Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1235

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
11-04-2013
Datum publicatie
28-05-2013
Zaaknummer
422005 CV EXPL 12-2965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Werkgever dient de kosten voor de verplichte nascholing van de werknemer te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0433
Prg. 2013/195
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Den Helder

Zaaknr/rolnr.: 422005 CV EXPL 12-2965 WG

Uitspraakdatum: 11 april 2013

Vonnis in de zaak van:

[naam] te [plaats]

eisende partij

verder ook te noemen: [werknemer]

gemachtigde: mr. J.H. Mastenbroek, advocaat te Groningen

tegen

de besloten vennootschap AB Texel B.V. te Oudeschild

gedaagde partij

verder ook te noemen: AB

gemachtigde: mr. P.M.M. Massuger te Zoetermeer.

Het procesverloop

[werknemer] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 5 november 2012.

AB heeft bij antwoord verweer gevoerd.

Vervolgens is bij tussenvonnis een comparitie van partijen gelast welke is gehouden.

Partijen hebben pleitnotities overgelegd.

[werknemer] heeft voorafgaand aan de comparitie nog een productie in het geding gebracht.

De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.

Ten slotte is heden opnieuw uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.[werknemer] is sedert 2002 bij AB in dienst in de functie van chauffeur.

2.Op deze arbeidsovereenkomst is de C.A.O voor het beroepsgoederen vervoer van toepassing.

3.Artikel 43 van de C.A.O. bepaalt:

“Ingeval scholing anders dan bedoeld in artikel 44 wordt gevolgd in opdracht van de werkgever en/of op grond van een aan de functie verbonden wettelijke verplichting, dienen aan de werknemer de cursuskosten, het examengeld en de reiskosten (volgens de in dat jaar geldende fiscale maximum netto kilometervergoeding) te worden vergoed. Voorts zal de werkgever de cursustijd, die overdag wordt gevolgd op de doordeweekse dagen, vergoeden. Deze uren tellen niet mee bij de bepaling van het aantal overuren.”

4.Artikel 45 van de C.A.O. bepaalt:

“De werkgever heeft de mogelijkheid terzake van de in de artikelen 43 en 44 genoemde kosten voor aanvang van de opleiding een studiekostenregeling aan z’n werknemers voor te leggen.

Deze studiekostenregeling verplicht de werknemer:

-bij ontslagname van de werknemer binnen een jaar na het behalen van het diploma/certificaat:

-75% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen;

bij ontslagname van de werknemer binnen twee jaar na het behalen van het diploma/certificaat:

-50% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen;

bij ontslagname van de werknemer binnen drie jaar na het behalen van het diploma/certificaat:

-25% van de kosten van de genoten opleiding terug te betalen.”

5.Voor het beroepsmatig besturen dient de chauffeur regelmatig cursussen te volgen teneinde de zogenaamde code 95 aantekening op het rijbewijs te verkrijgen.

6.In 2010 heeft AB een studieregeling ingesteld. Daarbij werd aan de chauffeurs de gelegenheid geboden de code 95 aantekening te behalen in combinatie met een MBO opleiding.

7.De cursus kost circa € 3.500,00.

8.De chauffeur dient in het voorstel van AB de kosten verbonden aan de MBO opleiding (gedeeltelijk) terug te betalen indien hij ontslag neemt. Binnen één jaar geldt een terugbetalingsverplichting van 75% binnen twee jaar 50% en binnen drie jaar 25%.

9.Het volgen van deze cursus is niet verplicht. Wel dient de werknemer in het aanbod van AB, indien hij zelf de nascholing verzorgt de daaraan verbonden kosten ook zelf te betalen.

10.De nascholing gedurende minimaal 35 uur is voor [werknemer] wettelijk verplicht en hij diende voor september 2016 de “code 95” te behalen.

11.[werknemer] heeft de door AB aangeboden cursus niet geaccepteerd.

