Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1163

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
17-04-2013
Datum publicatie
10-07-2013
Zaaknummer
C/15/194280 / HA ZA 12-343
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen vestiging erfdienstbaarheid door verjaring. Geen sprake van rechtsverwerking of strijd met redelijkheid en billijkheid door 4 dagen voor het verstrijken van de 20jaars-termijn te stuiten. Geen persoonlijk (gebruiks)recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/368
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Sectie Handel & Insolventie

zaaknummer / rolnummer: C/15/194280 / HA ZA 12-343

Vonnis van 17 april 2013

in de zaak van

1. [eiser 1],

wonende te [woonplaats 1],

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2],

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. X. Visscher te Alkmaar,

tegen

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. H.P. Abma te Purmerend.

Partijen zullen hierna enerzijds gezamenlijk [eisers] en anderzijds [gedaagde 1] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 september 2012

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 10 december 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 10 december 2012

  • -

    de faxbrief van 22 januari 2013 zijdens [gedaagde 1]

  • -

    de (fax)brief van 22 januari 2013 zijdens [eisers]

  • -

    de faxbrief van 23 januari 2013 zijdens [gedaagde 1].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] is eigenaar van een perceel grasland aan de [straatnaam] te [woonplaats 1], kadastraal bekend [woonplaats 1] C67 (hierna: perceel C67).

2.2.

[gedaagde 1] is eigenaar van een agrarisch bedrijf, gevestigd aan de Zuiderweg 43 te [woonplaats 1]. Het bedrijf ligt tegenover perceel C67, gescheiden door een openbare weg ([straatnaam]). [gedaagde 1] is tevens eigenaar van de volgende percelen:

  • -

    [woonplaats 1] C124 - Terrein (teelt-kweek)

  • -

    [woonplaats 1] C420 - Bedrijvigheid (agrarisch) erf-tuin

  • -

    [woonplaats 1] C73 - Terrein (grasland).

2.3.

Op de bijgaande kaart is de ligging van de diverse percelen vermeld.

2.4.

Op perceel C73 houdt [gedaagde 1] - in de daartoe aangewezen seizoenen - zijn rundvee. Om de koeien van de stal op perceel C420 naar ‘de wei’ op perceel C73 te voeren, steekt [gedaagde 1] de [straatnaam] over en gaat over een afgerasterde strook grond aan de noordzijde van perceel C67 naar perceel C73.

2.5.

Bij aangetekende brief van 27 december 2011 hebben [eisers] ‘ter inroeping, verwezenlijking en bewaring’ van hun rechten [gedaagde 1] aangemaand om per direct het gebruik van de strook grond van perceel C67 te beëindigen, ‘ten einde te verhinderen dat onze aanspraken getroffen zouden worden door verjaring’.

2.6.

Bij brief van 17 februari 2012 heeft de advocaat van [eisers] onder meer het volgende aan [gedaagde 1] geschreven:

Om juridische discussie te voorkomen over de kwalificatie van uw gebruik, hebben cliënten u verzocht om een overeenkomst te tekenen die notaris Alsema-van Duin heeft opgesteld. U was – in ieder geval vooralsnog – niet bereid om deze te tekenen. Cliënten hebben u dan ook daarna, te weten op 27 december 2011, onder meer verzocht om het gebruik per direct te beëindigen. Hier heeft u geen gevolg aan gegeven.

(…)

Als u echter niet bereid bent om een dergelijke overeenkomst met cliënten aan te gaan of u reageert in dit verband niet tijdig, dan zal ik u op korte termijn in rechte betrekken.

(…)

2.7.

[gedaagde 1] heeft geen gebruiksovereenkomst met [eisers] gesloten.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eisers] vordert - samengevat - om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde 1] te veroordelen om binnen drie maanden na betekening van het vonnis ieder gebruik van perceel C67 te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom, met veroordeling van [gedaagde 1] in de (na)kosten van dit geding.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eisers] ten grondslag dat [gedaagde 1] onrechtmatig handelt jegens hem door zonder recht of titel gebruik te maken van het aan hem in eigendom toebehorende perceel C67.

3.3.

