Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA3029

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
07-05-2013
Datum publicatie
13-06-2013
Zaaknummer
zaak/rolnr.: 551539 CV EPL 12-4086
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het enkele feit dat de passagiers een volmacht hebben afgegeven om de vordering namens hen te innen, betekent niet dat de eigendom van het vorderingsrecht is overgedragen. Transavia heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat de voorafgaande vlucht vertraging heeft opgelopen tengevolge van mist en laaghangende bewolking. Deze bijzondere omstandigheid werkt niet door op (de) volgende vlucht(en).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 551539 CV EPL 12-4086

datum uitspraak: 7 mei 2013

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[A.], pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger voor zijn minderjarige kind [B.]

te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde E.S.A. Wiggers

tegen

de commanditaire vennootschap

TRANSAVIA AIRLINES C.V.

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Transavia

gemachtigde mr. M. Reevers

De procedure

De passagiers hebben Transavia gedagvaard op 6 februari 2012. Transavia heeft schriftelijk geantwoord. De passagiers hebben daarop schriftelijk gereageerd, waarna Transavia nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. De kantonrechter heeft vervolgens beslist de zaak aan te houden tot 22 november 2012 in afwachting van het antwoord van het Hof van Justitie van de Europese Unie - hierna te noemen: het Hof - op de aan hem gestelde prejudiciële vragen over de rechtsgeldigheid van het zogenaamde Sturgeon-arrest. Bij pleidooi van 17 en 31 januari en 14 maart 2013 hebben partijen hun standpunten nader mondeling toegelicht. Partijen hebben pleitnotities overgelegd.

De feiten

a. De passagiers hebben met Transavia een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Transavia de passagiers zou vervoeren van Salzburg naar Rotterdam op 6 februari 2010 met vertrektijd 19.20 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 20.50 uur (lokale tijd) en vluchtnummer HV5608, hierna: de vlucht.

b. De vlucht heeft een vertraging van omstreeks 3 uur en 8 minuten opgelopen.

c. De passagiers hebben compensatie van Transavia gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van in totaal € 500,00.

d. Transavia heeft geweigerd dit bedrag te betalen.

De vordering

De passagiers vorderen dat Transavia bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

- € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 6 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en het Sturgeon arrest van 19 november 2009. De passagiers stellen dat Transavia vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 250,00 per passagier.

Het verweer

Transavia betwist de vordering. Transavia beroept zich primair op de niet ontvankelijkheid van de passagiers. Transavia voert daartoe aan dat de passagiers de bevoegdheid om op eigen naam tegen Transavia te procederen heeft prijsgegeven door mogelijke aanspraken jegens Transavia over te dragen aan EU Claim. Daarnaast voert Transavia aan dat bij gebreke van een rechterlijke machtiging de passagier niet bevoegd is om namens zijn minderjarige kind deze procedure te voeren.

Zij voert subsidiair aan dat de vordering dient te worden afgewezen omdat – kort samengevat – er sprake is van vertraging en er dan geen aanspraak bestaat op compensatie.

Meer subsidiair beroept Transavia zich op buitengewone omstandigheden. Op 6 februari 2010 was er in Nederland sprake van mist en laaghangende bewolking. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft Transavia het dagrapport, de management rapportage van het Operation Control Center, de low visibility procedures en een overzicht van de weersomstandigheden op 6 februari 2010 van het KNMI, overgelegd. Als gevolg hiervan kon de voorafgaande vlucht niet vanuit Rotterdam naar Salzburg vertrekken. De passagiers zijn toen vanaf Rotterdam met bussen naar Eindhoven vervoerd, vanwaar het toestel wel kon vertrekken. Aldus kwam het toestel dat de vlucht in kwestie moest uitvoeren met vertraging in Salzburg aan. De vlucht in kwestie is hierdoor eveneens met vertraging uitgevoerd. Bovendien had ook deze vlucht last van de slechte weersomstandigheden. Volgens Transavia kan zij op weersomstandigheden geen enkele invloed uitoefenen. Transavia heeft voorts alle maatregelen genomen die van haar verwacht konden worden om de overlast te beperken.

