergelijke exoneratie is - aldus Wilgenhaege -gebruikelijk bij vermogensbeheerders. De rechtbank is van oordeel dat het beding desondanks is aan te merken als onredelijk bezwarend, nu Wilgenhaege zich hiermee nagenoeg geheel vrijtekent voor schade die is ontstaan doordat Wilgenhaege de kern van de prestatie waartoe zij is gehouden, te weten het beheren van het vermogen volgens het overeengekomen beleggingsprofiel, niet nakomt. Daarmee aanvaardt de rechtbank de vernietigingsgrond, zodat ingevolge het bepaalde in artikel 3:49 juncto 3:51 juncto artikel 6:233 BW het beding is vernietigd. Het verweer van Wilgenhaege slaagt derhalve niet.

Verklaring voor recht

4.16. Gezien het hiervoor overwogene ligt de door [A] c.s. gevorderde verklaring voor recht dat Wilgenhaege toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [A] c.s. voor toewijzing gereed. De door [A] c.s. gevorderde verklaring voor recht dat Wilgenhaege onrechtmatig heeft gehandeld jegens [A] c.s. zal evenwel worden afgewezen nu de rechtbank zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit de gestelde feiten kan afleiden dat er naast een toerekenbare tekortkoming van de zijde van Wilgenhaege ook sprake is van onrechtmatig handelen door Wilgenhaege.

Schade

4.17. Gelet op het voorgaande dient Wilgenhaege de door [A] c.s. geleden schade te vergoeden. Het beroep van Wilgenhaege op het ontbreken van het causaal verband tussen de tekortkoming en de gestelde schade, met het argument dat de tijdelijke waardedaling van de portefeuilles het gevolg is van de huidige financiële crisis, gaat niet op. Die stelling neemt immers niet weg dat de schade van [A] c.s. lager zou zijn geweest als geen sprake was geweest van een tekortkoming en geen sprake was geweest van risicovolle producten. Anders dan Wilgenhaege betoogt, is voorts niet vereist dat [A] c.s. bewijzen dat zij, als het handelen van Wilgenhaege achterwege was gebleven, minder risicovol hadden belegd en de schade achterwege was gebleven. De kern van het verwijt van [A] c.s. aan Wilgenhaege is nu juist dat Wilgenhaege voor [A] c.s. risicovoller heeft belegd dan was afgesproken, zodat, nu de rechtbank dit verwijt terecht acht, daarmee tevens vaststaat dat [A] c.s. minder risicovol zouden hebben belegd als Wilgenhaege niet toerekenbaar tekort was geschoten.

4.18. Voor zover Wilgenhaege heeft bedoeld te betogen dat de schade als gevolg van de faillissementen van Lehman en Landsbanki voor rekening van [A] c.s. dient te blijven, overweegt de rechtbank dat Wilgenhaege, zoals hiervoor overwogen, is tekortgeschoten in de uitvoering van de overeenkomst door een portefeuille samen te stellen die in strijd was met de uitgangspunten van het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’. Het geeft naar het oordeel van de rechtbank geen pas om bij de vaststelling van de ten gevolge van deze tekortkoming geleden schade individuele producten die deel uitmaakten van deze portefeuille apart te beschouwen. In het voorgaande is immers reeds vastgesteld dat in strijd met de uitgangspunten van het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’ is gehandeld, omdat is geïnvesteerd in producten die op zichzelf te risicovol waren en voorts omdat de portefeuille als geheel te risicovol en daarom niet-passend was. Bij de vaststelling van de schade dient dan ook te worden uitgegaan van de portefeuille als geheel.

4.19. Wilgenhaege betwist voorts aansprakelijk te zijn voor verliezen die zijn opgetreden na 25 augustus 2008. Wilgenhaege stelt dat [A] c.s. de beheerovereenkomsten feitelijk hebben opgezegd met ingang van 25 augustus 2008. Daartoe voert Wilgenhaege aan dat [A] op die datum een opdracht heeft verstrekt om geen aankopen meer te verrichten zonder daartoe eerst expliciet een opdracht te krijgen. Na genoemde datum was, aldus Wilgenhaege, geen sprake meer van beheer.

