Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3583

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
421394 CV EXPL 12-4461
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De werkgever moet tijdens de gehele duur van de loonsanctie het loon tijdens ziekte doorbetalen, omdat de verkorting van de loonsanctie na bezwaar van de werknemer is vervallen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 670
Burgerlijk Wetboek Boek 7 677
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2013/152
AR-Updates.nl 2013-0768
JAR 2013/152

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Hoorn

Zaaknr/rolnr.: 421394 CV EXPL 12-4461

Uitspraakdatum: 22 april 2013

Vonnis in de zaak van:

[naam], wonende te [plaats]

eisende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. C.M. de Wijs, verbonden aan SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer

tegen

de besloten vennootschap Action Nederland B.V., gevestigd te Zwaagdijk-Oost

gedaagde partij

verder ook te noemen: Action

gemachtigde: mr. L. Bijl, advocaat te Hoorn.

Het procesverloop

1.

[werknemer] heeft bij dagvaarding van 31 oktober 2012 een vordering ingesteld. Action heeft schriftelijk geantwoord. Na beraad heeft de kantonrechter bij vonnis van 14 januari 2013 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen. Die zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2013, waar [werknemer] is verschenen, bijgestaan door mr. De Wijs, en waar voor Action is verschenen [X], bedrijfsjurist, bijgestaan door mr. Bijl. Met het oog op de zitting heeft Action bij brief van 1 maart 2013 nog een stuk toegezonden. Vervolgens is vandaag uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

2.

[werknemer] is op 5 oktober 2005 bij Action in dienst getreden en laatstelijk werkzaam geweest als winkelmedewerkster in een filiaal van Action te Emmen, voor een salaris van € 601,67 bruto per maand.

3.

Op 3 juni 2009 is [werknemer] wegens ziekte uitgevallen voor haar werk.

4.

Bij beslissing van 4 april 2011 heeft het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: UWV) aan Action meegedeeld dat het loon van [werknemer] tijdens ziekte tot 30 mei 2012 moet worden doorbetaald . Die beslissing komt erop neer dat de verplichting van Action om op grond van artikel 7:629 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) het loon tijdens ziekte gedurende 104 weken door te betalen, wordt verlengd met 52 weken. Een dergelijke beslissing wordt in de praktijk ook wel benoemd als ‘loonsanctie’. Het UWV heeft aan de beslissing ten grondslag gelegd de stelling dat Action haar re-integratieverplichtingen ten aanzien van [werknemer] niet is nagekomen. Het bezwaar van Action tegen dit besluit is door het UWV bij besluit van 24 juni 2011 ongegrond verklaard. Tegen dat laatste besluit is geen beroep ingesteld.

5.

Bij brief van 26 oktober 2011 heeft Action aan het UWV gevraagd om te beslissen dat de aan haar opgelegde loonsanctie wordt verkort, omdat zij inmiddels wel aan haar re-integratieverplichtingen had voldaan. Bij beslissing van 25 november 2011 heeft het UWV de loonsanctie verkort en aan Action meegedeeld dat het loon van [werknemer] tijdens ziekte tot 17 december 2011 moet worden doorbetaald.

6.

Op 29 maart 2012 heeft het UWV aan Action toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. Bij brief van 4 april 2012 heeft Action de arbeidsovereenkomst tegen 1 juni 2012 opgezegd .

7.

[werknemer] heeft bezwaar gemaakt tegen eerdergenoemde beslissing van het UWV van 25 november 2011 om de loonsanctie tot 17 december 2011 te verkorten. Bij besluit van 23 mei 2012 heeft het UWV het bezwaar van [werknemer] gegrond verklaard.

8.

Bij brief van 30 mei 2012 is namens [werknemer] een beroep gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging door Action.

9.

Bij brief van 19 juni 2012 is Action namens [werknemer] aangemaand om het loon vanaf 19 december 2011 door te (blijven) betalen. Action heeft dat in een brief van 22 juni 2012 geweigerd.

