Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3804

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
19-06-2013
Zaaknummer
564384 - CV EXPL 12-8708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pensioenaanspraken. Door pensioenfonds verstrekte periodieke overzichten leveren geen recht op aanspraken op.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/152 met annotatie van H.P. Breuker
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 564384 \ CV EXPL 12-8708

datum uitspraak: 5 juni 2013

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [adres]

eisende partij

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. M. Colenbrander

tegen

de stichting Stichting Pensioenfonds van de Metalektro

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde partij

hierna te noemen PME

gemachtigde mr. G.R. Derksen

De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 juni 2012, met producties,

- de door de kantonrechter tussen partijen gegeven en op 19 september 2012 uitgesproken rolbeschikking,

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het door de kantonrechter tussen partijen gewezen en op 14 november 2012 uitgesproken tussenvonnis,

- de door de kantonrechter tussen partijen gegeven en op 6 februari 2013 uitgesproken rolbeschikking,

- de conclusie van repliek,

- de conclusie van dupliek.

De feiten

a. [eiser] is gehuwd geweest met [echtgenoot], hierna: [echtgenoot].

b. [echtgenoot] is op 26 oktober 2011 overleden.

c. [echtgenoot] was op 3 maart 1975 in dienst getreden van de Koninklijke Machinefabriek Stork N.V. (hierna: Stork).

d. De pensioenvoorziening voor [echtgenoot] was door Stork ondergebracht bij Stichting Centraal Pensioenfonds Stork (hierna: het pensioenfonds van Stork).

e. [echtgenoot] is van 1973 tot 2006 deelnemer geweest bij het pensioenfonds van Stork.

f. In een pensioenbericht van het pensioenfonds van Stork van 31 december 2004 is als nabestaandenpensioen een bedrag vermeld van € 19.926,05 bruto per jaar en in een pensioenbericht van 31 december 2005 is als nabestaandenpensioen een bedrag vermeld van € 20.284,26 bruto per jaar.

g. Per 1 augustus 2006 is [echtgenoot] in dienst getreden bij Hess Aac Systems B.V. te Enschedé (hierna: Hess). Hess is een voormalige dochtermaatschappij van Stork.

h. Hess is aangesloten bij PME.

i. [echtgenoot] is per 1 augustus 2006 gaan deelnemen aan de pensioenregeling van PME.

j. De pensioenaanspraak die door [echtgenoot] bij Stork was opgebouwd is aan PME overgedragen door middel van een collectieve waardeoverdracht in de zin van de Pensioen- en Spaarfondsenwet (hierna: PSW).

k. Voor [echtgenoot] geldt het Pensioenreglement PME voor werknemers geboren voor 1950, geldend vanaf 1 januari 2003.

l. PME heeft jaarlijks uniforme pensioenoverzichten (hierna: UPO) aan [echtgenoot] gezonden. Op deze UPO’s is het volgende vermeld: “Dit pensioenoverzicht is voor u met de grootste zorg samengesteld. Het kan echter voorkomen dat de gepubliceerde informatie onvolledig of onjuist is. PME aanvaardt hiervoor geen aansprakelijkheid.”

m. Het UPO 2007 vermeldt als nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 2.463,00 bruto per jaar en als nabestaandenpensioen bij overlijden na de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 0,00 bruto per jaar. In dit UPO was nog niet de waardeoverdracht vanuit het pensioenfonds van Stork verwerkt.

n. Het UPO 2008 vermeldt als nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 29.068,00 bruto per jaar en als nabestaandenpensioen bij overlijden na de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 11.706,00 bruto per jaar.

o. Het (foutieve) UPO 2009 vermeldt als nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 15.293,00 bruto per jaar en als nabestaandenpensioen bij overlijden na de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 12.560,00 bruto per jaar.

p. Bij brief van 21 oktober 2009 heeft PME het volgende aan [echtgenoot] geschreven:

“Onlangs heeft u uw Uniform pensioenoverzicht (UPO) 2009 ontvangen. Hierop staat de stand van uw pensioen per 31 december 2008. Door een fout in ons administratiesysteem is uw nabestaandenpensioen niet juist berekend en verkeerd op uw UPO terechtgekomen. (…)

Binnenkort ontvangt u een nieuw UPO. Hierop staan de juiste aanspraken op nabestaandenpensioen vermeld.