[gedaagde 1] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagde 1] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis - samengevat - om voor recht te verklaren dat:

  1. [gedaagde 1], zijn medewerkers, alsmede zijn bedrijfsopvolgers, voor onbepaalde tijd gebruik kunnen blijven maken van de afgerasterde strook grond op perceel C67 als toegangsweg van en naar perceel C73;

  2. de rechtstoestand met betrekking tot het onder 1. bedoelde gebruik van de strook grond door [eisers] binnen veertien na betekening van het vonnis dient te worden ingeschreven in de openbare registers op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.6.

[eisers] voert verweer.

3.7.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze gezamenlijk worden behandeld.

4.2.

[gedaagde 1] voert als verweer tegen de conventionele vordering en als grondslag van zijn reconventionele vordering aan dat hij een recht tot (voortgezet) gebruik van de strook grond op perceel C67 heeft. Hij voert daartoe het volgende aan. De grootvader van [gedaagde 1] (hierna: de grootvader van [gedaagde 1]) en diens broer [voornaam], de vader van [eisers] (hierna: oom [voornaam]) hebben in het verleden gezamenlijk een agrarisch bedrijf geëxploiteerd in een vennootschap onder firma. Na ontbinding daarvan zijn de voordien in gezamenlijke eigendom verkerende percelen grond onder hen verdeeld, waarbij de grootvader van [gedaagde 1] onder meer de percelen C72 en C73 toebedeeld heeft gekregen en oom [voornaam] onder meer perceel C67. Bij die verdeling is volgens [gedaagde 1] de afspraak gemaakt dat de grootvader van [gedaagde 1] gebruik mocht blijven maken van een strook grond op perceel C67 ten behoeve van de toegang van en naar perceel C73. In 1973 heeft de vader van [gedaagde 1] het bedrijf van de grootvader van [gedaagde 1] overgenomen en voortgezet, inclusief het gebruik van de strook grond op perceel C67. In 1994 is [gedaagde 1] een maatschap aangegaan met zijn vader. Na diens uittreding in 2006 heeft [gedaagde 1] het bedrijf voortgezet als eenmanszaak. De percelen grond zijn onder algemene titel overgegaan, met als gevolg dat de tussen de grootvader van [gedaagde 1] en oom [voornaam] gemaakte afspraak niet opzegbaar is. [gedaagde 1] heeft bovendien aangeboden de strook grond van [eisers] te kopen, dan wel om daarop een erfdienstbaarheid te vestigen. Doordat [eisers] weigert daaraan mee te werken en zij de strook grond thans opeist, met het oogmerk om [gedaagde 1] te schaden in de uitoefening van zijn eenmanszaak, maken zij dan ook misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. Bovendien is de afspraak een duurovereenkomst, waarvan de opzegging slechts mogelijk is op voldoende zwaarwegende gronden. [eisers] heeft ten slotte zijn recht op stuiting van de verjaring verwerkt door zich pas vier dagen voor het verstrijken van de verjaringstermijn te beroepen op zijn eigendomsrecht, aldus nog steeds [gedaagde 1].

4.3.

[eisers] betwist dat tussen de grootvader van [gedaagde 1] en oom [voornaam] een expliciete afspraak is gemaakt als door [gedaagde 1] gesteld. De inhoud van een dergelijke afspraak is nergens vastgelegd. Het gebruik van de strook grond door (de vader van) [gedaagde 1] heeft plaatsgehad omdat het "zo in de praktijk gelopen is". Zonder een afspraak kan van een duurovereenkomst ook geen sprake zijn. Als er al een afspraak gemaakt zou zijn, dan is het daaruit voortvloeiende recht om gebruik te mogen maken van de strook grond van (thans) [eisers] niet op [gedaagde 1] overgegaan, omdat [gedaagde 1] perceel C73 onder bijzondere titel heeft verkregen. Aangezien [gedaagde 1] geen recht op gebruik van perceel C67 heeft, komt zijn reconventionele vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Als eigenaar van perceel C67 is [eisers] niet gehouden om mee te werken aan de verkoop van op vestiging van een erfdienstbaarheid op de strook grond. Van een oogmerk om [gedaagde 1] te schaden is geen sprake, zodat misbruik van bevoegdheid evenmin aan de orde is. Van rechtsverwerking is ook geen sprake, alleen al omdat een enkel tijdsverloop daarvoor onvoldoende is, aldus nog steeds [eisers]

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.5.