10.

De kantonrechter te Emmen heeft bij vonnis van 11 oktober 2012 in kort geding een vordering van [werknemer] om Action te veroordelen tot doorbetaling van loon afgewezen, waarbij is overwogen dat een spoedeisend belang ontbreekt en dat de kans groot is dat in een bodemprocedure zal komen vast te staan dat [werknemer] rechtsgeldig is ontslagen.

11.

Bij beschikking van 12 februari 2013 heeft de kantonrechter te Emmen de arbeidsovereenkomst tussen partijen, voor zover deze nog bestaat, met ingang van 1 maart 2013 ontbonden.

Het geschil

12.

[werknemer] vordert – na vermindering van eis – dat Action wordt veroordeeld tot betaling van € 601,67 bruto aan loon per maand vanaf 19 december 2011 tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Verder vordert [werknemer] betaling van de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW en wettelijke rente. Daarbij stelt [werknemer] dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is geëindigd door de opzegging van Action, zodat Action vanaf 19 december 2011 gehouden is loon door te betalen. Volgens [werknemer] heeft het UWV bij besluit van 23 mei 2012 haar bezwaar tegen verkorting van de loonsanctie gegrond verklaard, zodat ervan moet worden uitgegaan dat die loonsanctie voortduurde tot 30 mei 2012 en er tot die datum dus ook een opzegverbod tijdens ziekte gold.

13.

Action stelt dat zij de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig heeft opgezegd met haar brief van 4 april 2012, zodat deze per 1 juni 2012 is geëindigd. Action neemt het standpunt in dat het UWV met haar besluit van 23 mei 2012 weliswaar het bezwaar van [werknemer] tegen verkorting van de loonsanctie gegrond heeft verklaard, maar dat daarmee die verkorting van de loonsanctie niet is vervallen of teruggedraaid. Volgens Action heeft zij daarom op en na 19 december 2011 geen verplichting meer tot doorbetaling van loon. Action wijst er daarbij ook op dat een loonsanctie niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd.

14.

Bij de beoordeling zal zo nodig nog nader op de standpunten van partijen worden ingegaan.

De beoordeling

15.

Het gaat in deze zaak om de vraag of [werknemer] op en na 19 december 2011 recht heeft op loondoorbetaling tijdens ziekte en of de arbeidsovereenkomst op 1 juni 2012 rechtsgeldig is geëindigd. Daarover wordt het volgende overwogen.

16.

Het UWV heeft bij beslissing van 4 april 2011 aan Action eerdergenoemde loonsanctie opgelegd, zoals bedoeld in artikel 25 lid 9 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA), op de grond dat Action haar re-integratieverplichtingen ten aanzien van [werknemer] niet is nagekomen. Het bezwaar daartegen van Action is ongegrond verklaard bij besluit van 24 juni 2011 en Action heeft tegen dat besluit geen beroep ingesteld. Daarmee staat vast dat de verplichting van Action tot doorbetaling van loon tijdens ziekte van [werknemer] in beginsel tot 30 mei 2012 voortduurt. Dat volgt uit artikel 7:629 lid 1 BW, in verbinding met artikel 7:629 lid 11, aanhef en onder b, BW. Ook brengt dit mee dat het opzegverbod tijdens ziekte voortduurt tot 30 mei 2012, gelet op artikel 7:670 lid 10, aanhef en onder c, BW.

17.

Volgens artikel 25 lid 12 van de Wet WIA kan een werkgever, nadat een loonsanctie is opgelegd, aan het UWV vragen om het tijdvak van 52 weken waarover de loonsanctie is opgelegd te verkorten, indien de werkgever van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van zijn re-integratieverplichtingen heeft hersteld. Als het UWV vaststelt dat die tekortkoming is hersteld, eindigt het tijdvak waarover de loonsanctie is opgelegd zes weken na die vaststelling, zo volgt uit artikel 25 lid 14 Wet WIA. De beslissing om een loonsanctie op te leggen en de beslissing om een loonsanctie daarna al dan niet te verkorten, zijn twee verschillende en te onderscheiden besluiten, waarover ook afzonderlijke bezwaar- en beroepsprocedures moeten worden gevoerd (zie: CRvB 10 oktober 2012, LJN BY0602; RSV 2012/297).