De beoordeling

1. Het enkele feit dat de passagiers aan EUclaim B.V. een volmacht hebben gegeven om de vordering namens hen te innen, betekent niet dat de eigendom van het vorderingsrecht aan EUclaim B.V. is overgedragen. Daarvoor is immers een akte van cessie vereist, en het bestaan daarvan is gesteld noch gebleken. De passagiers kunnen de vordering in rechte dan ook uitsluitend zelf instellen, zodat het verweer van Transavia op niet ontvankelijkheid faalt.

2. Het beroep op de niet ontvankelijkheid van [A.] voor wat betreft het onderdeel van de vordering met betrekking tot zijn minderjarige kind wordt verworpen, omdat de passagiers bij conclusie van repliek een beschikking d.d. 1 februari 2012 van de kantonrechter te Haarlem in het geding hebben gebracht, met een machtiging van [A.] om namens zijn minderjarige kind deze procedure te voeren.

3.Uit de beantwoording van de prejudiciële vragen (het arrest van het Hof van 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson – Lufthansa) en C-629/10 (TUI c.s. – Civil Aviation Authority) volgt –kort samengevat– dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd, zodat de passagiers ook bij vertraging van een zekere duur recht op compensatie kunnen hebben, tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 14 van de Verordening.

4. Ten aanzien van het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden overweegt de kantonrechter als volgt. In de considerans van de Verordening, artikel 14, heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert. Op grond van artikel 5 lid 3 van de Verordening is de luchtvaartmaatschappij niet verplicht compensatie als bedoeld in artikel 7 te betalen, indien zij kan aantonen dat de annulering of vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden.

5. Het Europese Hof heeft in zijn arrest Wallentin-Hermann van 22 december 2008 in rechtsoverweging 40 overwogen dat, aangezien niet alle buitengewone omstandigheden aanleiding geven tot vrijstelling, de luchtvaartmaatschappij die zich op dergelijke omstandigheden beroept bovendien moet aantonen dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van aan de situatie aangepaste maatregelen, dat wil zeggen maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden met name voldoen aan voor de betrokken luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. In rechtsoverweging 41 heeft het Hof overwogen dat de vervoerder dient aan te tonen dat hij zelfs met inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van zijn onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot annulering – en na het Sturgeonarrest – tot langdurige vertraging van de vlucht leidden.

6. Met Transavia is de kantonrechter van oordeel dat Transavia voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de voorafgaande vlucht door het slechte zicht niet van Rotterdam kon vertrekken en daardoor met vertraging in Salzburg aankwam. Ten aanzien van de voorafgaande vlucht is daarmee sprake van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet konden worden voorkomen. Vervolgens ligt de vraag voor of deze bijzondere omstandigheden ‘doorwerken’ op de terugvlucht, de vlucht in de onderhavige zaak.

7. Anders dan Transavia is de kantonrechter van oordeel dat deze bijzondere omstandigheid niet doorwerkt op (de) volgende vlucht(en). In overweging 14 van de Verordening, waarin voorbeelden worden gegeven van bijzondere omstandigheden, wordt immers expliciet gesproken over ‘weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen’. De woorden ‘in kwestie’ worden bij de andere voorbeelden, politieke onstabiliteit, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen, niet vermeld. Op grond van de tekst van de Verordening verwerpt de kantonrechter het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden. De terugvlucht van Salzburg naar Rotterdam kan immers niet als (onderdeel van) ‘de vlucht in kwestie’ worden beschouwd.

8. Gelet op de duur van de vertraging van de vlucht zal de hoofdsom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.

9. De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. Transavia heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Niet gesteld of gebleken is dat de door de passagiers verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten moet daarom worden afgewezen.

Transavia zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde rente over de toe te wijzen proceskosten is niet toewijsbaar, nu Transavia ten aanzien van deze kosten thans nog niet in verzuim is, zodat aan de eisen van art. 6:119 BW niet is voldaan. De gevorderde rente over de proceskosten zal evenwel worden toegewezen met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt Transavia tot betaling aan de passagiers van € 500,00 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 500,00 vanaf 6 februari 2010, tot aan de dag van voldoening van (de deelbetalingen van) dit bedrag;

- veroordeelt Transavia tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd,

dagvaarding € 90,64

griffierecht € 73,00

salaris gemachtigde € 300,00

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardennburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.