Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA2311

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
16-04-2013
Datum publicatie
06-06-2013
Zaaknummer
548467 CV EXPL 12-2814
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Luchtvaartclaim

De passagiers hebben niet (gemotiveerd) betwist dat de tailstrike is veroorzaakt door een plotselinge windstoot, zodat de kantonrechter van oordeel is dat in dit geval sprake is van een technisch mankement dat wordt veroorzaakt door een ‘van buitenkomende omstandigheid’, welke omstandigheid de luchtvaartmaatschappij niet kon voorkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton – locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 548467 CV EXPL 12-2814

datum uitspraak: 16 april 2013

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

1. [33 passagiers]

te [woonplaats]

eisers

hierna gezamenlijk te noemen de passagiers

gemachtigde mr. F. Niemöller

tegen

de commanditaire vennootschap

TRANSAVIA AIRLINES

te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Transavia

gemachtigde mr. M. Reevers

De procedure

De passagiers hebben Transavia gedagvaard op 22 december 2011. Transavia heeft schriftelijk geantwoord.De passagiers hebben daarop schriftelijk gereageerd, waarna Transavia nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. Daarbij heeft Transavia nog producties overgelegd. Bij pleidooi van 17 januari, 31 januari en 14 maart 2013 hebben partijen hun standpunten nader toegelicht. Partijen hebben pleitnotities overgelegd.

De feiten

a. De passagiers hebben met Transavia een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan Transavia de passagiers zou vervoeren van Amsterdam naar Las Palmas op 13 januari 2010 met vertrektijd 5.30 uur (lokale tijd) en aankomsttijd 9.05 uur (lokale tijd) en vluchtnummer HV 663, hierna: de vlucht.

b. De vlucht heeft een vertraging van omstreeks 3 uren en 55 minuten opgelopen.

c. De passagiers hebben bij brief van 2 maart 2010 compensatie van Transavia gevorderd in verband met voornoemde vertraging ten bedrage van € 400,00 per passagiers.

d. Transavia heeft geweigerd tot betaling van het gevorderde bedrag over te gaan.

De vordering

De passagiers vorderen dat Transavia bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:

- € 13.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

- € 952,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;

- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en het Sturgeon arrest van 19 november 2009. De passagiers stellen primair dat Transavia vanwege annulering van de vlucht en subsidiair vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

Het verweer

Transavia betwist de vordering. Transavia beroept zich primair op de niet ontvankelijkheid van de passagiers. Transavia voert daartoe aan dat de passagiers de bevoegdheid om op eigen naam tegen Transavia te procederen hebben prijsgegeven door mogelijke aanspraken jegens Transavia over te dragen aan EU Claim. Transavia voert verder aan dat de passagiers geen aanspraak meer op compensatie toekomt omdat de passagiers niet binnen bekwame tijd hebben geklaagd.

Transavia betwist dat sprake is van annulering. Zij voert aan dat sprake is van vertraging, omdat er slechts op een andere wijze uitvoering is gegeven aan de oorspronkelijke vlucht. Subsidiair voert Transavia aan dat de vordering dient te worden afgewezen omdat – kort samengevat – er in geval van vertraging geen aanspraak bestaat op compensatie.

Meer subsidiair voert Transavia aan dat zij geen compensatie verschuldigd is omdat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. Ter onderbouwing van haar meer subsidiaire standpunt heeft Transavia aangevoerd dat het toestel dat de vlucht uitvoerde luchtwaardig was en was vrijgegeven voor vertrek. Tijdens de take-off hebben de bemanningsleden een harde klap gehoord; de staart van het toestel is tijdens het roteren in aanraking gekomen met de grond. De gezagvoerder heeft omwille van de vliegveiligheid besloten de vlucht af te breken en terug te keren naar de luchthaven. Daar is het toestel geïnspecteerd. De technische dienst heeft geconstateerd dat er aanzienlijke schade is aan het toestel. Aangezien de reparatie van het toestel langere tijd in beslag zou nemen heeft Transavia een ander toestel ingezet om de passagiers naar hun bestemming te vervoeren.

Transavia heeft aangevoerd dat een tailstrike wordt veroorzaakt door onvoorziene omstandigheden, vrijwel altijd door een windstoot.

De beoordeling

1. Ten aanzien van het beroep van Transavia op de niet-ontvankelijkheid overweegt de kantonrechter dat het enkele feit dat de passagiers aan EUclaim B.V. een volmacht hebben gegeven om de vordering namens hen te innen, niet betekent dat de eigendom van het vorderingsrecht aan EUclaim B.V. is overgedragen. Daarvoor is immers een akte van cessie vereist, en het bestaan daarvan is gesteld noch gebleken. De passagiers kunnen de vordering in rechte dan ook uitsluitend zelf instellen, zodat dit verweer van Transavia op niet ontvankelijkheid faalt.