12.[werknemer] heeft zelf een cursus in 2012 geregeld en met goed gevolg gedaan.

13.De daaraan verbonden kosten bedragen € 976,55.

14.AB heeft geweigerd deze kosten voor haar rekening te nemen.

Het geschil

[werknemer] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I.AB te veroordelen tot betaling aan [werknemer] van een bedrag ad € 976,55 inclusief btw ter zake van de door [werknemer] gevolgde cursus en een bedrag van € 146,48 ter zake van de buitengerechtelijke incassokosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

II.AB te veroordelen in de kosten van dit geding, het salaris van de gemachtigde van [werknemer] daaronder begrepen, onder de bepaling dat over de proceskosten wettelijke rente verschuldigd is voor zover die niet binnen veertien dagen na de datum waarop in het in dezen te wijze vonnis is gewezen aan [werknemer] zijn voldaan.

[werknemer] baseert zijn vordering mede op de hiervoor weergegeven vaststaande feiten en omstandigheden. Hij stelt voorts, zakelijk samengevat, het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 43 van de C.A.O. dient AB deze factuur te betalen.

[werknemer] maakt tevens aanspraak op betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 146,48.

AB concludeert tot afwijzing van de vordering van [werknemer] en voert hiertoe, zakelijk samengevat, het volgende aan.

Nu [werknemer] niet de door AB aangeboden cursus heeft willen volgen dient hij zelf de kosten verbonden aan de nascholing te betalen. Artikel 43 van de C.A.O. is niet van toepassing. AB is ook van mening dat de kosten te hoog zijn en dat de door [werknemer] gevolgde cursus (deels) zinloos is voor zijn functioneren als chauffeur. Subsidiair meent AB daarom dat zij slechts gehouden is € 339,46 te betalen.

AB verwijt [werknemer] dat hij geen overleg met AB heeft gevoerd alvorens met de cursus te starten. Toewijzing van de vordering zal grote gevolgen hebben voor AB omdat alle 180 werknemers dan maar hun gang kunnen gaan bij het volgen van de nascholing.

AB vordert ten slotte dat [werknemer] in de kosten van het geding van AB worden veroordeeld, zijnde € 1.250,00.

De beoordeling

De kantonrechter overweegt als volgt.

Werknemers/chauffeurs van AB zijn wettelijk verplicht indien zij hun functie willen blijven uitoefenen nascholing te doen en in ieder geval een cursus te doen welke er voor zorgt dat zij de aantekening “code 95” ontvangen. Het feit dat in artikel 43 van de C.A.O. staat dat de wettelijke verplichting verbonden is aan de functie en mogelijk dus ook geldt voor bijvoorbeeld werkloze chauffeurs maakt dit niet anders.

Onbetwist is overigens dat die wettelijke verplichting voor [werknemer] wel geldt.

De kantonrechter acht artikel 43 van de C.A.O. van toepassing.

Niet wettelijk verplicht is de door AB in dit kader aangeboden cursus gecombineerd met een MBO opleiding.

Dit aanbod betekent dat aan [werknemer] de gelegenheid wordt gegeven de betreffende aantekening te behalen, doch uitsluitend onder de door AB aangegeven voorwaarden.

Indien hij de aangeboden cursus niet volgt dient hij, zoals weergegeven, zelf aan de wettelijke verplichting te voldoen maar dan op eigen kosten.

De vraag is of AB hiertoe in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Immers, onvoldoende is duidelijk geworden waarom werknemers een dure cursus moeten volgen en een deel van de daaraan verbonden kosten mogelijk moeten terugbetalen terwijl ook met een goedkopere cursus kan worden volstaan, zoals volgt uit de door [werknemer] gevolgde cursus.

Het min of meer verplichte aanbod van AB brengt forse financiële risico’s voor [werknemer] mee. Immers indien hij zelf het dienstverband binnen de termijnen als genoemd in artikel 45 van de C.A.O. zou beëindigen rust op hem een aanzienlijke terugbetalingsverplichting.