4.20. De rechtbank volgt Wilgenhaege niet in haar stelling dat als peildatum voor de berekening van de schade moet worden uitgegaan van 25 augustus 2008. Dat de beheerovereenkomsten niet meer konden worden uitgevoerd omdat door de opdracht om te stoppen met nieuwe aankopen de samenstelling van de portefeuille werd aangetast, is daartoe onvoldoende. Voor zover dat al zo zou zijn, geldt dat - gelet op de zorgplicht van Wilgenhaege - het dan op haar weg had gelegen om in een dergelijk geval haar cliënt erop te wijzen dat de beheerovereenkomst op deze wijze niet meer kan worden uitgevoerd en om die reden moet worden beëindigd. Voorts is, bij gebreke van een nadere onderbouwing, niet gebleken dat [A] c.s. na genoemde datum het beheer van de portefeuille zelf ter hand hebben genomen. Daar komt bij dat vast staat dat Wilgenhaege ook in 2009 - en derhalve na 25 augustus 2008 – nog beheerfee van [A] c.s. heeft ontvangen.

4.21. Vast staat dat het vermogen van [A] c.s. eind mei 2009 naar een andere vermogensbeheerder is overgeboekt en [A] c.s. toen definitief naar een andere vermogensbeheerder zijn overgestapt. Gelet op het onder 2.14 vermelde e-mailbericht concludeert de rechtbank dat de beheerovereenkomsten tussen [A] c.s. en Wilgenhaege op 27 mei 2009 zijn geëindigd, zodat deze datum als peildatum voor de berekening van de schade dient te worden aangehouden.

Eigen schuld

4.22. Wilgenhaege voert tegen de gevorderde schade aan dat sprake is van eigen schuld aan de zijde van [A] c.s., omdat zij zelf wensten te beleggen, kennis hebben genomen van hun portefeuille en met beleggen zijn doorgegaan, terwijl er belangrijke momenten waren dat zij zich hierover konden beraden, zoals ten tijde van het invullen van het meest recente cliëntprofiel van december 2007. Dit verweer faalt. De rechtbank is van oordeel dat de kennis van [A] c.s. met de daling van de waarde van de portefeuille, de kennis ten aanzien van welke producten in de portefeuille zaten, de kennis dat aan beleggen risico’s zitten en het feit dat [A] c.s. is doorgegaan met beleggen, niet wil zeggen dat [A] c.s. op de hoogte was van het feit dat het geen portefeuille betrof die conform het gewenste profiel ‘Behoudend Beheer’ was samengesteld.

4.23. Het betoog van Wilgenhaege dat sprake is van eigen schuld, omdat [A] c.s. op het dieptepunt van de crisis het beheer bij Wilgenhaege hebben beëindigd, waardoor herstel niet meer mogelijk was, en de schade lager was geweest als [A] c.s. dat niet hadden gedaan, gaat ook niet op. Gelet op de afspraak tussen partijen dat behoudend zou worden belegd en de conclusie dat Wilgenhaege in de uitvoering daarvan is tekortgeschoten, konden [A] c.s. immers gerechtvaardigd besluiten de beheerovereenkomst te beëindigen. Van [A] c.s. kon niet worden gevergd de beheerovereenkomst in stand te laten in de hoop op toekomstig koersherstel.

Hoogte van de schade

4.24. [A] c.s. vorderen als schadevergoeding primair een bedrag van € 39.486,- en € 76.845,-, in totaal € 116.331,-. Dit bedrag is gebaseerd op de overgelegde schadeberekening die gemaakt is door vergelijking van de feitelijke waardeontwikkeling van het beheerde vermogen met de fictieve waardeontwikkeling van een behoudende portefeuille, in dit geval het Robeco Solid Mix fonds op het moment van beëindiging. Wilgenhaege betwist deze schadeberekening.

4.25. De rechtbank overweegt als volgt. De ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst van opdracht door Wilgenhaege ontstane situatie dient te worden vergeleken met de situatie die zou hebben gegolden indien Wilgenhaege wél correct zou zijn nagekomen. Niet weersproken is dat genoemd fonds als vergelijkingsmaatstaf kan dienen voor een portefeuille op basis van het risicoprofiel ‘Behoudend Beheer’, zoals zich dat zou hebben ontwikkeld bij het uitblijven van de tekortkoming door Wilgenhaege. Het bezwaar van Wilgenhaege dat de tijdelijke waardedaling van het vermogen is veroorzaakt door de financiële crisis, is daarmee bovendien in de schadeberekening ondervangen, doordat wordt vergeleken met een bestaand fonds, dat evenzeer aan waardedalingen als gevolg van de crisis onderhevig is. Nu uitgegaan wordt van een bestaand fonds behoeft, anders dan Wilgenhaege betoogt, evenmin rekening te worden gehouden met bijkomende kosten en rendementsverlies. Het gaat immers om een vergelijking met een hypothetische waardeontwikkeling die zich zou hebben voorgedaan bij het uitblijven van de tekortkoming door Wilgenhaege. Voorts geldt dat het verweer van Wilgenhaege dat niet vast staat dat schade achterwege was gebleven als Wilgenhaege niet was tekortgeschoten, miskent dat moet worden uitgegaan van het gegeven dat [A] c.s. hun vermogen bij Wilgenhaege in beheer hebben gegeven en dat partijen waren overeengekomen dat Wilgenhaege dit behoudend zou beleggen.