(…)”

q. Het gewijzigde UPO 2009 vermeldt als nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 30.533,00 bruto per jaar en als nabestaandenpensioen bij overlijden na de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 11.706,00 bruto per jaar.

r. Het UPO 2010 vermeldt als nabestaandenpensioen bij overlijden voor de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 31.439,00 bruto per jaar en als nabestaandenpensioen bij overlijden na de pensioendatum van [echtgenoot] een bedrag van € 11.705,00,00 bruto per jaar.

s. Op 30 juni 2011 heeft [echtgenoot] een “Aanvraagformulier TOP” ingevuld en ondertekend en daarin onder meer vermeld dat het partnerpensioen bij zijn overlijden 70% moet worden.

t. Met betrekking tot het pensioen van [echtgenoot] heeft M. Dorren, pensioenconsulent van PME (hierna: Dorren) per e-mailbericht van 4 juli 2011 een berekening gestuurd aan K. Krowinkel, Manager Finance & HRM van de voormalige werkgever van [echtgenoot] (hierna: Krowinkel).

u. Op 19 september 2011 heeft [echtgenoot] aan PME medegedeeld dat hij het partnerpensioen bij diens overlijden wenst te verhogen van 70% naar 100%.

v. Bij brief van 27 september 2011 heeft PME het volgende aan [echtgenoot] geschreven:

“U heeft met uw brief van 19 september 2011 aangegeven dat u de hoogte van het partnerpensioen wilt wijzigen. U heeft bij de toekenning van het tijdelijk ouderdomspensioen (TOP) aangegeven dat het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen moet bedragen. Dit wilt u wijzigen in 100% van het ouderdomspensioen. (…)

Wij hebben op uw verzoek berekend wat de hoogte van het ouderdomspensioen en partnerpensioen wordt. Dit hebben wij verwerkt in onze administratie. Door deze wijziging verkrijgt u de volgende aanspraken:

Ouderdomspensioen vanaf 65 jaar bruto per jaar € 21.571,49

Partnerpensioen bruto per jaar € 21.571,47

De bedragen in deze brief zijn gebaseerd op de gegevens die nu in onze administratie bekend zijn. Als deze gegevens wijzigen kan dat gevolgen hebben voor de hoogte van de vermelde bedragen.

(…)”

w. Op basis van de in oktober 2011 beschikbare gegevens heeft Dorren een pensioenberekening gemaakt waarin als nabestaandenpensioen wordt vermeld: een bedrag van € 31.439,00 bruto per jaar bij overlijden van [echtgenoot] tussen

1 december 2011 en 1 september 2012 en een bedrag van € 21.571,47 bruto per jaar bij overlijden van [echtgenoot] na 1 september 2012.

x. Per e-mailbericht van 24 oktober 2011 heeft Dorren het volgende aan Krowinkel geschreven:

“(…)

Sinds mijn laatste mailberichten over de hoogte van het partnerpensioen heb ik enkele weken overleg gehad met de administratie. Ik ben uitgegaan in mijn berichtgeving van de UPO’s die meneer [echtgenoot] sinds overkomst van Stork naar PME ontvangen heeft. Het partnerpensioen op de UPO’s is inderdaad erg hoog zoals jij reeds had aangegeven. Nu blijkt dat er bij Achmea in het verleden een fout is gemaakt. Het opgebouwd deel van het partnerpensioen (minimum pensioengarantie) moet in mindering gebracht worden op het risicodeel. Ofwel, het risicodeel is te hoog vastgesteld. De administratie heeft het telkens bij elkaar opgeteld.

(…)

Het juiste partnerpensioen bij overlijden vóór 01-09-2012 zou € 20.454 moeten zijn.”

y. Bij brief van 25 november 2011 heeft PME het volgende aan [eiser] geschreven:

“(…)

Wij hebben in het verleden een hoger partnerpensioen gecommuniceerd op het Uniform Pensioenoverzicht (UPO) dan op de UPO 2011. In deze brief gaan wij hierop in.

