Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA2802

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
29-05-2013
Datum publicatie
11-06-2013
Zaaknummer
C-15-195661 - HA ZA 12-407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3:260 jo 3:84 en 3:89 BW. Aan de vestiging van de (derden)hypotheek ontbreekt een geldige titel omdat er geen overeenkomst tussen de bank en de hypotheekverlener is totstandgekomen. Geen conversie op grond van het feit dat er tussen hypotheekverlener en derde en tussen derde en bank wel hypotheekafspraken bestaan. De bank moet meewerken aan doorhaling van de nietige hypotheek. De notaris heeft door het passeren van de hypotheekakte onzorgvuldig gehandeld en is daarom schadeplichtig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/195661 / HA ZA 12-407

Vonnis van 29 mei 2013

in de zaak van

1. [A],

en

2. [B],

beiden wonende te [woonplaats],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. M.C. Rosier te Amsterdam,

tegen

1. de naamloze vennootschap RABOHYPOTHEEKBANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

en

2. de coöperatie COÖPERATIEVE RABOBANK HAARLEM EN OMSTREKEN U.A.,

gevestigd te Haarlem,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. R.A.M. Schram te Haarlem,

en tegen

3. [de notaris],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

procesadvocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam, feitelijk optredend advocaat mr. T. Riyazi.

Eiser 1 zal hierna [A], eiseres 2 [B] en eisers tezamen eisers of [A] c.s., gedaagden 1 en 2 tezamen Rabobank en gedaagde 3 de notaris genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 5 december 2012

- de akte ter comparitie, tevens akte inbreng producties, van Rabobank

- de conclusie van antwoord in reconventie, tevens akte houdende overlegging producties in conventie en reconventie, van [A] c.s.

- het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2013

- de akte van de notaris van 10 april 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [B] is afkomstig uit Ecuador. Eisers zijn op 14 april 2006 met elkaar gehuwd. Eisers hebben geen (bank)relatie met Rabobank.

2.2. [A] is sedert 13 oktober 1998 eigenaar van het woonhuis met ondergrond en (een kadastraal apart perceel) tuin aan de [adres 1] (hierna samen aangeduid als: [adres 1]) en sedert 13 maart 2007 van het perceel met daarop (toen) een loods aan de nabijgelegen [adres 2] (hierna aangeduid als: [adres 2]).

2.3. Ten overstaan van de notaris is [A] met Vista Vastgoed Ontwikkeling B.V. (hierna: Vista), waarvan [C] en [D] (indirect) bestuurders zijn, op 7 juni 2007 een overeenkomst aangegaan onder de titel “Koopovereenkomst”. In deze overeenkomst verkoopt [A] (aangeduid als verkoper) aan Vista (aangeduid als koper) [adres 1] voor een koopprijs van € 575.000. Vista verplicht zich bij die overeenkomst als betaling van de koopprijs (beding artikel 3, eerste lid aanhef en onder a) eerst op [adres 2] een woning alsmede een (te verhuren) appartement te bouwen waarbij de bouwsom is vastgesteld op € 341.400. Daarna zal Vista, zo is de bedoeling, een appartementengebouw realiseren op [adres 1]. Vista verplicht zich vervolgens als betaling van de koopprijs (beding artikel 3, eerste lid aanhef en onder b) aan [A] te leveren een appartementsrecht op een nieuwbouwappartement met garage in dat appartementengebouw op [adres 1] (met een cascoprijs van € 233.600, met enkele nog niet vastgestelde bedragen te vermeerderen). De bedoeling van partijen is dat [A] [adres 1] eerst juridisch levert als Vista aan haar (bouw)verplichtingen heeft voldaan.

De overeenkomst bevat voorts het beding:

“Vestiging zekerheidshypotheek

Artikel 18

Ter meerdere zekerheid voor de nakoming door verkoper van zijn verplichtingen voortvloeiende uit deze koopovereenkomst jegens koper, alsmede in verband met het voorschot op de koopprijs door de werkzaamheden aan [adres 2], wordt door verkoper een eerste hypotheek op het verkochte, alsmede op [adres 2] gevestigd ten behoeve van de koper, voor een bedrag in hoofdsom maximaal groot zeshonderdduizend euro (…)”

2.4. Rabobank heeft een financieringsrelatie met Vista. In oktober 2007 heeft Rabobank in dat kader aan Vista een krediet verleend voor de ontwikkeling van het project van Vista aan [adres 1]. Als voorwaarde bij de kredietverlening heeft Rabobank zekerheden gevraagd van Vista waaronder:

“Te vestigen hypotheek van EUR 600.000,00 als 1e op [adres 1]

(…)

De hypotheekakte wordt opgemaakt bij notaris [naam notariskantoor] te [woonplaats].”