2. Ten aanzien van het beroep van Transavia op het overschrijden van de klachttermijn overweegt de kantonrechter als volgt. Aangezien partijen een vervoersovereenkomst hebben gesloten in de zin van artikel 8:1390 BW, is de in artikel 8:1835 BW opgenomen vervaltermijn van twee jaar van toepassing. Deze vervaltermijn geldt immers voor iedere vordering ter zake van een overeenkomst van luchtvervoer en vangt aan op de dag volgend op de dag van aankomst van het luchtvaarttuig ter bestemming, op de dag, waarop het luchtvaartuig had moeten aankomen of de dag waarop het luchtvervoer wordt onderbroken. De onderhavige vorderingen zijn binnen deze termijn ingesteld, zodat het beroep van Transavia op overschrijding van de klachttermijn van twee jaar wordt verworpen.

3. De kantonrechter deelt het standpunt van Transavia dat in het voorliggende geval sprake is van vertraging en niet van een annulering. De oorspronkelijke vlucht is immers aangevangen en vervolgens teruggekeerd naar Schiphol vanwege een onverwacht vliegveiligheidprobleem. Met betrekking tot het verweer van Transavia dat in het geval van vertraging geen compensatie verschuldigd is, overweegt de kantonrechter dat uit de beantwoording van de prejudiciële vragen (het arrest van het Hof van 23 oktober 2012 in de gevoegde zaken C-581/10 (Nelson – Lufthansa) en C-629/10 (TUI c.s. – Civil Aviation Authority) volgt –kort samengevat– dat het Sturgeon-arrest als geldend recht dient te worden beschouwd, zodat de passagiers ook bij vertraging van een zekere duur recht op compensatie kunnen hebben, tenzij sprake is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in paragraaf 14 van de Verordening.

4. Ten aanzien van het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden overweegt de kantonrechter in algemene zin als volgt. In de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.

5. Niet alle buitengewone omstandigheden geven aanleiding tot vrijstelling van de compensatieverplichting. De luchtvaartmaatschappij moet stellen en aantonen dat deze omstandigheden hoe dan ook niet voorkomen hadden kunnen worden door het treffen van maatregelen die op het tijdstip van de buitengewone omstandigheden voldoen aan voor de luchtvaartmaatschappij aanvaardbare technische en economische voorwaarden. Het moet gaan om omstandigheden waarop de luchtvervoerder geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen.

6. Het Europese Hof heeft in zijn arrest Wallentin Herman de buitengewone omstandigheid ‘onverwachte vliegveiligheidsproblemen’ nader ingevuld. Het Hof heeft geoordeeld dat technische mankementen kunnen worden beschouwd als onverwachte vliegveiligheidsproblemen. Aldus het Hof kunnen de omstandigheden die een dergelijk voorval vergezellen alleen dan als uitzonderlijk in de zin van artikel 5 lid 3 van de Verordening worden aangemerkt, wanneer zij verband houden met een gebeurtenis die niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de betrokken luchtvaartmaatschappij en de luchtvaartmaatschappij hierop geen invloed kan uitoefenen wegens de aard of de oorsprong van de gebeurtenis.

7. Het Hof heeft in r.o. 24 en 25 uiteengezet welke technische problemen inherent zijn aan de normale uitvoering van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. Het gaat om technische problemen die worden vastgesteld tijdens het onderhoud van luchtvaartuigen of die het gevolg zijn van onvolkomenheden bij een dergelijk onderhoud. Deze technische mankementen vormen aldus geen uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van de Verordening.

8. Transavia heeft bij het pleidooi van 17 en 31 januari 2013 betoogd dat deze technische mankementen binnen de daadwerkelijke controle van de luchtvaartmaatschappij vallen. Volgens Transavia ligt dat anders met technische mankementen of een indicatie daarvan die zich voordoen tijdens de operatie (dat wil zeggen: een mankement of een indicatie daarvan dat zich voordoet nádat het toestel is vrijgegeven – released to service-). Transavia heeft betoogd dat zij ten onrechte wordt bestraft als zij compensatie moet betalen aan passagiers wier vlucht meer dan drie uur is vertraagd door een technisch mankement of een indicatie daarvan dat zich op dat (na release to service) moment heeft voorgedaan en waarvan Transavia wil (en moet) onderzoeken of sprake is van een luchtwaardig toestel en een veilige vlucht. Deze mankementen zijn, aldus Transavia, niet inherent aan, van nature innig verbonden met, noodzakelijk eigen aan, of zoals in de authentieke tekst van het arrest staat ‘nicht Teil der normalen Ausübung der Tätigkeit des betroffenes Luftfahrtunternehmens’. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst Transavia naar uitspraken van de Inspectie Leefomgeving en Transport en de Geschillencommissie Luchtvaart.

