Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNHO:2013:CA1096

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak
02-04-2013
Datum publicatie
27-05-2013
Zaaknummer
15/801200-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoer verdovende middelen te Schiphol; invoer cocaïne te Schiphol; bekennende verklaring verdachte; geen reden af te wijken van de eis van de officier van justitie; deels voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij cocaïne naar Nederland gesmokkeld heeft, omdat drie personen op Zanderij (de luchthaven bij Paramaribo) hem onder druk hebben gezet om dit te doen. Zij hebben hem daartoe drie keer benaderd. Na de derde keer besloot verdachte tot de smokkel over te gaan uit angst om anders in de Surinaamse gevangenis terecht te komen. Deze angst werd versterkt door de traumatische ervaringen die verdachte heeft opgedaan in een gevangenis in Costa Rica, waar hij een aantal jaren in detentie heeft doorgebracht. Voor zover verdachte hiermee in juridische zin een beroep doet op psychische overmacht, verwerpt de rechtbank dit beroep. Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht aannemelijk moet zijn geworden dat verdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde feit in zodanig bedreigende omstandigheden bevond dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij zich onthield van de invoer van cocaïne. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verdachte heeft immers verklaard dat hij toen hij voor de tweede keer werd benaderd om drugs mee te nemen, overwoog om dit te doen omdat hij met het geld dat hij daarvoor zou krijgen, zijn schulden zou kunnen afbetalen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij vanaf het moment van ontvangst van de verdovende middelen op Zanderij tot aan de ontdekking van de verdovende middelen op Schiphol heeft overwogen de verdovende middelen te stelen van de betrokken drugsorganisatie, omdat hij betwijfelde of de afhaler(s) op Schiphol hem wel zouden herkennen. Aan het hierdoor ontstane beeld draagt bij dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard zijn baard en snor te hebben afgeschoren om bij aankomst op Schiphol herkenning te voorkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting overigens ontkend deze verklaring bij de Koninklijke Marechaussee te hebben afgelegd, maar de rechtbank gaat uit van de inhoud van het ter zake opgemaakte proces-verbaal, nu er geen sprake is van een concreet aanknopingspunt op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou moeten zien om aan de inhoud van dit proces-verbaal te twijfelen. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van verdachte er op wijzen dat hij rationele afwegingen heeft gemaakt en welbewust heeft gehandeld bij de invoer van cocaïne in Nederland. Het vorenstaande wordt versterkt door het feit dat verdachte zich bij aankomst op Schiphol niet bij de autoriteiten heeft gemeld, maar pas heeft bekend dat hij zich aan de invoer van cocaïne heeft schuldig gemaakt toen hij zag dat zijn tas door een douaneambtenaar zou worden opengemaakt. Het verweer wordt aldus verworpen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1490,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding een groter gedeelte van die straf in voorwaardelijke vorm op te leggen dan is vervat in de vordering van de officier van justitie. Gelet op de hierboven al opgenomen overwegingen van de rechtbank behoeft het ter terechtzitting gedane subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde te onderzoeken of voor verdachte toch nog een vorm van klinische behandeling zou kunnen worden gevonden, geen verdere bespreking. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Publiekrecht, Sectie Straf

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801200-12

Uitspraakdatum: 2 april 2013

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 19 maart 2013 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Suriname),

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem te Haarlem.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M.M. van den Berg en van wat verdachte en zijn raadsvrouwe, mr. D.N. de Jonge, advocate te Haarlem, naar voren hebben gebracht.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 1490,5 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Bewijs

3.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 19 maart 2013 afgelegd;

* het proces-verbaal van aanhouding en bevindingen d.d. 1 oktober 2012 (proces-verbaal nr. 20120874);

* het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 3 oktober 2012 (proces-verbaal nr. PL27RR/12-071357);

* het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 10 oktober 2012, kenmerk A065.2.071357 en laboratoriumnummer 10204 X 12 (los opgenomen).

3.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 1 oktober 2012 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht 1490,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4. Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.

5. Strafbaarheid van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij cocaïne naar Nederland gesmokkeld heeft, omdat drie personen op Zanderij (de luchthaven bij Paramaribo) hem onder druk hebben gezet om dit te doen. Zij hebben hem daartoe drie keer benaderd. Na de derde keer besloot verdachte tot de smokkel over te gaan uit angst om anders in de Surinaamse gevangenis terecht te komen. Deze angst werd versterkt door de traumatische ervaringen die verdachte heeft opgedaan in een gevangenis in Costa Rica, waar hij een aantal jaren in detentie heeft doorgebracht. Voor zover verdachte hiermee in juridische zin een beroep doet op psychische overmacht, verwerpt de rechtbank dit beroep.