18.

In dit geval heeft het UWV bij beslissing van 25 november 2011 het tijdvak van de loonsanctie tot 17 december 2011 verkort. Het bezwaar van [werknemer] tegen deze beslissing is vervolgens door het UWV bij besluit 23 mei 2012 gegrond verklaard. [werknemer] noch Action hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

19.

Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit het besluit op bezwaar van het UWV van 23 mei 2012 dat de loonsanctie ten onrechte tot 17 december 2011 is verkort. In het besluit van 23 mei 2012 wordt het bezwaar van [werknemer] tegen die verkorting immers gegrond verklaard. Ook stelt het UWV in dat besluit dat de loondoorbetalingsverplichting ten onrechte is beëindigd en dat de re-integratie-inspanningen van Action onvoldoende zijn geweest. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat het UWV zijn besluit om de loonsanctie te verkorten niet (meer) handhaaft en die verkorting dus is komen te vervallen.

20.

Aan Action kan worden toegegeven dat het UWV in zijn besluit op bezwaar van 23 mei 2012 de beslissing van 25 november 2011 tot verkorting van de loonsanctie niet heeft vernietigd. Gelet op artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) had het UWV strikt genomen niet mogen volstaan met het enkel gegrond verklaren van het bezwaar van [werknemer], maar had het de beslissing van 25 november 2011 ook nog moeten herroepen. Echter, het enkele ontbreken van de woorden ‘herroepen’ of ‘vernietigen’ in het besluit van het UWV van 23 mei 2012 doet niet af aan de duidelijke bedoeling en strekking van dat besluit, namelijk dat de verkorting van de loonsanctie niet wordt gehandhaafd en dat die verkorting dus komt te vervallen. Daarbij wordt ook in aanmerking genomen dat het UWV in het besluit van 23 mei 2012 aan [werknemer] een vergoeding voor de kosten van het bezwaar heeft toegekend, hetgeen gezien artikel 7:15 lid 2 Awb alleen mogelijk is als de beslissing waartegen het bezwaar is gericht, wordt herroepen. De e-mail van 17 juli 2012 van een medewerker van het UWV, waarin wordt gesteld dat het UWV “geen actie onderneemt vwb de loonsanctie, die is geëindigd per 17 december 2011” is geen reden voor een andere conclusie, omdat die e-mail niet valt te rijmen met inhoud van het besluit van 23 mei 2012 en geacht moet worden op een kennelijke misslag te berusten.

21.

De stelling van Action dat zij door het UWV ten onrechte niet is betrokken in de bezwaarprocedure die heeft geleid tot het besluit van 23 mei 2012, kan geen doel treffen. Deze stelling had Action naar voren kunnen en moeten brengen in een beroepsprocedure bij de (toenmalige) sector bestuursrecht van de rechtbank. Nu zij dit niet heeft gedaan, moet de kantonrechter ervan uitgaan dat het besluit van 23 mei 2012 juist is. Dat besluit heeft zogenoemde formele rechtskracht gekregen (zie: HR 22 oktober 2010, LJN BM7040; NJ 2011/6).

22.

De conclusie van het voorgaande is dat de aan Action opgelegde loonsanctie niet is verkort tot 17 december 2011 en dus tot 30 mei 2012 heeft voortgeduurd. Dat betekent dat ook dat de verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte heeft voortgeduurd tot 30 mei 2012, net als het opzegverbod tijdens ziekte. Verder volgt daaruit dat [werknemer] terecht een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Action. Die opzegging is immers in strijd met artikel 7:670 lid 1 BW en daarmee vernietigbaar op grond van artikel 7:677 lid 5 BW. De arbeidsovereenkomst is dus niet op 1 juni 2012 geëindigd.