9. De passagiers hebben, samengevat, betoogd dat de redenering van Transavia in strijd is met de tekst van artikel 5 lid 3 van de Verordening, het Wallentin Hermann arrest, het Sturgeon arrest, het Eglitis arrest en het Nelson arrest. Technische mankementen zijn, aldus de passagiers, inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van een luchtvaartmaatschappij. Een vliegtuig bestaat uit veel onderdelen en het is nu eenmaal een gegeven dat die onderdelen kapot kunnen gaan. Het gaat er niet om of Transavia de vluchtverstoring als gevolg van een technisch probleem had kunnen voorkomen. Eerst moet bepaald worden of sprake is van een buitengewone omstandigheid en eerst wanneer dat het geval is moet worden getoetst of de luchtvaartmaatschappij deze omstandigheid had kunnen voorkomen. Dat technische problemen zich voordoen komt, kort samengevat, aldus de passagiers voor risico van Transavia.

10. Gelet op (a) de tekst van r.o. 26 van het Wallentin Herman arrest -‘kan niet worden uitgesloten’-, (b) de aard van de door het Hof gegeven voorbeelden – het Hof noemt slechts van buitenkomende oorzaken – in samenhang met (c) de doelstelling van de Verordening, te weten een hoog niveau van consumentenbescherming, oordeelt de kantonrechter dat in zijn algemeenheid een technisch mankement of een indicatie daarvan, dat zich voordoet nadat het toestel is vrijgegeven –released to service– in beginsel moet worden beschouwd als inherent aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij en aldus geen buitengewone omstandigheid oplevert.

11. In het voorliggende geval heeft Transavia aangevoerd dat sprake was van een tailstrike. De passagiers hebben zich op het standpunt gesteld dat Transavia van de tailstrike geen bewijs heeft geleverd; zij betwisten de betrouwbaarheid van managementrapportage OCC 14-01-2010. Tijdens het pleidooi heeft Transavia evenwel toegelicht waarom een kop en een staart ontbreekt aan het managementdocument. De kantonrechter zal er mitsdien van uitgaan dat bij de start van de vlucht een tailstrike heeft plaatsgevonden. Transavia heeft onweersproken betoogd dat een tailstrike een onverwacht vliegveiligheidprobleem oplevert. Transavia heeft verder de stelling van de passagiers dat de tailstrike is veroorzaakt door een onjuiste verdeling van de passagiers over het vliegtuig gemotiveerd weersproken door aan te voeren dat het zwaartepunt van het vliegtuig vlak voor het vertrek wordt bepaald. Transavia heeft aangevoerd dat een tailstrike wordt veroorzaakt door een plotselinge windstoot. De passagiers hebben deze stelling niet (gemotiveerd) betwist, zodat de kantonrechter van de juistheid van die stelling uit zal gaan. Aldus wordt geoordeeld dat in het voorliggende geval sprake is van een technisch mankement dat wordt veroorzaakt door een ‘van buitenkomende omstandigheid’, welke omstandigheid Transavia niet heeft kunnen voorkomen.

12. Vervolgens moet de vraag beantwoord worden of Transavia er alles aan gedaan heeft om de vertraging te voorkomen. Onweersproken heeft Transavia betoogd dat zij direct de technische dienst opdracht heeft gegeven om de vereiste controles en reparaties uit te voeren. Nadat de technische dienst had geconstateerd dat het toestel door de tailstrike dusdanig was beschadigd dat de reparatie langere tijd in beslag zou nemen heeft Transavia een ander toestel ingezet om de vlucht (met vertraging) uit te voeren.

13. Het voorgaande betekent dat het beroep van Transavia op buitengewone omstandigheden slaagt en de vordering van de passagiers zal worden afgewezen. De passagiers zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Daarbij worden de passagiers ook veroordeeld tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Transavia worden gemaakt.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Transavia tot en met vandaag worden begroot op € 1.500,00 aan salaris gemachtigde;

- veroordeelt de passagiers tot betaling van € 100,00 aan nasalaris voor zover daadwerkelijk nakosten door Transavia worden gemaakt;

- verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.