Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3922

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
14-05-2013
Datum publicatie
20-06-2013
Zaaknummer
AWB 13/2063
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat verzoeker tijdens het intakegesprek niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/2063

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter ter zitting van 14 mei 2013

in de zaak van:

[naam verzoeker]

naar eigen zeggen wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde mr. W.G. Fischer

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem,

verweerder.

Bij besluit van 28 maart 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder verzoekers aanvraag om toekenning van een uitkering in het kader van de Wet werk en bijstand (Wwb) afgewezen, omdat verzoeker tijdens het intakegesprek niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zijn hoofdverblijf heeft op het door hem opgegeven adres.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter voorts gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 mei 2013. Verzoeker heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, R.C. de Vos.

Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De voorzieningenrechter heeft:

- het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Gronden van de beslissing

1. Op grond van artikel 40, eerste lid, van de Wwb bestaat het recht op bijstand jegens het college van de gemeente waar de belanghebbende woonplaats heeft. Verzoeker heeft bij verweerder een Wwb-aanvraag ingediend. Gelet hierop ligt het op zijn weg om aannemelijk te maken dat hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Haarlem. Dit kan hij aannemelijk maken op grond van zijn feitelijke woon- en leefomstandigheden.

2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Haarlem. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat verzoeker veelvuldig verblijft bij zijn broer in [plaats], dan wel bij zijn moeder in [plaats 2]. Voorts is uit de stukken naar voren gekomen dat verzoeker voornamelijk pint in [plaats]. De woning waar verzoeker in Haarlem in zegt te wonen, is in feite - zo is namens verzoeker verklaard -voor hem ongeschikt, omdat hij een trap op moet om zijn woning binnen te komen. Bovendien is tot op heden onduidelijk gebleven waar verzoekers persoonlijke bezittingen zich bevinden.

3. Om duidelijkheid te verkrijgen over verzoekers woonplaats, heeft verweerder getracht op 17 januari 2013 bij verzoeker een huisbezoek af te leggen, aansluitend aan het gesprek met medewerkers van verweerder. Verzoeker heeft niet aan het huisbezoek meegewerkt, omdat hij zich niet goed voelde. Hij wilde wel met zijn broer mee naar [plaats]. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom verzoeker wel met zijn broer mee kon naar [plaats] en niet naar de woning in Haarlem waar hij zegt te verblijven. Voorts heeft verweerder terecht en op goede gronden gesteld dat het huisbezoek aansluitend aan het gesprek moest plaatsvinden.

4. Uit het voorgaande volgt dat verzoeker geen duidelijkheid heeft verschaft over zijn woonsituatie. Niet aannemelijk is geworden dat hij zijn woonplaats heeft in de gemeente Haarlem. Bij deze stand van zaken kan niet worden gezegd dat verzoekers bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Gelet hierop wijst de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De voorzieningenrechter deelt tot slot mede dat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel openstaat.

Uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2013 te Haarlem door mr. M.P. de Valk, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van P.M. van der Pol, griffier.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden: