Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1120

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
15/801197-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; verweer psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801197-12

Uitspraakdatum: 2 april 2012

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres].

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en haar raadsvrouw, mr. D.N. de Jonge, advocate te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 30 september 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, behoudens het daarin vervatte medeplegen.

3.2. Partiële vrijspraak

De rechtbank van oordeel dat aan de stukken van het dossier alsmede het onderzoek ter terechtzitting niet het wettige en overtuigende bewijs is te ontlenen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander heeft begaan, nu weliswaar sprake lijkt te zijn geweest van een gezamenlijke uitvoering, maar niet van een bewuste en nauwe samenwerking zoals voor medeplegen is vereist. Verdachte dient in zoverre te worden vrijgesproken van hetgeen haar ten laste is gelegd.

3.3. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 maart 2013 afgelegd;

* het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 30 september 2012 (dossierparagraaf 2.1);

* het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 9 oktober 2012 (dossierparagraaf 2.1.4);

* het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 15 oktober 2012, kenmerk A065.2.070986 en laboratoriumnummer 10435 X 12 (los opgenomen).

3.4. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

zij op 30 september 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Beroep op psychische overmacht

Namens verdachte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat in casu sprake is van psychische overmacht. Verdachte is enkele dagen voor terugkeer naar Nederland een oud-klasgenoot in de supermarkt tegengekomen, die haar vroeg cocaïne mee te nemen naar Nederland. Verdachte weigerde nog diezelfde avond telefonisch, hetgeen door de oud-klasgenoot niet werd geaccepteerd. De volgende dag werden dan ook de verdovende middelen bij het huis van verdachte haar moeder afgeleverd. Verdachte vermoedde dat de persoon die de cocaïne bracht een vuurwapen droeg. Deze persoon zou hebben gezegd dat hij iedereen in het huis van verdachte zou doodschieten als ze weigerde de cocaïne mee te nemen naar Nederland. Hierdoor is verdachte overstag gegaan en heeft zij besloten de cocaïne toch mee te nemen naar Nederland. Verdachte dient daarom te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsvrouw.

Overwegingen van de rechtbank

De vraag is of de door de verdediging gestelde omstandigheden een - van buiten komende - drang van zodanige aard hebben teweeggebracht dat van verdachte niet gevergd kon worden af te zien van de drugssmokkel naar Nederland. Een en ander vereist onderzoek naar de externe omstandigheden waaraan verdachte naar haar zeggen heeft blootgestaan en naar de vraag of verdachte (mede) onder invloed daarvan tot haar misdrijf is gekomen.

De rechtbank overweegt dat de door verdachte naar voren gebrachte omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden, waardoor evenmin aannemelijk is geworden dat verdachte onder zodanige psychische druk heeft gestaan dat redelijkerwijs niet van haar gevergd kon worden dat zij anders zou handelen dan zij thans heeft gedaan. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verdachte bij haar aanhouding op Schiphol noch bij haar inverzekeringstelling heeft verklaard over de gestelde bedreigingen. De persoon met wie zij de drugsinvoer heeft uitgevoerd, [betrokkene], heeft bij zijn inverzekeringstelling echter verklaard dat hij samen reisde met verdachte en dat hij, toen hij in Curaçao was, heeft besloten om drugs te smokkelen. [betrokkene] verklaart vervolgens: "via via hoorden wij dat we geld konden verdienen en toen hebben wij samen besloten om het te doen." Voorts acht de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van verdachte op psychische overmacht van belang dat de verklaring van verdachte over het tijdstip waarop zij en [betrokkene] voor het eerst door iemand benaderd zouden zijn om drugs naar Nederland te vervoeren alsmede over de gang van zaken daarna, onderling op wezenlijke punten afwijkt van de verklaring van [betrokkene].

Gelet op het vorenstaande vormt de verklaring van de getuige [getuige], die (ook) door ene [naam] onder druk zou zijn gezet om drugs vanuit Curaçao naar Nederland te vervoeren, onvoldoende grond om de verklaring van verdachte aannemelijk te achten. Hierbij komt dat evenmin aannemelijk is geworden dat verdachte niet de mogelijkheid had om een minder ingrijpende uitweg te kiezen dan het vervoeren van drugs. Derhalve is ook niet voldaan aan het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit.

Tot slot acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat een drugsorganisatie gebruik zou maken van een op voorhand weigerende koerier om cocaïne naar Nederland te laten smokkelen, nu deze werkwijze het uiterst onzeker maakt of de beoogde koerier de cocaïne wel meeneemt en weer aan haar afgeeft. De rechtbank verwerpt aldus het beroep op psychische overmacht.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven (7) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van circa 0,95 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De door de officier van justitie gevorderde duur van de straf is op zichzelf in overeenstemming met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, en met name in de zorg die zij als alleenstaande jonge moeder over haar eenjarige kind heeft, aanleiding af te wijken van de eis van de officier van justitie.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van het na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt haar daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert.

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJF (5) MAANDEN, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot VIER (4) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte voor het einde van de op twee (2) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van HONDERDTWINTIG (120) UREN taakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet (naar behoren) verrichten daarvan te vervangen door zestig (60) dagen hechtenis;

heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A. van der Bijl, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. E.J. van Keken, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 2 april 2013.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.