2.5. Bij brief van 24 oktober 2007 van de zijde van Rabobank aan (het kantoor van) de notaris, door de notaris overgelegd als productie 2 bij zijn conclusie van antwoord, verzoekt Rabobank een hypotheekakte op te maken, waarbij de hypotheek dient te worden gevestigd op [adres 1] ten behoeve van - onder meer - Rabohypotheekbank N.V. en als debiteur optreedt Vista. Achter “Hypotheekgever(s)” is vermeld: “-“.

2.6. De notaris heeft [A] c.s. uitgenodigd om op 15 november 2007 ten overstaan van hem een hypotheekakte te passeren.

2.7. Op 15 november 2007 is ten overstaan van de notaris een hypotheekakte opgemaakt, waarbij [A] c.s. aanwezig waren en waarbij [A] als comparant A, hypotheekgever, optrad. In de akte is voorts onder meer vermeld:

dat verscheen:

“mevrouw (…) [E] (…) ten deze handelend als mondeling gevolmachtigde van: [Rabobank] hierna te noemen: bank

(…)”

en voorts:

“Overeenkomst tot het vestigen van hypotheek- en pandrechten

De comparanten verklaarden dat de hypotheekgever en de bank zijn overeengekomen dat door de hypotheekgever ten behoeve van de bank het recht van hypotheek (…) worden gevestigd op de in deze akte (…) omschreven goederen, tot zekerheid als in deze akte omschreven.

Hypotheekverlening

De comparant onder A genoemd verklaarde, ter uitvoering van voormelde overeenkomst, aan de bank hypotheek te verlenen tot het hierna te noemen bedrag op het hierna te noemen onderpand, tot zekerheid voor de betaling van al hetgeen de bank blijkens haar administratie van [Vista] (..) hierna te noemen: debiteur, te vorderen heeft of mocht hebben uit hoofde van verstrekte en/of alsnog te verstrekken geldleningen, verleende en/of alsnog te verlenen kredieten in rekening-courant, tegenwoordige en/of toekomstige borgstellingen, dan wel uit welke anderen hoofde ook.

(…)

Hypotheekbedrag

De comparant onder A genoemd verklaarde dat vermelde eerste hypotheek is verleend tot een (…) totaalbedrag van (…) € 810.000,00

op:

Onderpand

[adres 1]

(…)

Toestemming echtgenote

(…) die verklaarde tot het vorenstaande toestemming als bedoeld in (…) Boek 1 (…) te hebben gegeven.

(…)

Waarvan akte, (…) welke akte is getekend door de comparanten en mij, notaris, na zakelijke opgave van en toelichting op de inhoud der akte en verklaring van de comparanten, dat zij tijdig van de inhoud der akte hebben kennisgenomen en volledige voorlezing niet verlangen. (…)”

Mevrouw [E] is werkzaam op het kantoor van de notaris.

2.8. Voorafgaand aan het passeren van de hypotheekakte hebben [A] c.s. en de Rabobank geen contact met elkaar gehad.

2.9. In mei 2009 heeft Vista de nieuwbouw op [adres 2] opgeleverd. [A] c.s. zijn toen naar [adres 2] verhuisd en hebben [adres 1] aan Vista feitelijk ter beschikking gesteld. Met werkzaamheden aan [adres 1] is Vista nog niet begonnen.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [A] c.s. vorderen samengevat en zoals toegelicht ter zitting – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. nietigverklaring, althans vernietiging, van de onder 2.7 bedoelde hypotheekakte, althans ontbinding van die hypotheekverlening, met veroordeling van Rabobank om – op straffe van een dwangsom - binnen 2 weken na betekening van dit vonnis mee te werken aan doorhaling van de inschrijving van die hypotheek in de openbare registers;

II. een verklaring van recht dat de notaris ter zake de hypotheekakte ernstig is tekortgeschoten, c.q. onrechtmatig heeft gehandeld, jegens [A] c.s. in de nakoming van zijn verplichtingen als notaris en deswege aansprakelijk is jegens [A] c.s. voor alle schade die daar uit voortvloeit;

III. veroordeling van de notaris om aan [A] c.s. te betalen alle door [A] c.s. in het voortraject en deze procedure door hen in redelijkheid gemaakte feitelijke juridische kosten die niet als proceskostenveroordeling op de Rabobank kunnen worden verhaald;

met veroordeling van Rabobank en de notaris in de proceskosten.