Uw situatie voorgelegd bij de Commissie Individuele Zaken (CIZ)

Op eerdere UPO’s is het opgebouwde nabestaandenpensioen onterecht bij het verzekerde nabestaandenpensioen opgeteld. Hierdoor is er verwarring ontstaan over de hoogte van uw partnerpensioen. Wij hebben de aanspraken van de heer [echtgenoot] opnieuw beoordeeld. Uw daadwerkelijke recht op partnerpensioen is € 20.454,71 bruto per jaar.

(…)

U heeft per 26 oktober 2011 recht op partnerpensioen. U heeft minimaal recht op een bruto uitkering van € 20.454,71 per jaar ongeacht de beslissing van de CIZ. Mocht de CIZ besluiten u een hoger bedrag toe te kennen, dan passen wij met terugwerkende kracht uw uitkering aan.

(…)”

z. Bij brief van 27 december 2011 heeft PME op het bezwaar tegen de vaststelling van de hoogte van het partnerpensioen het volgende aan [eiser] geschreven:

“(…)

De CIZ besluit namens het Bestuur om uw bezwaar tegen de vaststelling van het (lagere) partnerpensioen af te wijzen. (…) De CIZ is voorts van oordeel dat PME gerechtigd is om foutieve opgaven te herstellen.

De CIZ heeft beoordeeld of u er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat uw partnerpensioen de hoogte zou hebben die op de UPO’s 2008 tot en met 2010 is meegedeeld.

De CIZ heeft geconstateerd dat in de UPO’s van 2008 tot en met 2010 te hoge bedragen aan partnerpensioen stonden, namelijk € 29.068,-, € 30.533,- en respectievelijk € 31.439,-. De CIZ vindt dit betreurenswaardig, maar is van mening dat de hoogte van het partnerpensioen zoals vermeld op de UPO’s van 2008 tot en met 2010 evident onjuist is. Er is sprake van een zeer forse stijging ten opzichte van het UPO 2007. Ook is het partnerpensioen hoger dan het ouderdomspensioen, terwijl in de normale verdeling het partnerpensioen 70% van het ouderdomspensioen bedraagt. Bij de berekening van de consequenties van de uitruilkeuze is de juiste hoogte van het partnerpensioen aan wijlen de heer [echtgenoot] meegedeeld. Gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden is de CIZ niet van oordeel dat u er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de hoogte van het partnerpensioen zoals vermeld op de UPO’s van 2008 tot en met 2009 correct was.

(…)”

De vordering

[eiser] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. voor recht zal verklaren dat PME door haar wijze van informatieverstrekking een gerechtvaardigd vertrouwen bij [eiser] heeft opgewekt over de hoogte van het door haar te ontvangen nabestaandenpensioen;

2. PME zal veroordelen om vanaf 26 oktober 2011 tot aan het overlijden van [eiser] aan [eiser] toe te kennen en uit te betalen het nabestaandenpensioen ten minste conform UPO 2010, zijnde ten minste € 31.439,00 bruto per jaar, te vermeerderen met eventuele indexeringen door PME van dit bedrag conform het pensioenreglement;

3. PME zal veroordelen tot betaling aan [eiser] van de wettelijke rente over de reeds opeisbare bedragen, vanaf het moment van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

4. PME zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten op grond van het rapport Voorwerk II;

5. PME zal veroordelen in de kosten van deze procedure.

[eiser] heeft het volgende aan de vordering ten grondslag gelegd:

[eiser] heeft recht op nabestaandenpensioen tot ten minste het bedrag zoals genoemd in het UPO 2010.

De hoogte van het nabestaandenpensioen wordt bepaald aan de hand van het pensioenreglement. Het is voor [eiser] onbegrijpelijk dat PME stelt dat zij niet gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de uitlatingen van PME.

Vanaf UPO 2008 wordt een nabestaandenpensioen genoemd van circa € 30.000,00 bruto per jaar. UPO 2009 vermeldde in eerste instantie een nabestaandenpensioen van circa € 15.000,00 bruto per jaar. Per brief van 21 oktober 2009 heeft PME aangegeven dat zij een foutieve berekening heeft gemaakt bij het opstellen van het UPO 2009 en dat aan [echtgenoot] een gecorrigeerde UPO zou worden toegezonden. Dit heeft geresulteerd in de UPO 2009 en UPO 2010 waarin opnieuw bedragen aan nabestaandenpensioen in de orde van grootte van circa € 30.000,00 bruto per jaar worden genoemd.