Nu voorts vast staat dat [werknemer] wettelijk verplicht is de aantekening te halen ligt het in de rede dat de kosten daarvan in beginsel door AB worden vergoed.

Vervolgens is de vraag of in het individuele geval van [werknemer] deze verplichting van AB bestaat.

AB heeft in dit verband aangevoerd dat [werknemer] geen overleg heeft gevoerd. Echter voldoende is komen vast te staan op grond van de overgelegde bescheiden dat er overleg heeft plaats gevonden. De kantonrechter wijst op de als productie 2 van de dagvaarding overgelegde e-mail van [werknemer] aan AB. Uit deze mail volgt dat overleg plaats had. Dit blijkt eveneens uit de mail van 10 mei 2012 van een medewerkster van AB aan de manager P&O. In die mail staat dat zij in die week al meerdere malen contact had met [werknemer] over het opleidingstraject. Duidelijk werd door AB gemaakt aan [werknemer] dat er “over die punten niet langer gediscussieerd ging worden.”

Het standpunt van AB was helder: niet meedoen aan haar aanbod betekende zelf betalen. Onduidelijk blijft dan wat er overigens nog te overleggen valt. Vast staat dat door AB niet naar een andere oplossing met [werknemer] is gezocht. Het feit dat [werknemer] mogelijk een verkeerde toon heeft aangeslagen bij zijn voorstellen betekent nog niet dat AB zijn voorstel zonder meer mocht weigeren.

Voorts geldt de omstandigheid dat [werknemer] pas in 2016 over de vereiste papieren diende te beschikken niet als een omstandigheid die tot afwijzing van de vordering leidt.

Vast staat immers dat [werknemer] deze papieren diende te behalen en daarmee is zijn belang en overigens ook het belang van AB gegeven.

Ten slotte resteert de vraag of AB het gehele factuurbedrag dient te betalen. Zij heeft aangevoerd dat een deel van de door [werknemer] gevolgde opleiding voor zijn functie nutteloos is geweest en is subsidiair bereid een bedrag van€ 339,46 te betalen.

Ook dit verweer wordt niet gehonoreerd.

Niet gesteld of gebleken is dat de kosten verbonden aan de door [werknemer] gevolgde cursus onredelijk hoog zouden zijn. Voorts staat vast dat de cursus vorkheftruck ook in het door AB aangeboden pakket zat. De overige posten op de factuur zijn eveneens redelijk te achten. Door AB is niet betwist dat de hoogte van de factuur marktconform is.

De kantonrechter begrijpt het belang van AB bij een uniforme regeling. Echter dit belang dient in dit geval te wijken voor het individuele belang van [werknemer]. Het had op de weg van AB gelegen met [werknemer] in overleg te treden over een redelijk alternatief.

Onderhavige beslissing brengt niet mee dat elk van de werknemers maar op eigen houtje een opleiding kan gaan regelen en de kosten daaraan verbonden bij AB in rekening brengen.

Uiteraard dient constructief overleg plaats te hebben.

Omdat [werknemer] er in redelijkheid toe kon besluiten zijn vordering uit handen te geven en voldoende is gebleken van buitengerechtelijke werkzaamheden dient AB ook die kosten te betalen.

AB dient als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

Alle overige stellingen van AB leiden niet tot een andere beslissing en deze behoeven derhalve geen bespreking meer.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt AB om aan [werknemer] tegen kwijting te betalen een bedrag van € 1.123,03, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 976,55 vanaf 5 november 2012 tot de dag van betaling.

Veroordeelt AB in de proceskosten, die tot heden voor [werknemer] worden vastgesteld op een bedrag van € 510,73 (€ 103,73 dagvaardingskosten, € 207,00 vastrecht en € 200,00 salaris gemachtigde), te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf 14 dagen na heden tot de dag der voldoening.

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.B. Rip, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op

11 april 2013 in het openbaar uitgesproken.