23.

Action heeft nog aangevoerd dat zij niet verplicht is tot loondoorbetaling na 19 december 2011, omdat volgens Action een loonsanctie niet met terugwerkende kracht kan worden opgelegd. Naar de kantonrechter begrijpt, heeft Action hiermee het oog op artikel 25 lid 11 Wet WIA, waaruit volgt dat het UWV geen loonsanctie meer kan opleggen na afloop van de zogeheten wachttijd, welke wachttijd in geval van [werknemer] op of rond 30 mei 2011 eindigde. Echter, in geval van [werknemer] is geen sprake van het opleggen van een loonsanctie met terugwerkende kracht. Die loonsanctie is immers – tijdig – opgelegd bij beslissing van het UWV van 4 april 2011 en die beslissing staat vast. Er is wel sprake van een situatie waarin het UWV na bezwaar van [werknemer] achteraf zijn beslissing om de loonsanctie te verkorten niet (meer) handhaaft, waardoor die verkorting als het ware met terugwerkende kracht is komen te vervallen. Daaraan staat echter geen rechtsregel in de weg en dat is ook niet in strijd met artikel 25 Wet WIA of de Awb. Overigens wist Action, althans kon zij weten, dat voor [werknemer] de mogelijkheid bestond om bezwaar te maken tegen de beslissing tot verkorting van de loonsanctie, zodat zij er ook rekening mee kon en moest houden dat dit bezwaar gegrond zou kunnen worden verklaard.

24.

Ter zitting heeft [werknemer] erkend dat de verplichting tot loondoorbetaling tijdens ziekte niet langer voortduurt dan tot 30 mei 2012, de datum tot welke die verplichting door het UWV is verlengd. Verder heeft [werknemer] erkend dat Action op en na 19 december 2011 niet het volledige loon moet doorbetalen, maar 70% daarvan, zoals ook volgt uit artikel 7:629 lid 1 BW, in verbinding met artikel 7:629 lid 11, aanhef en onder b, BW. Dit betekent dat Action over de periode van 19 december 2011 tot 30 mei 2012 zal worden veroordeeld tot betaling van € 421,17 bruto (70% x € 601,67 bruto) per maand. De wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW zal worden gematigd tot 10%. De verschuldigdheid van wettelijke rente is niet betwist, zodat deze kan worden toegewezen, hetgeen ook geldt voor de vordering om een deugdelijke bruto/netto-specificatie van de betalingen te overleggen.

25.

De kantonrechter ziet geen grond om de vordering tot doorbetaling van loon te matigen met toepassing van artikel 7:680a BW, zoals Action heeft verzocht. De vordering tot loondoorbetaling is immers niet toegewezen op grond van de vernietigbaarheid van de opzegging, maar op grond van artikel 7:629 lid 1 BW. Er is ook geen reden om te oordelen dat de toewijzing van de loonvordering naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

26.

Nu Action ongelijk krijgt, moet zij de proceskosten van [werknemer] betalen.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt Action om tegen behoorlijk bewijs van kwijting en onder overlegging van een deugdelijke bruto/netto-specificatie over de periode van 19 december 2011 tot 30 mei 2012 aan [werknemer] te betalen € 421,17 bruto per maand, onder aftrek van hetgeen (over die periode) reeds ten titel van loon aan [werknemer] is betaald, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW tot een maximum van 10%, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het loon en de verhoging vanaf het opeisbaar worden daarvan tot de dag van gehele voldoening.

Veroordeelt Action in de proceskosten, die tot heden voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 606,67 (€ 99,67 dagvaardingskosten, € 207,00 aan griffierecht en een bedrag van € 300,00 voor salaris van de gemachtigde van [werknemer]).

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 22 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier

De kantonrechter