4.26. De rechtbank volgt [A] c.s. niet in de waardering van de participaties Propertunity NL, Wilgenhaege Stedekroon N.V. en de obligaties Wilgenhaege Vastgoed op € 0,-, zoals [A] c.s. die tot uitgangspunt hebben genomen bij hun schadeberekening. De omstandigheid dat de participaties en de obligaties thans slecht of niet verhandelbaar zijn en de toezegging dat [A] c.s. deze aan Wilgenhaege zullen terug overdragen, brengen niet met zich dat de waarde in de schadeberekening op € 0,- moet worden gesteld. Blijkens de onder 2.18 genoemde brieven van Wilgenhaege waren de participaties Propertunity NL, Wilgenhaege Stedekroon N.V. destijds respectievelijk € 21,- en € 24,- waard. Dat [A] c.s. de participaties toen niet voor die waarde hebben verkocht is een afweging die voor risico van [A] c.s. dient te blijven. [A] c.s. hadden hun schade kunnen beperken door te verkopen voor genoemde waarden. Nu zij dat niet hebben gedaan, en de waarde verder is gedaald, komt die daling niet als schade voor vergoeding in aanmerking.

4.27. Wilgenhaege voert voorts aan dat de schadeberekening van [A] c.s. waarbij een vergelijking is gemaakt met het Robeco Solid Mix fonds niet te controleren is. Nu Wilgenhaege in staat is gebleken om een vergelijking met hetzelfde fonds te maken per eind augustus 2008 had het op haar weg gelegen om ter weerlegging van de juistheid van de schadeberekening van [A] c.s., eveneens een eigen berekening per 27 mei 2009 over te leggen en deze toe te lichten. Nu zij dit heeft nagelaten, gaat de rechtbank uit van de juistheid van de door [A] c.s. genoemde bedragen.

4.28. Op basis van de door [A] c.s. overgelegde vergelijking met het Robeco Solid Mix fonds en met inachtneming van de hiervoor genoemde gehanteerde uitkoopprijs voor de deelnemingsrechten, zoals door [A] c.s. bij dagvaarding reeds berekend en door Wilgenhaege niet gemotiveerd weersproken, is de rechtbank van oordeel dat de schade van [A] in privé € 35.370,- en van [A] B.V. € 68.289,- bedraagt.

Wettelijke rente

4.29. Anders dan Wilgenhaege betoogt is de gevorderde wettelijke rente toewijsbaar vanaf de datum waarop de schade is ontstaan, zijnde de datum van beëindiging van de beheerovereenkomsten, 27 mei 2009.

Buitengerechtelijke kosten

4.30. De buitengerechtelijke kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking. Uit de door [A] c.s. gegeven omschrijving van de verrichte werkzaamheden volgt dat de kosten moeten worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen ter voorbereiding en instructie van de zaak waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

Proceskosten

4.31. Wilgenhaege zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 76,17

- griffierecht 3.621,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2,0 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 5.485,17

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat Wilgenhaege toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [A] c.s.,

5.2. veroordeelt Wilgenhaege tot vergoeding van de door [A] en [B] geleden schade van € 35.370,00 (vijfendertig duizenddriehonderdzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 27 mei 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.3. veroordeelt Wilgenhaege tot vergoeding van de door [A] B.V. geleden schade van € 68.289,00 (achtenzestigduizendtweehonderdnegenentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 27 mei 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.4. veroordeelt Wilgenhaege in de proceskosten, aan de zijde van [A] c.s. tot op heden begroot op € 5.485,17,

5.5. veroordeelt Wilgenhaege in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Wilgenhaege niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.5 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.I. de Vreese-Rood, mr. H.J.M. Burg en mr. M.P.E. Oomens en in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2013.?