De vordering van [eisers] in conventie is er met name op gericht om hun (onbezwaarde) eigendomsrechten op de strook grond van perceel C67 te bewaren. De vraag die thans voorligt is dan ook of de betreffende strook grond bezwaard is met een erfdienstbaarheid of een ander zakelijk of persoonlijk (gebruiks)recht.

4.6.

Blijkens artikel 5:72 BW kunnen erfdienstbaarheden ontstaan door vestiging en verjaring. Ter comparitie heeft (de advocaat van) [gedaagde 1] niet (langer) betwist dat geen sprake is van een bij notariële akte gevestigde erfdienstbaarheid ten laste van perceel C67 en ten behoeve van perceel C73, zodat vast staat dat een dergelijke erfdienstbaarheid niet bij akte is gevestigd. Ook van verkrijgende verjaring is geen sprake. Vast staat immers dat [eisers] de verjaringstermijn tijdig heeft gestuit. Dat die stuiting slechts 4 dagen voor het verstrijken van de verjaringstermijn zou zijn gedaan, doet daaraan niet af. Stuitingstermijnen als zodanig zijn immers bedoeld om aan alle bij een recht of verjaring daarvan betrokken belanghebbenden duidelijkheid te verschaffen over het exacte moment waarop de termijn is of zal zijn verstreken. Zolang de termijn nog niet is verstreken, kan de rechthebbende die dus stuiten. Aan de eigenaar (in dit geval dus: [eisers]) komt bij uitstek het recht toe om een (verjarings)termijn te stuiten. Het tijdstip waarop hij dat doet, is daarvoor niet relevant, zolang het maar vóór het verstrijken van de desbetreffende termijn doet. Zowel van rechtsverwerking als van strijd met de redelijkheid en billijkheid door ‘slechts’ 4 dagen vóór het verstrijken daarvan de verjaring te stuiten, is daarom geen sprake.

4.7.

[eisers] heeft gemotiveerd betwist dat er een expliciete afspraak is gemaakt over het gebruik van de betreffende strook grond, althans niet één die nu nog bindend is tussen partijen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 1] hiertegenover onvoldoende onderbouwd gesteld dat daarvan wèl sprake is. In de eerste plaats geldt dat niet duidelijk is wat de gestelde mondelinge afspraak (in de visie van [gedaagde 1]) precies inhield, onder meer wat betreft de vraag voor welke termijn en ten gunste van wie die afspraak werd gemaakt. Daarover kan thans geen duidelijkheid meer worden verkregen. Vast staat immers dat de gestelde afspraak tussen de grootvader van [gedaagde 1] en oom [voornaam] niet schriftelijk is vastgelegd. Ook is geen van partijen, noch een van de overige ter zitting aanwezige familieleden destijds aanwezig geweest bij of getuige geweest van het maken van de afspraak, terwijl de grootvader van [gedaagde 1] en oom [voornaam] beiden niet meer in leven zijn. Daar komt bij dat ter comparitie genoegzaam is komen vast te staan dat [gedaagde 1] perceel C73 (ten behoeve waarvan de afspraak gemaakt zou zijn) heeft verkregen onder bijzondere titel. Eventuele rechten die daaraan mochten zijn verbonden, zijn dan ook niet van rechtswege overgegaan op [gedaagde 1].

4.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde 1] geen recht op (voortgezet) gebruik kan ontlenen aan een erfdienstbaarheid of een ander (gebruiks)recht. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd behoeft daarom geen bespreking.

De conventionele vorderingen zullen worden toegewezen, waarbij de gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt. De reconventionele vorderingen zullen worden afgewezen.

4.9.

[gedaagde 1] zal als de zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld.

De kosten aan de zijde van [eisers] in conventie worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  90,64

  • -

    griffierecht 267,00

  • -

    salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal €  1.261,64

De kosten aan de zijde van [eisers] in reconventie worden begroot op:

- salaris advocaat € 452,00 (2,0 punten × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal €  452,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen drie maanden na betekening van dit vonnis ieder gebruik van perceel C67 te staken en gestaakt te houden,

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eisers] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag dat hij niet aan de in 5.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 25.000,-- is bereikt,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.261,64,

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen - onder de voorwaarde dat niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden - met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat,

5.5.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.7.

wijst de vorderingen af,

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 452,00,

5.9.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2013.