Uit een daarna gemaakte herberekening blijkt onmiskenbaar dat het nabestaandenpensioen concreet € 31.439,00 bruto per jaar zou bedragen.

Hierna heeft nog een mailwisseling plaatsgevonden. De pensioenconsulent heeft geen enkel voorbehoud of nuance op zijn berekening aangebracht.

Vanuit deze achtergrond is [eiser] van mening dat PME bij haar en [echtgenoot] verwachtingen heeft gewekt, waar [eiser] PME thans aan kan houden.

[eiser] als leek mag vertrouwen op wat PME als expert, zeker gelet op de uitvoerige berekeningen van haar pensioenconsulent, heeft medegedeeld.

[eiser] heeft gerechtvaardigd vertrouwd in de zin van artikel 3:53 BW op de mede-delingen van PME ter zake van de hoogte van het nabestaandenpensioen. PME is gehouden die toezeggingen gestand te doen.

Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven, heeft PME [eiser] genoodzaakt de vordering ter incasso uit handen te geven. [eiser] heeft daardoor vermogensschade geleden, bestaande uit de buitengerechtelijke incassokosten. PME dient deze kosten aan [eiser] te voldoen. [eiser] vordert vergoeding van deze kosten op basis van het rapport Voorwerk I.

Het verweer

PME betwist de vordering en voert daartoe het volgende aan:

Primair:

Een beroep op artikel 3:35 BW kan nimmer slagen indien geen sprake is van een ‘verklaring’ of ‘gedraging’ in de zin van die bepaling.

Het jaarlijks door PME verstuurde UPO is geen verklaring van een op een rechtsgevolg gerichte wil. Het UPO dient ertoe om de deelnemers jaarlijks te informeren over hun pensioenaanspraken. In dat verband verwijst PME naar artikel 38 lid 2 PSW waarin staat dat het om jaarlijkse informatie aan deelnemers gaat.

Ook de door Dorren verstrekte berekening is niet aan te merken als een verklaring van een op een rechtsgevolg gerichte wil.

Omdat geen sprake is geweest van een verklaring of gedraging van PME die een op een rechtsgevolg gerichte wil weergaf, is niet voldaan aan het noodzakelijke vereiste van artikel 3:33 BW en kan het beroep van [eiser] op artikel 3:35 BW niet slagen.

Subsidiair:

Er is bij [eiser] geen sprake geweest van gerechtvaardigd vertouwen in de zin van artikel 3:35 BW.

Niet alleen de onjuiste informatievoorziening door PME moet worden meegenomen, maar ook de correcte informatievoorziening door PME, de informatievoorziening door Stork, de informatie uit het pensioenreglement van PME, de informatie uit de PSW, de disclaimers en de informatie op het aanvraagformulier voor de TOP-uitkering.

Het nabestaandenpensioen bedraagt normaliter 70% van het ouderdomspensioen.

[eiser] stelt dat zij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat het nabestaandenpensioen 127% van het ouderdomspensioen van [echtgenoot] zou bedragen. Het zou gaan om een nabestaandenpensioen dat ruim 81% hoger ligt dan wanneer het zou worden vastgesteld op 70% van het ouderdomspensioen van [echtgenoot]. Dit maakt de stellingen van [eiser] ongeloofwaardig.

Uit de bepalingen van het pensioenreglement vloeit voort dat het nabestaandenpensioen lager is dan het ouderdomspensioen.

Indien uitruilkeuze heeft plaatsgevonden, dan kan het nabestaandenpensioen hoger worden maar nooit meer dan de maximale 100% van het ouderdomspensioen.

Op 20 juni 2011 is het aanvraagformulier voor de TOP-uitkering ondertekend.

[eiser] wist derhalve dat de standaardverhouding tussen nabestaandenpensioen en ouderdomspensioen 70% bedraagt. In dat formulier is duidelijk aangegeven dat de verhouding 70/100 moest zijn.