Daarbij stelt de rechtbank voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht aannemelijk moet zijn geworden dat verdachte zich ten tijde van het ten laste gelegde feit in zodanig bedreigende omstandigheden bevond dat van hem in redelijkheid niet gevergd kon worden dat hij zich onthield van de invoer van cocaïne. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verdachte heeft immers verklaard dat hij toen hij voor de tweede keer werd benaderd om drugs mee te nemen, overwoog om dit te doen omdat hij met het geld dat hij daarvoor zou krijgen, zijn schulden zou kunnen afbetalen. Verder heeft verdachte verklaard dat hij vanaf het moment van ontvangst van de verdovende middelen op Zanderij tot aan de ontdekking van de verdovende middelen op Schiphol heeft overwogen de verdovende middelen te stelen van de betrokken drugsorganisatie, omdat hij betwijfelde of de afhaler(s) op Schiphol hem wel zouden herkennen. Aan het hierdoor ontstane beeld draagt bij dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee heeft verklaard zijn baard en snor te hebben afgeschoren om bij aankomst op Schiphol herkenning te voorkomen. Verdachte heeft ter terechtzitting overigens ontkend deze verklaring bij de Koninklijke Marechaussee te hebben afgelegd, maar de rechtbank gaat uit van de inhoud van het ter zake opgemaakte proces-verbaal, nu er geen sprake is van een concreet aanknopingspunt op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou moeten zien om aan de inhoud van dit proces-verbaal te twijfelen. De rechtbank overweegt dat de verklaringen van verdachte er op wijzen dat hij rationele afwegingen heeft gemaakt en welbewust heeft gehandeld bij de invoer van cocaïne in Nederland. Het vorenstaande wordt versterkt door het feit dat verdachte zich bij aankomst op Schiphol niet bij de autoriteiten heeft gemeld, maar pas heeft bekend dat hij zich aan de invoer van cocaïne heeft schuldig gemaakt toen hij zag dat zijn tas door een douaneambtenaar zou worden opengemaakt. Het verweer wordt aldus verworpen.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is derhalve strafbaar.

6. Motivering van de straf

6.1. Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf (11) maanden waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren, onder de bijzondere voorwaarde van een meldplicht.

6.2. Oordeel van de rechtbank

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van 1490,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

De rechtbank merkt op dat de door de officier van justitie gevorderde duur van de straf in overeenstemming is met de straf die ten aanzien van de opzettelijke invoer van vergelijkbare hoeveelheden cocaïne pleegt te worden opgelegd. De rechtbank ziet echter in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding een groter gedeelte van die straf in voorwaardelijke vorm op te leggen dan is vervat in de vordering van de officier van justitie.

Gelet op de hierboven al opgenomen overwegingen van de rechtbank behoeft het ter terechtzitting gedane subsidiaire verzoek van de raadsvrouw om aanhouding van de behandeling van de zaak teneinde te onderzoeken of voor verdachte toch nog een vorm van klinische behandeling zou kunnen worden gevonden, geen verdere bespreking.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat een gedeelte daarvan vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Daarnaast acht de rechtbank verplicht contact met de reclassering noodzakelijk. Een voorwaarde van die strekking zal aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf worden verbonden.

7. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht;

2 en 10 van de Opiumwet.

8. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.3. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde feit oplevert;

verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van ELF (11) MAANDEN;

bepaalt dat een gedeelte van deze gevangenisstraf, groot VIER (4) MAANDEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

meldplicht

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich zo spoedig mogelijk zal melden bij Justitiële Verslavingszorg Inforsa op het volgende adres: Keizersgracht 572, (1017 EM) Amsterdam en zich zal hierna zal blijven melden gedurende de door de rechtbank bepaalde periode van de proeftijd, zo frequent als Justitiële Verslavingszorg Inforsa dit gedurende deze periode nodig acht;

behandelverplichting

stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal laten stellen bij het landelijk behandel- en expertisecentrum voor psychotrauma Stichting Centrum '45 of een soortgelijke instelling;

bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

beveelt de opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van die voorlopige hechtenis gelijk wordt aan de duur van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde gevangenisstraf.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E.J. van Keken, voorzitter,

mr. M.J.M. Verpalen en mr. G.A. van der Bijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.J. de Vries, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 2 april 2013.

Mr. G.A. van der Bijl is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.