3.2. Aan de onder I weergegeven vordering leggen [A] c.s. primair ten grondslag dat een geldige titel voor de vestiging van hypotheek ontbreekt, subsidiair dat [B], die in elk geval toentertijd de Nederlandse taal onvoldoende machtig was, bij afwezigheid van een tolk bij het passeren van de hypotheekakte niet de vereiste toestemming heeft verleend, en meer subsidiair dat [A] bij de zakelijke overeenkomst van hypotheekverlening heeft gedwaald en/of dat de notaris en Rabobank niet aan hun zorg- en informatieverplichtingen hebben voldaan.

3.3. Rabobank en de notaris voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

3.4. Rabobank vordert ingeval de hypotheek in conventie nietig wordt geacht of wordt vernietigd samengevat – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. verklaring van recht dat het hypotheekrecht op grond van artikel 3:42 BW rechtsgeldig is met dien verstande dat het verhaalsrecht van de bank beperkt wordt tot € 300.000 en enkel geldt tot zekerheid van het krediet dat aan Vista is verstrekt ter uitvoering van de onder 2.3 bedoelde overeenkomst;

2. voor zover het hypotheekrecht nietig is of wordt vernietigd, veroordeling van [A] c.s. tot betaling van € 300.000, of zoveel als Rabobank te vorderen heeft van Vista uit hoofde van het onder 2.4 bedoelde krediet, vermeerderd met wettelijke rente;

met veroordeling van [A] c.s. in de proceskosten.

3.5. [A] c.s. voeren verweer.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie en (voorwaardelijke) reconventie

4.1. Op grond van artikel 3:260, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) vinden de algemene voorschriften die voor vestiging van beperkte rechten op registergoederen zijn gegeven, ook op de vestiging van een hypotheek toepassing. Op grond van artikel 3:84 en 3:98 BW wordt – voor zover hier van belang - voor de vestiging van een beperkt recht op een goed vereist een levering krachtens geldige titel.

4.2. [A] c.s. voeren primair aan dat een geldige titel voor de vestiging van de hypotheek ten behoeve van Rabobank ontbreekt.

4.3. Rabobank voert daartegenover aan dat in de hypotheekakte “de afspraak “ van [A] met Rabobank is neergelegd inhoudende dat [A] aan Rabobank een recht van hypotheek verleent. Rabobank stelt daarbij dat de notaris een concept van de hypotheekakte te voren aan [A] heeft toegestuurd en dat [A] de akte heeft ondertekend, waarin de hypotheekafspraak is neergelegd.

4.4. De notaris heeft in dit verband gesteld dat het ongeloofwaardig is dat [A] niet zou hebben geweten dat in de hypotheekakte een derdenhypotheek is opgenomen en dat [C] en [D] kunnen verklaren dat zij met [A] hebben besproken dat Rabobank wilde dat er een derdenhypotheek werd gesloten.

4.5. Ter zitting heeft de notaris verklaard dat het gebruikelijk is dat een hypotheekofferte de titel voor de hypotheekverlening bevat. Hij heeft voorts verklaard dat hij het concept van de hypotheekakte heeft gemaakt op basis van de onder 2.5 bedoelde opdrachtbrief van Rabobank en erkend dat uit die brief niet blijkt dat [A] de hypotheekgever is. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet weet wanneer de titel tot hypotheekverlening tot stand is gekomen en dat, voor zover hij weet, de titel niet ten overstaan van hem op 15 november 2007 op zijn kantoor tot stand is gekomen en dat hij niet toen, op 15 november 2007, heeft geconstateerd dat er toen een overeenkomst tussen Rabobank en [A] tot stand kwam.

4.6. De rechtbank concludeert dat op basis van de feiten vaststaat dat er tussen [A] en Rabobank geen overeenkomst is totstandgekomen – of andere rechtshandeling is verricht – die de titel kan vormen voor de vestiging van de hypotheek met [A] als hypotheekgever en Rabobank als hypotheeknemer. [A] heeft immers gesteld dat hij nimmer met Rabobank afspraken over hypotheekverlening heeft gemaakt en Rabobank heeft erkend dat zij nimmer vòòr 15 november 2007 met [A] contact heeft gehad, zodat zij voor 15 november 2007 ook geen overeenkomst met hem over hypotheekverlening heeft kunnen sluiten. De notaris heeft voorts bevestigd dat ten overstaan van hem op 15 november 2007 een dergelijke overeenkomst ook niet tot stand is gekomen.

Het is verder de vraag of, zoals Rabobank en de notaris stellen, uit de toezending van de concept-akte aan [A] de totstandkoming van een dergelijke hypotheekafspraak wel kan worden afgeleid. Rabobank verklaart immers zelf geen contact met [A] te hebben gehad en niet is gesteld of gebleken dat de notaris bevoegd was en bedoeld heeft op die wijze namens Rabobank jegens [A] op te treden. Het beroep op die stelling faalt echter reeds op de constatering dat [A] gemotiveerd heeft betwist de concept-akte voorafgaand aan 15 november 2007 te hebben ontvangen. Noch Rabobank, noch de notaris hebben hun stelling nader onderbouwd dat [A] die concept-akte voordien wel heeft gekregen, laat staan dat zij daarvan toereikend bewijs hebben aangeboden. Onder deze omstandigheden noopt de constatering van de notaris, c.q. de verklaring van [A] en Rabobank, in de notariële akte dat zij zijn overeengekomen dat door de hypotheekgever ten behoeve van de bank het recht van hypotheek wordt gevestigd op de in de akte omschreven goederen niet tot een ander oordeel, omdat de rechtbank op basis van de vaststaande feiten concludeert, dat die verklaring niet juist is. Het gaat hierbij bovendien niet om een vaststelling van de notaris zelf over het bestaan van de (geldige) titel: uit de verklaringen van de notaris ter zitting en uit zijn processtukken blijkt immers dat hij de titel voor hypotheekverlening niet onder ogen heeft gehad.

4.7. Uit het onder 4.6 overwogene volgt dat aan de hypotheekverlening door [A] aan Rabobank geen geldige titel ten grondslag ligt. Dit oordeel wordt niet anders door de stelling van de notaris dat [C] en [D] zouden kunnen verklaren dat zij met [A] hebben besproken dat Rabobank wilde dat er een derdenhypotheek werd gevestigd, omdat uit die door hen overgebrachte wens van hun kredietverschaffer, Rabobank, niet kan volgen dat [A] aan Rabobank die derdenhypotheek ook wilde verlenen en uit het enkele overbrengen van die wens het tot stand komen van een derdenbeding – overigens in afwijking van de onder 2.3 weergegeven overeenkomst tussen Vista en [A] – tussen Vista of [C] en [D] en [A] ten gunste van Rabobank niet volgt. Hetgeen Rabobank en de notaris overigens ten verwere nog hebben aangevoerd kan aan dit oordeel ook niet afdoen. Hun beroep op het feit dat [A] c.s. niet binnen bekwame tijd zouden hebben geklaagd, zoals bedoeld in artikel 6:89 BW, kan hen niet baten, omdat die regel ziet op niet-nakoming van een verbintenis en daarvan is hier geen sprake. De stelling dat niet geloofwaardig zou zijn dat [A] c.s. tussen 2007 en 2011, toen zij een beroep deden op het ontbreken van de titel, niet hebben geweten dat in de hypotheekakte in plaats van hypotheekverlening aan Vista een derdenhypotheek ten gunste van Rabobank werd gevestigd, kan hen ook niet baten. Die stelling doet immers niet af aan het feit dat een geldige titel ontbreekt, nog daargelaten dat zij die stelling niet hebben waargemaakt. Hetgeen partijen over en weer over de subsidiaire en meer subsidaire grondslag van de vordering van [A], bedoeld onder 3.1 onder I, hebben aangevoerd, hoeft geen bespreking.

4.8. Uit 4.7 volgt dat de voorwaarde voor het instellen van de reconventionele vordering van Rabobank is vervuld. Die vordering slaagt echter niet om de volgende redenen.

4.9. De rechtbank begrijpt het standpunt van Rabobank voor de primaire vordering aldus dat uit het feit dat tussen Vista en [A] afspraken bestaan over hypotheekverlening en tussen Vista en Rabobank eveneens, volgt dat de verleende, nietige, hypotheek daarmee beantwoordt aan een geldige rechtshandeling tussen [A] en Vista of tussen Vista en Rabobank, zodat de gevestigde hypotheek op grond van artikel 3:42 BW moet worden geconverteerd in een geldige hypotheek. Dat standpunt volgt de rechtbank niet, omdat met een conversie naar ofwel een geldige hypotheek tussen [A] en Vista of tussen Rabobank en Vista, wat er overigens van de daaraan ten grondslag liggende stellingen ook zij, niet een geldige hypotheek tussen Rabobank en [A] tot stand komt. Aan de subsidiaire vordering tot veroordeling van [A] tot betaling van een bedrag aan Rabobank gaat de rechtbank reeds voorbij, omdat die vordering niet toereikend is onderbouwd. Dat [A] door het wegvallen van de hypotheek ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt in het geval Vista zijn kredietverplichtingen jegens Rabobank niet nakomt, valt, zoals [A] gemotiveerd heeft bestreden, immers niet in te zien, al was het maar omdat [A] voor de bouw van zijn nieuwe huis aan [adres 2] en de bouw en verkrijging van een appartement aan [adres 1] zelf jegens Vista een tegenprestatie moet verrichten, waarvan Rabobank niet heeft gesteld dat die niet volwaardig zou zijn.

4.10. De vorderingen in conventie tot nietigverklaring en doorhaling van de hypotheek en de opdracht tot medewerking daaraan van Rabobank komen gelet op het vorenstaande voor toewijzing in aanmerking. De gevorderde dwangsom zal als volgt worden gemaximeerd.

4.11. Ten aanzien van de vordering van [A] c.s. jegens de notaris overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank stelt daarbij eerst vast dat niet is gebleken dat [A] zelf opdracht aan de notaris heeft gegeven tot het passeren van de hypotheekakte, zodat er ook geen overeenkomst tussen hem en de notaris tot stand is gekomen. De rechtbank zal die vordering, zoals [A] ter zitting ook heeft aangevoerd, daarom alleen toetsen aan de regels voor onrechtmatige daad. [A] heeft in dat verband aangevoerd dat de notaris ernstig is tekortgeschoten in zijn taakvervulling.

4.12. De notaris heeft in dit verband – ook – met een verwijzing naar artikel 6:89 BW als meest verstrekkend aangevoerd dat [A] c.s. niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek in de prestatie van de notaris heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, ter zake bij de notaris heeft geprotesteerd en daarom geen beroep meer kan doen op het hiervoor geconstateerde gebrek in de prestatie van de notaris rond het passeren van de hypotheekakte.

4.13. Dit verweer gaat reeds niet op omdat artikel 6:89 BW niet van toepassing is op verbintenissen die – uitsluitend – voortvloeien uit een onrechtmatige daad.

4.14. De notaris heeft onrechtmatig jegens [A] c.s. gehandeld als hij niet is opgetreden zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mocht worden verwacht. Die situatie doet zich hier voor. Terwijl de notaris betrokken was geweest bij en op de hoogte was van de (inhoud van) de (koop)overeenkomst tussen [A] en Vista en uit de opdracht van Rabobank niet volgt dat Rabobank een hypotheekafspraak had met [A], had de notaris behoren te verifiëren of er daadwerkelijk een overeenkomst – of andere titel – bestond die [A] jegens de Rabobank verplichtte tot hypotheekverlening. Dat heeft de notaris nagelaten. Hij heeft daarmee anders dan van een redelijk bekwaam en redelijk handelend notaris mocht worden verwacht ernstig onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig gehandeld. De vermelding in de hypotheekakte dat er wel een hypotheekafspraak tussen [A] en Rabobank zou zijn, kan hem niet baten. Hij had die akte immers zelf zonder voldoende onderzoek opgemaakt, niet is gebleken dat [A] – ruim tevoren – over een concept van de akte beschikte en niet is gebleken dat de notaris bij het passeren nadrukkelijk nog heeft onderzocht of [A] een dergelijke afspraak met Rabobank heeft gemaakt.