Zowel de UPO’s als de door Dorren verstrekte pensioenberekening is voorzien van disclaimers die aan duidelijkheid niets te wensen overlaten. Ten opzichte van [echtgenoot] en [eiser] is duidelijk gecommuniceerd dat aan de UPO’s en de berekening geen rechten kunnen worden ontleend, dan wel dat het pensioenreglement bepalend is voor de hoogte van de pensioenrechten.

Dorren heeft op 5 oktober 2011 een deels onjuiste berekening verstrekt, omdat die berekening was gebaseerd op foutieve gegevens uit het UPO 2010. Minder dan drie weken daarna, op 24 oktober 2011, en ruim voor de beoogde pensioeningangsdatum, heeft Dorren zijn fout hersteld en een juiste opgave gedaan van het nabestaandenpensioen waarop [eiser] aanspraak maakte.

Het nabestaandenpensioen is definitief vastgesteld kort na 26 oktober 2011, terwijl [eiser] al op 24 oktober 2011 van Dorren te horen had gekregen dat het partnerpensioen niet € 31.439,00 per jaar zou bedragen, maar € 20.454,00 per jaar. PME heeft nimmer een te hoog nabestaandenpensioen aan [eiser] uitgekeerd.

Van belang is dat [eiser] geen financiële verplichtingen, laat staan onherroepelijke financiële verplichtingen gebaseerd op het beweerdelijk gerechtvaardigde vertrouwen is aangegaan.

De waardeoverdracht van het pensioenfonds van Stork aan PME leidt niet tot pensioenaanspraken die bij een nieuwe uitvoerder opeens veel hoger zijn. Met de overdrachtswaarde kunnen bij een nieuwe pensioenuitvoerder pensioenaanspraken worden ingekocht van in totaliteit (ouderdomspensioen plus partnerpensioen) eenzelfde waarde.

De beoordeling

1. Bij de beoordeling dient de kantonrechter van het volgende uit te gaan: Pensioenaanspraken van [echtgenoot] en [eiser] vloeien rechtsreeks voort uit het Pensioenreglement van PME. Indien voldaan is aan de in het Pensioenreglement neergelegde voorwaarden, is het ontstaan van pensioenaanspraken niet (ook nog) afhankelijk van een daartoe strekkende handeling of gedraging van PME, zoals een toekenning of administratie van de pensioenaanspraken. Of en in hoeverre de aanspraken van [eiser] op nabestaandenpensioen zijn opgebouwd, wordt dus uitsluitend bepaald door het antwoord op de vraag of en in hoeverre aan de daartoe gestelde voorwaarden van het Pensioenreglement is voldaan. Een eventuele “toekenning” door PME in de vorm van de via de UPO’s verstrekte informatie houdt niet meer in dan een bevestiging of vastlegging door PME dat [echtgenoot] op grond van het Pensioenreglement bepaalde pensioenaanspraken heeft opgebouwd

2. Tussen partijen is niet in geschil dat is voldaan aan de voorwaarden die het Pensioenreglement van PME stelt aan de opbouw van het nabestaandenpensioen van [eiser].

3. Op grond van het vorenstaande is de kantonrechter van oordeel dat het primaire verweer van PME slaagt. De door PME verstrekte UPO’s kunnen immers niet anders worden beschouwd dan als een administratieve handeling om [eiser] informatie te verstrekken. Dit wordt benadrukt door de vermelding in de UPO’s: “Het kan echter voorkomen dat de gepubliceerde informatie onvolledig of onjuist is. PME aanvaardt hiervoor geen aansprakelijkheid.”

4. De informatie die door middel van de UPO’s wordt verstrekt, kan niet worden beschouwd als een verklaring of gedraging gericht op een rechtsgevolg in de zin van artikel 3:33 BW. [eiser] kan zich daarom niet beroepen op gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van het bepaalde bij artikel 3:35 BW.

5. Reeds op grond van het vorenstaande moet de vordering worden afgewezen.

6. [eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van PME tot op heden vastgesteld op € 800,00 wegens salaris gemachtigde.

Verklaart deze veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.P. Veenhof en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde uitspraakdatum.

Coll.