4.15. Dat betekent dat de notaris gehouden is de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden. Er is, anders dan de notaris nog aanvoert, geen grond die schade op grond van eigen schuld deels aan [A] toe te rekenen. Voorafgaand aan het passeren van de akte heeft [A] geen handelingen verricht die rechtvaardigen hem de schade wegens eigen schuld (deels) toe te rekenen. Niet is immers gebleken dat hij de concept-akte op voorhand toegestuurd heeft gekregen. De enige omstandigheid die aan [A] zou kunnen worden toegerekend, is het feit dat hij bij het tekenen van de akte niet heeft gezien dat niet Vista als hypotheeknemer is vermeld maar Rabobank. Mede gelet op het feit dat uit de akte zelf blijkt dat de notaris met een beperkte voorlezing heeft volstaan en Rabobank niet zelf bij het passeren van de akte aanwezig was maar zich door een notarisklerk liet vertegenwoordigen, ziet de rechtbank geen grond de schade voor een deel toe te rekenen aan [A], nog daargelaten dat de ernst van de fout van de notaris in dit verband meebrengt dat toerekening aan [A] onder de omstandigheden van het geval niet redelijk is.

4.16. [A] stelt dat de schade als gevolg van de onrechtmatige daad € 1.900 bedraagt. Het gaat, aldus [A], om alle door hem in het voortraject en in deze procedure in redelijkheid gemaakte juridische kosten die niet krachtens een proceskostenveroordeling op de Rabobank kunnen worden verhaald en voor alle schade voor hem voorvloeiend uit de ten onrechte gevestigde hypotheek. Voor wat betreft het voortraject tot het uitbrengen van de dagvaarding in deze zaak bedragen de kosten € 1.900. Hij onderbouwt die schadebegroting met een specificatie van zijn advocaat, waarin is vermeld dat de advocaat tussen 21 september 2011 en 1 maart 2012 met de notaris en met Rabobank mondeling en schriftelijk overleg heeft gehad. De notaris betwist de juistheid van de specificatie niet, maar voert aan dat [A] c.s. slechts aanspraak kan maken op buitengerechtelijke kosten in verband met (intensieve) schikkingsonderhandelingen met de notaris. In dat verweer volgt de rechtbank hem niet. Uit de specificatie en de – niet bestreden – toelichting van [A] c.s. ter zitting blijkt immers dat de schade ziet op hun pogingen om de Rabobank buiten rechte te bewegen de situatie ten gevolge van de onjuiste hypotheek(akte) te doen herstellen. Die kosten komen op grond van artikel 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking. Die kosten zijn ook een rechtstreeks gevolg van de onrechtmatig door de notaris gepasseerde akte. De vordering komt dan ook tot het bedrag van € 1.900 voor toewijzing in aanmerking. Andere schadeposten hebben [A] vooralsnog niet concreet gesteld, zodat de rechtbank thans niet aan een verdere vaststelling toekomt.

4.17. Rabobank en de notaris zullen in conventie, hoofdelijk, als de in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 90,64

- griffierecht 267,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.261,64.

4.18. Rabobank zal daarnaast in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] c.s. worden begroot op:

- salaris advocaat 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 452,00.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart de onder 2.7 bedoelde hypotheekakte van 15 november 2007 nietig,

5.2. veroordeelt Rabobank om binnen twee weken na betekening van dit vonnis kosteloos mee te werken aan doorhaling in de openbare registers van de inschrijving van de onder 2.7 bedoelde hypotheek,

5.3. veroordeelt Rabobank om aan [A] een dwangsom te betalen van € 20.000 voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 850.000 is bereikt,

5.4. verklaart van recht dat de notaris ter zake de onder 2.7 bedoelde hypotheekakte ernstig tekort is geschoten jegens [A] c.s. in de nakoming van zijn verplichtingen als notaris en deswege aansprakelijk is jegens [A] c.s. voor alle schade en kosten die voor hen uit die hypotheekakte tot de vernietiging daarvan voortvloeien,

5.5. veroordeelt de notaris tot betaling van € 1.900 (negentienhonderd euro) aan [A] c.s. als schade voor het onder 5.4 bedoelde onrechtmatig handelen,

5.6. veroordeelt Rabobank en de notaris, hoofdelijk, in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 1.261,64,

5.7. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9. wijst de vorderingen af,

5.10. veroordeelt Rabobank in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 452,00,

5.11. verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.M. Bruin en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2013.?